Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AD7477

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
21-12-2001
Zaaknummer
102625/KG ZA 01-686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 20
Gst. 2002-7160, 3 met annotatie van D.E. Bunschoten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

102625/KG ZA 01-686 PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTS-

RECHTBANK TE BREDA

21 december 2001

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

1. [eiser 1], wonende te Breda,

2. [eiser 2], wonende te Breda,

3. [eiser 3], wonende te Breda,

4. [eiser 4], wonende te Breda,

5. de rechtspersoon DE GEMEENTE BREDA,

zetelende te Breda,

e i s e r s bij dagvaarding van 15 november 2001,

v e r w e e r d e r s in reconventie,

procureur en advocaat: mr. B.P.M. van Ravels,

t e g e n :

1. [gedaagde], wonende te Breda,

2. [gedaagde], wonende te Breda,

g e d a a g d e n,

e i s e r s in reconventie,

procureur: mr. N. van Bruggen,

advocaat: mr. B.R. de [gedaagde 2]-Kühn te Amsterdam.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding;

- de pleitnota van mr. van Ravels en de door eisers in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. de Boer-Kühn;

- de akte tevens houdende eis in reconventie, tevens overlegging producties van mr. de Boer-Kühn;.

Partijen hebben voorts ter zitting hun stellingen mondeling nader toegelicht.

2. Het geschil.

Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagden te bevelen om binnen acht dagen nadat dit vonnis aan hen is betekend opdracht te geven aan de administratie van het Dagblad BN/De Stem om voor hun rekening in de eerstvolgende editie van de bedoelde krant een advertentie te plaatsen met de volgende inhoud:

"Uit eerder door ons gedane uitlatingen kan de indruk ontstaan dat een aantal ambtenaren van de gemeente Breda zich aan corruptie, vriendjespolitiek en ongerechtvaardigde verrijking hebben schuldig gemaakt en dat daarom de gemeente Breda corrupt is. Meer in het bijzonder kan uit onze uitlatingen de indruk ontstaan dat onder meer de ambtenaren [eiser 1], [eiser 3], [eiser 4] en [eiser 2] zich hieraan schuldig zouden hebben gemaakt.

De president van de rechtbank te Breda heeft in zijn vonnis in kort geding d.d…. beslist dat deze uitlatingen onrechtmatig zijn jegens de persoon van de heren [eiser 1], [eiser 3], [eiser 4] en [eiser 2] en jegens de gemeente Breda en dat wij ons van beschuldigingen hadden behoren te onthouden. Wij beschikken immers niet over zodanige feiten of gegevens dat deze uitlatingen gerechtvaardigd zijn. Daarenboven zijn onze uitlatingen voor de betrokkenen nodeloos grievend en krenkend. De president heeft ons opgedragen deze mededelingen in te trekken, aan welke opdracht wij hierbij voldoen.

[ged[gedaagde 1] en [gedaagd[gedaagde 2]."

zulks op straffe van een dwangsom van duizend gulden per dag voor iedere dag dat gedaagden in gebreke zijn met de nakoming van deze veroordeling;

2. gedaagden te bevelen om binnen acht dagen nadat dit vonnis aan hen is betekend opdracht te geven aan de administratie van TV Gazet om voor hun rekening, binnen 11 dagen na betekening van dit vonnis, gedurende 24 uur, in de voor TV Gazet gebruikelijke frequentie van berichtgeving, een bericht uit te zenden met dezelfde inhoud als de advertentie bedoeld onder 1, zulks op straffe van een dwangsom van duizend gulden per dag voor iedere dag dat gedaagden in gebreke zijn met de nakoming van deze veroordeling;

3. gedaagden te bevelen om binnen acht dagen nadat dit vonnis aan hen is betekend een bericht met dezelfde inhoud als hiervoor bedoeld onder 1 te plaatsen op de website www.leefbaar-breda.nl, zulks op straffe van een dwangsom van duizend gulden per dag voor iedere dag dat gedaagden in gebreke zijn met de nakoming van deze veroordeling;

4. gedaagden te bevelen zich te onthouden van het via de pers, radio, televisie of internet, in de openbaarheid brengen van verdere eendere of vergelijkbare suggestieve uitlatingen aangaande de integriteit van ambtenaren van de Gemeente Breda, zulks op straffe van een dwangsom van vijfduizend gulden per dag voor iedere overtreding van deze veroordeling;

5. gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Gedaagden hebben de vordering bestreden en vorderen in reconventie:

primair:

1. aan de Gemeente Breda te bevelen om binnen een dag nadat het vonnis is betekend, aan het gemeentebestuur opdracht te geven, het besluit tot het instellen van de beperkende maatregelen, bedoeld in de brief van het College van Burgemeester en Wethouders van 6 november 2001, onvoorwaardelijk en schriftelijk te herroepen en alle beperkende maatregelen, welke in de afgelopen periode jegens eisers in reconventie zijn genomen zonder enige vorm van restrictie op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom van duizend gulden per dag voor iedere dag dat zij in gebreke is met de nakoming van deze veroordeling;

2. voorts aan de Gemeente Breda te bevelen de onvoorwaardelijke herroeping en onmiddellijke opheffing van de ingestelde maatregelen van 6 november 2001, binnen een dag nadat het vonnis is betekend, aan het gemeentebestuur van de Gemeente Breda opdracht te geven schriftelijk aan alle gemeenteraadsleden, alle commissieleden, de overige fractiemedewerkers, alle ambtenaren van de Gemeente Breda, de leden van de ondernemingsraad en de pers bekend te maken, zulks op straffe van een dwangsom van duizend gulden per dag voor iedere dag dat zij in gebreke is met de nakoming van deze veroordeling;

subsidiair:

3. eisers sub 1 t/m 4 in conventie te bevelen hun onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de uitvoering van het opheffingsbesluit ten aanzien van de gewraakte maatregelen, zulks op straffe van een dwangsom van duizend gulden per dag, hoofdelijk verschuldigd voor iedere dag dat de medewerking niet wordt verleend, gerekend vanaf de dag dat de gewraakte maatregelen in opdracht van de Gemeente Breda door het gemeentebestuur zijn opgeheven;

4. eisers in conventie te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- Eisers sub 1 tot en met 4 zijn ambtenaren van de Gemeente Breda: [eiser 1] is plaatsvervangend hoofd Bouw- en Woningtoezicht, [eiser 2] is gemeentesecretaris, [eiser 3] is inspecteur beheer van Bouw- en Woningtoezicht en [eiser 4] is algemeen directeur van de Dienst Ruimtelijke Ontwikkeling, milieu en Economische Zaken.

- Gedaagden zijn fractieleden van de plaatselijke politieke partij de Parel van het Zuiden te Breda, hierna ook te noemen de Parel; [gedaagde 1] is gemeenteraadslid, tevens fractievoorzitter en [gedaagde 2] is commissielid van de Parel.

- In een brief van 6 augustus 2001 schrijven gedaagden aan het college van B&W ondermeer:

"Het zal u daarom niet verwonderen dat wij deze corrupte en onbeschofte manier van werken van uw ambtenaren van nu af aan te vuur en te zwaard zullen gaan bestrijden. Wij zullen geen middel ongebruikt laten om dat corrupte zooitje van bouw- en woningtoezicht uit te roken."

- In een brief van 18 oktober 2001 van gedaagden aan burgemeester en wethouders van de Gemeente Breda, waarvan zij een kopie aan de pers en aan onder meer TV Gazet hebben gestuurd en welke brief is gepubliceerd op de website www.leefbaar-breda.nl, schrijven gedaagden onder meer:

"De ambtenaren maken de dienst uit in Breda en bepalen ook de "vriendjespolitiek".

Hieronder een paar voorbeelden.

Ambtenaar [eiser 2] is "toevallig" de hoogste bieder voor het pand Annastraat.

Ambtenaar [eiser 4] koopt een huis van een ontwikkelaar die veel voor Breda bouwt.

Ambtenaar [eiser 2] huurt een 100 vierkante meter tuin in de Merkxtuin voor

ƒ 200,-- per jaar.

Ambtenaar [eiser 3] zorgt voor een stiekeme bestemmingsplanverandering zodat er een horecabedrijf gevestigd kan worden in de Ginnekenweg waar een horecaverbod geldt.

Ambtenaar [eiser 1] helpt de familie [[de heer X]] bij hun onwettige aanbouw.

Ambtenaren helpen DINO aan een onmogelijke vestigingsvergunning.

Dus dan kan ook verwacht worden dat het "niet toevallig" is dat 3 ambtenaren een huis krijgen toegeloot van de totaal 7 woningen die nota bene bestemd waren voor gedupeerden van de HSL. Dat de loting geschiedt door een advocatenkantoor dat veel zaken doet voor de gemeente is dan ook niet toevallig.

Zo zullen er nog wel honderden zaakjes zijn waar wij geen weet van hebben maar wel vaak het gevoel hebben dat er iets niet klopt. Breda is echt een corrupte stad geworden en kan vergeleken met een stad in een bananenrepubliek of in een onderontwikkeld land. Alleen hebben de ambtenaren het daar nodig om te leven terwijl de ambtenaren hier het puur voor zelfverrijking en "hun lol" doen. Dat maakt "de vriendjespolitiek" in Breda vele malen erger."

- Bij brief van 31 oktober 2001 schrijven gedaagden aan het college van B&W ondermeer:

"Vandaag hebben wij een brief ontvangen va[de heer [de heer X]], eigenaar van [adres]. In deze brief, waarvan wij de handtekening vergeleken hebben met zijn bouwaanvragen van 5 november 1997 en 22 februari 2000, zegt de heer [[de heer X]] dat hij ƒ 25.000,-- onderhands betaald heeft aan de heer [eiser 1], hoofd van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Breda. Hij heeft dit bedrag volgens hem betaald om een bouwvergunning voor zijn uitbouw te krijgen. Nu dat niet gelukt is maakt hij zijn vroegere dreiging om een bodemprocedure te beginnen in zoverre waar, dat hij de waarheid rechtstreeks openbaar maakt.

Gezien onze talloze vragen en onze conclusie dat de heer [eiser 1] degene moest zijn die hem gedurende de afgelopen 3,5 jaar ondersteund heeft, verbaast ons deze verklaring niets. Ook de verklaring van de heer [[de heer X]] dat ook andere "kopstukken" van de gemeente van deze affaire wisten verbaast ons niets. Wat ons wel verbaast is dat de verantwoordelijke wethouder en de gemeentesecretaris niets gedaan hebben om deze zaak te onderzoeken.

Gezien de hierbij gevoegde brief eisen we daarom het directe ontslag van zowel de heer [eiser 1], de gemeentesecretaris, als wethouder van Beusekom. Zij zijn na deze verklaring niet meer geloofwaardig en als zodanig niet meer te handhaven. Mocht dat niet gebeuren, dan zullen wij een aanklacht indienden bij de rijksrecherche."

- Blijkens een artikel in BN/De Stem van 2 november 2001 ontkent [de heer [de heer X]] in alle toonaarden dat hij de brief, waarop de Parel doelt, heeft geschreven[de heer [de heer X]] in verband met deze brief op 1 november 2001 aangifte gedaan van valsheid in geschrifte.

- De ondernemingsraad van de Gemeente Breda heeft bij brief van 2 november 2001 aan gemeentesecretaris [eiser 2] verzocht om ervoor te zorgen dat de ambtenaren op geen enkele wijze meer in contact behoeven te treden met raadsleden en commissieleden niet raadsleden van de Parel van het Zuiden.

- Het college van B&W heeft bij brief van 6 november 2001 aan alle ambtenaren van de Gemeente Breda en de Ondernemingsraad, alsmede via een persbericht medegedeeld dat zij de wijze waarop de Parel van het Zuiden bewust schade aan ambtenaren toebrengt niet langer tolereert en daartoe navolgende maatregelen onderneemt:

- ambtenaren hoeven vertegenwoordigers van de Parel niet meer te woord te staan;

- vertegenwoordigers van de Parel wordt de toegang tot de kantoorgedeelten van het Stadskantoor ontzegd.

- vertegenwoordigers van de Parel ontvangen alleen nog informatie op schriftelijk verzoek.

In conventie:

3.2

De president is bevoegd tot kennisname van het onderhavige geschil, aangezien eisers hun vorderingen hebben gebaseerd op onrechtmatig handelen van gedaagden jegens de Gemeente en haar ambtenaren.

3.3

Gedaagden stellen dat de Gemeente niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat het gedaagden niet bekend is of daadwerkelijk een procesbesluit door de gemeenteraad is genomen. Volgens gedaagden is een procesbesluit van de gemeenteraad noodzakelijk, aangezien het college van B&W niet een procedure in de zin van art. 164 Gemeentewet heeft geëntameerd, maar de Gemeente als publiekrechtelijk rechtspersoon als eiser in dit kort geding optreedt.

3.4

Het college van B&W is op grond van art. 164 lid 2 Gemeentewet bevoegd tot het procederen in eerste aanleg in kort geding, tenzij de raad daaromtrent in voorkomende gevallen een beslissing heeft genomen. Vaststaat dat de raad van dit kort geding kennis heeft genomen, aangezien de Gemeente dit kort geding enige weken geleden via een persbericht heeft aangekondigd, en dat de raad in het onderhavige geval geen beslissing heeft genomen. De Gemeente kan derhalve in haar vorderingen worden ontvangen.

3.5

De Gemeente stelt dat gedaagden onrechtmatig handelen jegens haar en haar ambtenaren waardoor gedaagden eisers doelbewust schade toebrengen. De Gemeente erkent de vrijheid van meningsuiting van gedaagden betreffende hun politieke visie, maar betoogt dat die vrijheid niet geldt voor ongefundeerde concrete feitelijke beschuldigingen aan het adres van haar ambtenaren.

3.6

Ten aanzien van de beschuldigingen van [eiser 2] heeft de gemeente aangevoerd dat

de beslissing van B&W om tot verhuur van de bewuste strook grond aan [eiser 2] over te gaan niet heimelijk tot stand is gekomen, maar is besproken in de raadscommissie waarbij het aangaan van die overeenkomst bij het grootste deel van de raadscommissie niet op bezwaren stuitte. De Gemeente heeft voorts onbetwist gesteld dat de bereidheid van de gemeente om tot verhuur over te gaan niets van doen had met de persoon van de huurder, omdat de gemeente ook aan de huurders van woningen aan de andere zijde van de Burgemeester Merkxtuin delen van de tuin tegen gelijke huurpenningen ter beschikking heeft gesteld.

3.7

Inzake de beschuldigingen van [eiser 4] ontkent de gemeente dat de project-ontwikkelaar, van wie [eiser 4] een woning heeft gekocht, vaak opdrachten voor de Gemeente uitvoert. Daarnaast voert zij aan dat, indien dit wel zo zou zijn geweest, dit op geen enkele wijze de door gedaagde gewekte suggestie zou rechtvaardigen dat reeds daardoor sprake zou zijn door [eiser 4] gepleegde corruptie, vriendjespolitiek of zelfverrijking.

3.8

De gemeente stelt voorts dat de beschuldiging van de heer [eiser 3] , die volgens gedaagden voor een stiekeme verandering van het bestemmingsplan heeft gezorgd, zodat er een horecabedrijf gevestigd kon worden aan de Ginnekenweg waar een horecaverbod gold, in strijd met de waarheid is omdat ter plaatse geen bestemmingsplan gold en derhalve uit dien hoofde ook geen gebruiksvoorschriften.

3.9

De gemeente stelt vervolgens dat een deugdelijke feitelijke grondslag voor de beschuldigingen ten aanzien van [eiser 1] ontbreekt, omdat [[de heer X]] immers met klem ontkent dat de brief, die door gedaagden onmiddellijk in de publiciteit is gebracht, van hem afkomstig zou zijn en de inhoud van die brief als absurd van de hand wijst.

3.10

Aan Dino is, zo stelt de Gemeente, nimmer een vestigingsvergunning verleend.

Zij vermoedt dat gedaagden met hun beschuldiging doelen op een bouwvergunning die aan Dino is verleend, en welke nadien, naar aanleiding van bezwaar en beroep van derden is herroepen. De gemeente geeft toe dat gezegd kan worden dat de uitleg die het college van B&W aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan gaf, achteraf bezien, onjuist was en dat derhalve ten onrechte een bouwvergunning was verleend, maar betoogt dat dit niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake is geweest van corruptie.

3.11

Tenslotte betwist de Gemeente dat drie van de zeven kavels te Effen, die bestemd waren voor gedupeerden van de HSL, aan ambtenaren zijn toegeloot, zoals gedaagden stellen. De loting is, aldus de Gemeente, verricht door een notaris, welke niet is verbonden aan het kantoor van de stadsadvocaat en dus niet door een advocatenkantoor dat zaken doet met de gemeente, zoals gedaagden betogen.

3.12

Gedaagden, die in persoon gedagvaard zijn, stellen dat zij hun uitingen niet hebben gedaan op persoonlijke titel, maar in de vervulling van hun politiek mandaat, en dat om die reden hun civiele vervolging ingevolge het immuniteitsbeginsel van artikel 22 Gemeentewet is uitgesloten.

3.13

Daargelaten de vraag of art. 22 Gemeentewet, welk artikel uitsluitend ziet op dat wat in vergaderingen wordt gezegd of schriftelijke vragen, ook van toepassing is op art. 48 RO vragen, omdat dergelijke vragen per definitie buiten de raadsvergadering om worden gesteld, geldt genoemd artikel in ieder geval niet voor de brieven die gedaagden ter publicatie aan de pers hebben gezonden.

3.14

Gedaagden stellen dat de vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in art. 7 van de Grondwet, een van essentiële grondslagen is van een democratische samenleving en dat

de plaats waar uitingsvrijheid en democratische besluitvorming bij uitstek moet plaatsvinden in de vertegenwoordigende lichamen in dit geval de gemeenteraad is.

Gedaagden stellen dat eisers, in strijd met artikel 7 Grondwet, invloed wensen uit te oefenen op de wijze waarop het politieke debat moet worden gevoerd.

Volgens gedaagden kan een politieke partij als de Parel zonder de garantie van uitingsvrijheid haar politieke taak niet uitoefenen en moeten misstanden, zoals corruptie en vriendjespolitiek, persoonlijke verrijking en persoonlijke voorkeursbehandeling ten koste van de gemeenschap -maar ook het gegronde vermoeden daartoe- aangemerkt worden als misstanden die de democratische samenleving in bijzondere mate raken en daarom aan de kaak gesteld en tot de bodem moeten worden uitgezocht. Gedaagden benadrukken dat het directe maatschappelijke belang waarmee de inwoners van de Gemeente Breda zijn gediend door een van elke schijn van vriendjespolitiek of van corruptievrij bestuur en ambtelijk apparaat evident is en in een democratische samenleving niet hoog genoeg kan worden ingeschat.

3.15

Gedaagden stellen terecht dat zij recht hebben op vrije meningsuiting, en dat die uitingsvrijheid met name in politiek debat ook geldt voor informatie en ideeën die ergeren, shockeren en verwarring zaaien. Corruptie, vriendjespolitiek en zelfverrijking zijn zonder twijfel misstanden die, bezien vanuit het algemeen belang, ernstig te noemen zijn.

3.16

De strekking van de uitingen van gedaagden is dat ambtenaren, waarvan eisers sub 1 tot en met 4 met naam worden genoemd, corrupt zijn, vriendjespolitiek bedrijven, zich laten omkopen en zichzelf ongerechtvaardigd verrijken. Volgens de in grievende woorden geformuleerde beschuldigingen zouden ambtenaren van de Gemeente misbruik maken van hun positie. Dit levert zonder twijfel een ernstige belediging op die de reputatie en integriteit van deze ambtenaren en van de Gemeente ernstig aantast en die het publieke vertrouwen in de integriteit van het gemeentelijk apparaat ernstig ondermijnt.

Daarbij mag er niet aan voorbij worden gegaan dat de positie van een ambtenaar een andere is dan die van een politicus of bestuurder, omdat zij, anders dan laatst genoemden, geen politieke verantwoordelijkheid op zich hebben genomen, maar als ambtenaar slechts het langs politieke weg uitgestippeld beleid in de Gemeente uitvoeren.

3.17

Van gedaagden mag worden verlangd dat hun beschuldigingen berusten op onderzoek dat aan hoge eisen van zorgvuldigheid voldoet. Daarbij moet op grond van dit onderzoek gebleken zijn dat de beschuldigingen in voldoende mate steun vinden in de ten tijde van het doen van die beschuldigingen beschikbare feitenmateriaal.

Het voorgaande geldt in het onderhavige geval temeer omdat gedaagden, in hun hoedanigheid van raadslid, respectievelijk commissielid, verondersteld worden op de hoogte te zijn van het reilen en zeilen binnen het gemeentelijk apparaat, waardoor bij het publiek de indruk kan ontstaan dat hetgeen gedaagden mededelen zou steunen op uit eigen wetenschap bekende harde feiten.

3.18

In het onderhavige geval is sprake van infame beledigingen waarbij gedaagden feiten noemen, die niet zijn onderbouwd, in enkele gevallen worden niet eens feiten genoemd, en daar vervolgens de conclusie aan verbinden dat sprake is van corruptie, een zeer vergaande beschuldiging. Geen van de beschuldigingen is ook maar enigszins feitelijk onderbouwd, niet ten tijde dat de beschuldigingen werden gepubliceerd en thans evenmin. Uitsluitend de beschuldigingen ten aanzien van [eiser 1] werden gesteund door een brief waarvan de afzender echter ontkent dat die brief van hem afkomstig is. Van gedaagden had op zijn minst verwacht mogen worden dat zij, alvorens deze brief in de openbaarheid te bre[de heer [de heer X]] zelf navraag hadden gedaan omtrent de authenticiteit van deze brief.

3.19

Geconcludeerd wordt dat het algemeen belang niet gediend kan zijn met publicaties van beschuldigingen waarvoor geen of onvoldoende deugdelijke gronden kunnen worden aangevoerd en dat de gewraakte uitingen van gedaagden als onrechtmatig jegens eisers worden gekwalificeerd. Gelet op de zwaarte van de beschuldigingen en de wijze waarop gedaagden de publiciteit hebben gezocht, waarbij zij diverse media aanzochten, bestaat aanleiding om via dezelfde weg te rectificeren. De vorderingen sub 1, 2 en 3 liggen op grond van het voorgaande voor toewijzing gereed.

3.20

Door toewijzing van de vorderingen sub 1, 2 en 3 en de toepassing van het pakket maatregelen dat vanaf 6 november 2001 door de Gemeente is ingevoerd gaat de president er voorshands vanuit dat soortgelijk gedrag van gedaagden in de toekomst achterwege zal blijven. Bedoelde maatregelen vigeren nog steeds en niet gebleken is dat ná ingang van die maatregelen gedaagden zich opnieuw schuldig hebben gemaakt aan soortelijk onrechtmatig handelen. Geconcludeerd wordt dat op dit moment onvoldoende noodzaak bestaat voor toewijzing van de vergaande vordering sub 4.

In reconventie:

3.21

Gedaagden ervaren de door de Gemeente per 6 november 2001 opgelegde maatregelen als discriminerend en stellen dat die maatregelen hen in ernstige mate benadelen en belemmeren in het uitvoeren van hun politieke werkzaamheden. Zij stellen daarnaast dat de opgelegde maatregelen een wettelijke grondslag ontberen en daarom niet kunnen worden geaccepteerd. Volgens gedaagden zijn de maatregelen genoemd in de brief van 6 november 2001 nog steeds actueel en is in ieder geval de maatregel dat alle informele dienstverlening en ondersteuning vervalt niet opgeheven.

3.22

De Gemeente stelt dat zij als beheerder van het Stadskantoor aan de Claudius Prinsenlaan gerechtigd was de maatregelen te treffen op grond van artikel 160 Gemeentewet en betreft het een op het privaatrecht gebaseerde ordemaatregel van de eigenaar/beheerder van een niet voor het publiek openstaand gedeelte van een gebouw, waartoe de eigenaar/beheerder als zodanig bevoegd is.

De Gemeente wijst er op dat zij de maatregelen heeft genomen op verzoek van de Ondernemingsraad, die in een brief van 2 november 2001 aan de gemeentesecretaris klemmend en gemotiveerd heeft verzocht om "ervoor te zorgen dat wij op geen enkele wijze meer in contact behoeven te treden met raadsleden en commissieleden niet raadsleden van de Parel van het Zuiden."

De Gemeente stelt dat geen enkele fractie recht heeft op facilitaire dienstverlening, maar erkent wel dat in het verleden ambtenaren toch bereid waren om fractieleden, onder wie gedaagden toch te helpen. Zij stelt dat het college van B&W dit niet zal bevorderen maar ook niet tegenhouden. Volgens de Gemeente is thans de enige maatregel die nog van kracht is dat gedaagden geen toegang hebben tot de niet openbare ruimten van het Stadskantoor aan de Claudius Prinsenlaan, waarmee een goede uitvoering van de overheidstaak gediend is. Met die maatregel wordt beoogd dat ambtenaren, die hun werkzaamheden verrichten binnen het gedeelte van het Stadskantoor dat niet openbaar is, hun werk op ordelijke wijze kunnen verrichten en hen op hun werkplek te behoeden voor ordeverstoringen, meer in het bijzonder voor het niet aflatende beledigende en intimiderende ontoelaatbare gedrag van eisers en hun medewerkers.

De Gemeente betoogt dat de maatregelen van kracht blijven zolang de beledigingen van gedaagden voortduren, maar dat deze zullen worden opgeheven indien de conventionele vorderingen worden toegewezen en gedaagden herhaling van hun onrechtmatig handelen voorkomen, waarbij zij niet doelt op het politiek debat, maar op beschuldigingen van corruptie e.d. aan het adres van haar ambtenaren.

3.23

Gedaagden stellen terecht dat zij het recht hebben om op gelijke wijze als alle andere leden van politieke partijen door de Gemeente bediend te worden. Daarbij is om het even of het gaat om formele of informele dienstverlening.

Hier is echter een situatie ontstaan, door opzettelijk toedoen van de persoon van deze twee gedaagden zelf, die de Gemeente als goed werkgever ertoe noopte om maatregelen te nemen met een apaiserend en deëscalerend effect; dat er zo'n noodzaak was blijkt reeds toereikend uit de brief van de Ondernemingsraad van 2 november 2001. Onbetwist is dat deze door gedaagden geschapen situatie ziekteverzuim van ambtenaren tot gevolg heeft gehad. In die door gedaagden zelfgeschapen situatie mocht de Gemeente de noodzakelijk geworden maatregelen treffen ter bescherming van het werkklimaat van de ambtenaren.

3.24

Ter beoordeling staat vervolgens of de maatregelen die de Gemeente heeft getroffen kunnen worden aangemerkt als proportioneel en niet te ingrijpend. Op het moment dat de maatregelen werden getroffen waren de maatregelen niet disproportioneel te noemen.

De aldus acuut ontstane noodsituatie rechtvaardigde een forse inperking van de rechten van gedaagden. Dat betekent echter wel dat deze maatregelen, gelet op de ingrijpende aard daarvan, niet langer van kracht moeten zijn dan strikt noodzakelijk. Voorshands valt aan te nemen dat, na uitvoering van de conventionele veroordelingen, geen herhaling van de onrechtmatige gedragingen van gedaagden zal plaats vinden. In aanmerking nemend dat de maatregelen zijn bedoeld als apaiserend en deëscalerend komt het de president redelijk voor die maatregelen na een periode van drie maanden op te heffen. Nu bedoelde maatregelen reeds vanaf 6 november 2001 van kracht zijn, komt dit er in het onderhavige geval op neer dat de maatregelen niet langer van kracht zouden moeten zijn nadat ruim een maand na betekening van dit vonnis is verstreken. Gelet op de toezegging van de Gemeente dat zij niet langer dan strikt noodzakelijk de maatregelen zal toepassen en de verklaring dat de Gemeente de visie van de president zal volgen bestaat aldus geen noodzaak voor toewijzing van de gevorderde voorzieningen.

4. De kosten.

In conventie:

Gedaagden dienen als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

In reconventie:

Eisers dienen als de in het ongelijk te stellen partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding.

De president

In conventie:

veroordeelt gedaagden om binnen acht dagen nadat dit vonnis aan hen is betekend opdracht te geven aan de administratie van het Dagblad BN/De Stem om voor hun rekening in de eerstvolgende editie Breda van de bedoelde krant een advertentie te plaatsen met als inhoud een kopie van het hieronder afgebeelde :

OPENBARE RECTIFICATIE

Uit eerder door ons gedane uitlatingen kan de indruk ontstaan dat een aantal ambtenaren van de Gemeente Breda zich aan corruptie, vriendjespolitiek en ongerechtvaardigde verrijking hebben schuldig gemaakt en dat daarom de Gemeente Breda corrupt is.

Meer in het bijzonder kan uit onze uitlatingen de indruk ontstaan dat onder meer de ambtenaren [eiser 1], [eiser 3], [eiser 4] en [eiser 2] zich hieraan schuldig zouden hebben gemaakt.

De president van de rechtbank te Breda heeft in zijn vonnis in kort geding d.d. 21 december 2001beslist dat deze uitlatingen onrechtmatig zijn jegens de persoon van de heren [eiser 1], [eiser 3], [eiser 4] en [eiser 2] en jegens de Gemeente Breda en dat wij ons van beschuldigingen hadden behoren te onthouden. Wij beschikken immers niet over zodanige feiten of gegevens dat deze uitlatingen gerechtvaardigd zijn. Daarenboven zijn onze uitlatingen voor de betrokkenen nodeloos grievend en krenkend. De president heeft ons opgedragen deze mededelingen in te trekken, aan welke opdracht wij hierbij voldoen.

[ged[gedaagde 1] en [gedaagd[gedaagde 2].

veroordeelt gedaagden om binnen acht dagen nadat dit vonnis aan hen is betekend opdracht te geven aan de administratie van TV Gazet om voor hun rekening, binnen 11 dagen na betekening van dit vonnis, gedurende 24 uur, in de voor TV Gazet gebruikelijke frequentie van berichtgeving, een bericht uit te zenden met als inhoud een kopie van het hierboven afgebeelde;

veroordeelt gedaagden om binnen acht dagen nadat dit vonnis aan hen is betekend een bericht, met als inhoud een kopie van het hierboven afgebeelde, te plaatsen op de website www.leefbaar-breda.nl;

bepaalt dat gedaagden ieder een dwangsom verbeuren van [ƒ] 1.000,-- per gedaagde per dag of gedeelte van een dag dat een van hen in gebreke blijft aan een van voormelde veroordelingen te voldoen, met bepaling dat per gedaagde aan dwangsommen maximaal [ƒ] 25.000,-- kan worden verbeurd;

bepaalt dat een in dit vonnis genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de bodemrechter voorzover handhaving van verbeurte van die dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

veroordeelt gedaagde partij in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van de wederpartij gevallen tot op heden begroot op ƒ 2.144,23 waaronder begrepen een bedrag van [ƒ] 1.550,-- aan salaris;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

weigert de gevorderde voorzieningen;

veroordeelt eisende partij in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van de wederpartij gevallen tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J.E. Poerink, fungerend president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van vrijdag 21 december 2001, in tegenwoordigheid van mr. D.G.E.C.Th. Schütz, waarnemend griffier.