Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AD7462

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-11-2001
Datum publicatie
20-12-2001
Zaaknummer
01 / 1686 WET VV 01 / 1765 WET VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01 / 1686 WET VV President van de Arrondissementsrechtbank te Breda

01 / 1765 WET VV

Uitgesproken d.d.:

8 november 2001

UITSPRAAK

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen:

1. Caravan-Chaletpark De Haspel B.V., te Hoeven, gemeente Halderberge, verzoekster,

mr. H.J. Kastein te Arnhem, gemachtigde,

2. M.L.J.M. Buijs, wonende te Hoeven, gemeente Halderberge, verzoeker,

mr. J. de Roo te Roosendaal, gemachtigde

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, verweerder.

1. Procesverloop:

Bij besluit van 8 augustus 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder aan Caravan-Chaletpark de Haspel B.V. (hierna: de Haspel) vergunning verleend als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) ten behoeve van de locatie aan de Haspelstraat 9 te Hoeven.

Tegen het bestreden besluit heeft de Haspel bij brief van 13 september 2001 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij brief van 12 oktober 2001 heeft de Haspel de president van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Nadat M.L.J.M. Buijs bij brief van 23 oktober 2001 aan de president heeft verzocht, op grond van artikel 8:26 van de Awb, als partij in het geding tussen de Haspel en verweerder te worden toegelaten, is hem bij brief van 24 oktober 2001 meegedeeld dat hiermee wordt ingestemd.

M.L.J.M. Buijs heeft bij brief van 19 september 2001 tegen het bestreden besluit een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij brief van 26 oktober 2001 heeft M.L.J.M. Buijs de president van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Beide verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 2 november 2001.

Namens de Haspel waren W.C.M. Buijs en zijn echtgenote daarbij aanwezig, bijgestaan door gemachtigde mr. H.J. Kastein. M.L.J.M. Buijs was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J. de Roo.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R.C.M. de Beer en W. van Haperen

2. Beoordeling:

2.1 Bij brief van 12 december 2000 heeft de Haspel bij verweerder een aanvraag tot verlening van vergunning voor een kampeerterrein aan de Haspelstraat te Hoeven ingediend, onder vermelding van nadere kadastrale gegevens, alsmede van hetgeen de Haspel daar wil (doen) plaatsen. De Haspel heeft onder andere verzocht om 38 zogenoemde chaletcaravans te mogen plaatsen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van de Wor aan de Haspel vergunning verleend voor de locatie aan de Haspelstraat 9 te Hoeven voor een aantal personen en met name genoemde kampeermiddelen. Terzake van voornoemde 38 chaletcaravans heeft verweerder gesteld dat dit bouwwerken in de zin van het Bouwbesluit en het bestemmingsplan zijn en dat deze derhalve niet onder de werking van de Wor vallen.

Ter zitting is overigens gebleken dat er reeds 11 chaletcaravans zijn verkocht, waarvan er al 8 zijn geplaatst.

2.2 Tegen het bestreden besluit heeft de Haspel bij verweerder bezwaar aangetekend.

De Haspel heeft in het verzoek om voorlopige voorziening gesteld dat ingevolge het bepaalde in artikel 1, derde lid, van de Wor voor het plaatsen van de chaletcaravans geen bouwvergunning is vereist. Gewezen wordt op de parlementaire geschiedenis. Voorts stelt de Haspel dat het onderscheid tussen een tour- en stacaravan moeilijk is te maken. Voor de uitleg van het begrip caravan verwijst de Haspel naar een uitspraak van deze rechtbank van 29 februari 1996 met nummer 96/220. Volgens de Haspel worden de chaletcaravans ten onrechte als zomerhuizen aangemerkt, omdat verweerder vreest dat ze permanent zullen worden bewoond.

Voorts wordt gesteld dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, omdat verweerder reeds rechtsoordelen heeft gegeven, die inmiddels formele rechtskracht hebben, en waaruit blijkt dat voor het plaatsen van de chaletcaravans geen bouwvergunning is vereist. Verwezen wordt naar een brief van verweerder aan de Haspel van 12 mei 1999 en een brief aan M.L.J.M. Buijs van 8 november 2000. Gesteld wordt dat er sprake is van onevenredig nadeel, nu de Haspel op basis van voornoemde brief van 12 mei 1999 reeds vele zaken, waaronder infrastructurele werken, heeft voorbereid om tot plaatsing van de chaletcaravans te kunnen overgaan.

Verzocht is een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op weigering van het plaatsen van voornoemde chaletcaravans. Verzocht wordt een voorziening te treffen, implicerende dat de Haspel wordt behandeld als ware zij ook in het bezit van een vergunning ingevolge de Wor voor de chaletcaravans. Voorts wordt verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

2.3 Tegen het bestreden besluit heeft ook M.L.J.M. Buijs bij verweerder bezwaar aangetekend.

M.L.J.M. Buijs heeft in het verzoek om voorlopige voorziening gesteld dat hij voortdurende hinder ondervindt van de chaletcaravans, omdat deze in de directe nabijheid van zijn woning zijn, cq. worden geplaatst. Door het stellen van voorwaarden aan de vergunning in het kader van de Wor is dit niet in voldoende mate te beperken.

Met verweerder is M.L.J.M. Buijs van oordeel dat de chaletcaravans bouwvergunningplichtige bouwwerken zijn. Voorts wordt er melding van gemaakt dat er reeds een aantal chaletcaravans illegaal geplaatst is en dat deze permanent bewoond worden.

Verzocht is een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op het zuidelijk terrein van het kampeerterrein van verzoekster, dat grenst aan de woning van M.L.J.M. Buijs. Voorts wordt verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.

2.4 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de president van de rechtbank, die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Nu plaatsing van de eerstvolgende chaletcaravans is gepland op 12 november 2001, is de president van oordeel dat er voldoende spoedeisend belang is aan de zijde van de Haspel.

De president stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt.

Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging in die zin, dat in casu moet worden bezien of, en zo ja in hoeverre, uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voorzover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.5 In geschil is de aan de Haspel verleende vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wor.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1, onder c, van de Wor wordt onder kampeermiddel verstaan een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

In artikel 8, eerste lid, van de Wor is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wor, kan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, slechts worden verleend indien:

a. is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens de Wor en

b. de aanvraag betrekking heeft op een terrein dat bij bestemmingsplan uitsluitend of mede als kampeerterrein is aangewezen.

In artikel 11, eerste lid, van de Wor is bepaald:

Burgemeester en wethouders verbinden aan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, of aan een vrijstelling of een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, voorschriften over de soort en het aantal van de op het kampeerterrein toe te laten kampeermiddelen. Burgemeester en wethouders kunnen deze voorschriften wijzigen of intrekken.

2.6 Ter zitting is van de zijde van verweerder vermeld dat de vergunning ziet op het houden van een kampeerterrein aan de Haspelstraat 9 te Hoeven. Verweerder heeft daarbij beoogd ingevolge het bepaalde in artikel 8, eerste lid, jo artikel 10, eerste lid, van de Wor vergunning te verlenen voor een aantal percelen, die overeenkomen met de kadastrale nummers die in de aanvraag zijn vermeld. De president is in het kader van de beoordeling van het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening niet gebleken, hetgeen overigens ook niet tussen partijen in geding is, dat het bestreden besluit in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van de Wor.

Voornoemd kampeerterrein omvat een aantal aaneengesloten kadastrale nummers, die worden aangeduid als noordelijk gebied en een aantal aaneengesloten kadastrale nummers, die worden aangeduid als zuidelijk gebied. Verweerder heeft beoogd ingevolge het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de Wor aan de vergunning voorschriften te verbinden met betrekking tot de op het kampeerterrein toe te laten kampeermiddelen naar soort en aantal. Voornoemde chaletcaravans zijn daarin niet opgenomen, omdat deze volgens verweerder niet zijn aan te merken als kampeermiddelen in de zin van artikel 1, onder c, van de Wor, maar als zomerhuizen.

In de bezwaarfase kan verweerder nader aandacht besteden aan een nauwkeuriger aanduiding van het kampeerterrein en aan het van toepassing zijnde wettelijk kader.

2.7 Met betrekking tot het verzoek van de Haspel dient de vraag te worden beantwoord of verweerder kon aannemen dat de chaletcaravans niet zijn aan te merken als caravans, en dus ook niet als kampeermiddelen, in de zin van artikel 1, onder c, van de Wor.

De Wor kent geen nadere omschrijving van het begrip caravan. Verweerder heeft gesteld dat aan de hand van de geldende jurisprudentie dient te worden bezien hoe de chaletcaravans behoren te worden geduid. Daarbij heeft verweerder, voor de beantwoording van de vraag of de chaletcaravans caravans in de zin van de Wor zijn, als criteria aangehouden de wijze waarop de chaletcaravans op het terrein zijn geïnstalleerd en het aanzien van de chaletcaravans op het terrein. Verweerder heeft in dat verband verwezen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 1994 (registratienummers R03.93.5862/P90 en S03.93.4772) en 17 mei 1999 (registratienummer: H03.98.1768). De president van oordeel dat door verweerder een juiste invulling aan het begrip caravan is gegeven.

Gelet op de ter zitting overgelegde productinformatie, foto's en door de Haspel gegeven toelichting acht de president het niet onredelijk dat verweerder de chaletcaravans niet als caravans, en derhalve ook niet als kampeermiddelen, in de zin van de Wor, maar als zomerhuizen heeft aangemerkt. Daar doet niet aan af dat de chaletcaravans op wielen staan en dat ze in circa 6 à 7 uren opgebouwd en - in datzelfde tijdsbestek ook weer - afgebroken kunnen worden. De president acht doorslaggevend de vorm, omvang, aantal m2, functionaliteit en inrichting van de chaletcaravans. Voorts is de president vooralsnog met verweerder van oordeel dat de chaletcaravans in beginsel niet geschikt zijn om op eenvoudige wijze vervoerd te worden.

De president acht het niet waarschijnlijk dat het bestreden besluit, onder verbetering van de motivering, in bezwaar en beroep geen stand zal kunnen houden. Evenmin is de president vooralsnog van oordeel dat de Haspel op basis van het vertrouwensbeginsel over zou moeten kunnen gaan tot spoedige plaatsing van de chalets. In de bezwaarfase kan verweerder nader aandacht besteden aan het beroep dat is gedaan op het vertrouwensbeginsel.

Gelet op het hiervoor weergegeven oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit komt het verzoek van de Haspel om schorsing van het bestreden besluit niet voor inwilliging in aanmerking.

2.8 Met betrekking tot het verzoek van M.L.J.M. Buijs stelt de president vast dat ter zitting is gebleken dat dit ziet op de chaletcaravans op het zuidelijk gedeelte. De grieven van verzoeker zijn met name gericht tegen de illegale plaatsing van een aantal chaletcaravans en de overlast tengevolge van de aanwezigheid van deze chaletcaravans. Nu het bestreden besluit impliceert dat de Wor vergunning zich niet uitstrekt tot de chaletcaravans op het zuidelijk gedeelte, ziet de president niet in welk (spoedeisend) belang M.L.J.M. Buijs heeft bij schorsing van, of een andere voorlopige voorziening ten aanzien van, het bestreden besluit. De president stelt vast dat

M.L.J.M. Buijs ook ter zitting niet heeft kunnen aangeven welk (spoedeisend) belang hij heeft bij schorsing van het bestreden besluit.

Als het verzoek van M.L.J.M. Buijs al gericht zou zijn tegen de aanwijzing van het terrein aan de Haspelstraat 9 als kampeerterrein, dan zou dit evenmin kans van slagen hebben omdat gesteld, noch gebleken is dat die aanwijzing strijdig is met het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van de Wor. Voorts is op geen enkele wijze gesteld noch gebleken dat die aanwijzing onevenredige hinder van kampeermiddelen oplevert.

In aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat onvoldoende grondslag voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek van

M.L.J.M. Buijs zal worden afgewezen.

3. Beslissing:

De president:

wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Woerdeman, in tegenwoordigheid van mr. Willemse als griffier, op 8 november 2001.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden d.d.: 12 november 2001

MB