Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AD6716

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
05-12-2001
Datum publicatie
05-12-2001
Zaaknummer
102406/KG ZA 01-672
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

102406/KG ZA 01-672

PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

5 december 2001

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiser],

verblijvende in het Huis van Bewaring te Vught,

e i s e r bij dagvaarding van 9 november 2001,

procureur: mr. F.J. Koningsveld,

advocaat : mr. J.C. Gillesse te 's-Hertogenbosch,

t e g e n :

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie,

meer speciaal het Openbaar Ministerie te Breda),

zetelende te 's-Gravenhage,

g e d a a g d e ,

procureur: mr. M.C. de Regt,

advocaat: mr. A.Th. M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding;

- de pleitnota van mr. Gillesse en de door eiser in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. ten Broeke en de door gedaagde in het geding gebrachte producties.

Partijen hebben voorts ter zitting hun stellingen mondeling nader toegelicht.

2. Het geschil.

Eiser, hierna te noemen [eiser], vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:

primair:

gedaagde, hierna te noemen de Staat, te bevelen [eiser] onmiddellijk in vrijheid te stellen;

de Staat te bevelen als voorschot op de schadevergoeding wegens onrechtmatige hechtenis aan [eiser] te betalen ƒ 100,-- vanaf 23 mei 2001;

subsidiair:

de Staat te bevelen binnen acht dagen na betekening van dit vonnis [eiser] te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis;

primair en subsidiair: de Staat te veroordelen in de kosten van dit geding.

De Staat heeft de vorderingen bestreden.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- [eiser] is op of omstreeks 2 januari 2001 gearresteerd en in verzekering gesteld terzake een aantal strafbare feiten.

- Op verzoek van de Officier van Justitie heeft de heer A.D. Haverkamp, gerechtspsychiater, bij brief van 11 april 2001, aan de Officier van Justitie medegedeeld dat plaatsing van [eiser] op de forensisch psychiatrische afdeling, hierna te noemen FPA afdeling, van het ziekenhuis GGZ Westelijk Noord Brabant te Halsteren (Vrederust), hierna te noemen GGZWNB, met een termijn van een week of drie mogelijk moet zijn.

- Bij uitspraak van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 19 april 2001 is [eiser] ten aanzien van de hem te laste gelegde feiten ontslagen van alle rechtsvervolging, doch op grond van art. 37 Sr. een maatregel opgelegd van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van 1 jaar.

- Voornoemde uitspraak is op 2 mei 2001 onherroepelijk geworden.

- Op 2 augustus 2001 heeft [eiser] een zogenaamd intake-gesprek gehad bij de GGZWBN.

- Enkele weken na voornoemd intake-gesprek heeft GGZWNB aan [eiser] in verband met dienst toekomstige opname een brief gezonden waarin een aantal voorwaarden waren opgenomen waarmee [eiser] zich akkoord diende te verklaren, waaronder de voorwaarde dat [eiser], indien de behandelend psychiater medicatie adviseert, zich aan het advies houdt.

- [eiser] heeft zich niet akkoord verklaard met laatstgenoemde voorwaarde.

- [eiser] zit nog steeds in afwachting van plaatsing in het huis van bewaring in Vught.

- [eiser] staat thans op de eerste plaats op een wachtlijst voor plaatsing in de forensisch psychiatrische afdeling van het ziekenhuis GGZ Westelijk Noord Brabant te Halsteren.

- [eiser] is onlangs eveneens aangemeld voor plaatsing in de forensisch psychiatrische kliniek van het psychiatrisch GGZ-ziekenhuis "De Grote Beek" te Eindhoven en staat daar eveneens op de wachtlijst.

3.2

[eiser] stelt dat hij op 2 november 2001 al een half jaar heeft gewacht op opname in een psychiatrisch ziekenhuis en dat een dergelijk lange wachttijd onrechtmatig jegens hem is, meer speciaal omdat hem ten onrechte als voorwaarde voor opname is gesteld dat hij zich akkoord dient te verklaren met het toedienen van medicatie.

3.3

De Staat voert als verweer dat GGZWNB achteraf heeft ingezien dat zij ten onrechte de voorwaarde heeft gesteld dat [eiser] zich bereid dient te verklaren een advies tot medicatie op te volgen. GGZWNB zou met die voorwaarden hebben gepoogd ideale voorwaarden te creëren voor een optimale behandeling. De Staat erkent dat een en ander stagnatie tot gevolg heeft gehad, maar stelt dat thans in de verwachting ligt dat [eiser] binnen een termijn van enkele weken eventueel oplopend tot een termijn van zes weken geplaatst zal kunnen worden in GGZWBN of in "De Grote Beek" te Eindhoven, zonder dat [eiser] zich op voorhand akkoord dient te verklaren met het toedienen van medicatie.

3.4

Ter beoordeling staat of het voortgezet verblijf van [eiser] in een huis van bewaring, in diens positie mogelijk op grond van artikel 9 tweede lid aanhef en sub h Penitentiare Beginselenwet, door het uitblijven van behandeling op zeker moment onrechtmatig moet worden geacht.

3.5

Volgens [eiser] is een periode van zeven maanden, gerekend vanaf 2 mei 2001, onevenredig lang, gelet op de veroordeling om voor de duur van een jaar te worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. [eiser] stelt dat de in hechtenis doorgebrachte tijd van dat jaar moet worden afgetrokken, zodat hem slechts een behandeling van vijf maanden resteert.

3.6

De Staat stelt dat aansluiting moet worden gezocht bij artikel 12 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, in welk artikel in lid 1 is bepaald dat de plaatsing van een ter beschikking gestelde geschiedt voordat de termijn van terbeschikkingstelling zes maanden heeft gelopen, terwijl lid 2 van genoemd artikel de mogelijkheid biedt aan onze minister om, indien plaatsing niet binnen de gestelde termijn mogelijk is, deze termijn telkens met drie maanden te verlengen.

3.7

Vooropgesteld wordt dat de wetboeken van Sr. en Sv. geen bepalingen bevatten omtrent de tenuitvoerlegging van de in art. 37 Sr. bedoelde maatregel. De president is voorshands van oordeel dat in geval van opname op grond van art. 37 Sr., analoog aan artikel 12 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, in beginsel een termijn van zes maanden als rechtmatig moet worden aangemerkt. Of een overschrijding van die termijn een voortgezet verblijf in het huis van bewaring onrechtmatig doet zijn, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval staat vast dat [eiser] bij twee zorginstellingen (als eerste) op de wachtlijst is geplaatst en mag er, vanuit worden gegaan dat [eiser] op korte termijn zal worden geplaatst in ofwel de GGZWBN dan wel "De Grote Beek". Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat voortzetting van de in beginsel rechtmatige detentie die [eiser] in afwachting van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ondergaat, op dit moment onrechtmatig moet worden geacht, aangezien de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat een beslissing omtrent plaatsing op korte termijn is te verwachten.

3.8

De wet biedt geen grondslag voor toewijzing van een vordering die ertoe strekt de Staat te veroordelen om [eiser] binnen een bepaalde termijn te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis. Het wettelijk systeem gaat er vanuit dat opname krachtens een rechterlijke uitspraak wordt gerealiseerd in particuliere zorginstellingen. Gebleken is dat bedoelde zorginstellingen verzoeken om opname niet altijd honoreren en dat in geval van honorering de opname zelf nog geruime tijd kan uitblijven vanwege een volledige bezetting van de capaciteit welke noodzaakt tot het aanleggen van wachtlijsten.

De Staat heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich binnen de grenzen van het mogelijke heeft ingespannen teneinde de bevolen plaatsing te (doen) bewerkstelligen.

3.9

Een en ander laat onverlet dat voortzetting van de huidige toestand waarin [eiser] zich bevindt, niet onbeperkt kan voortduren. Aan het verblijf van [eiser] in het huis van Bewaring dient dan ook op een gegeven moment een einde te komen aangezien dan met een voortgezet verblijf als passant in het huis van bewaring geen redelijk doel meer wordt gediend. De president is van oordeel dat in het onderhavige geval een termijn van 9 maanden als het maximum heeft te gelden en dat daarna voornoemde situatie zich voordoet. Indien dan ook onverhoopt binnen twee maanden na de dagtekening van dit vonnis geen plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis zal hebben plaatsgevonden, dient in dat geval invrijheidstelling te volgen. De vordering tot in vrijheidstelling zal dan ook worden toegewezen met ingang van 2 februari 2002, voor het geval de Staat er niet in zou zijn geslaagd vóór die datum de bevolen plaatsing te bewerkstelligen.

3.10

De vordering tot betaling van een voorschot op immateriële schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking. Ofschoon vast staat dat een huis van bewaring minder op de psychische situatie van [eiser] toegeruste faciliteiten heeft dan een psychiatrisch ziekenhuis, is voorshands onvoldoende aannemelijk dat [eiser] daarvan een zodanige last of lijden ondervindt dat het redelijk voorkomt om hem een voorschot op vergoeding terzake van immateriële schade toe te kennen. In dit verband wordt verwezen naar de brief van de reclassering van 19 november 2001 met de mededeling dat [eiser] op een positieve manier bezig is om zijn zaken te regelen, hierbij zeer gemotiveerd overkomt en zijn afspraken nakomt.

4. De kosten.

In de aanleiding tot het kort geding en aangezien partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, worden de kosten van het geding gecompenseerd als na te melden.

5. De beslissing in kort geding.

De president

beveelt gedaagde om eiser op 2 februari 2002, indien eiser alsdan niet in een psychiatrisch ziekenhuis zal zijn geplaatst, onmiddellijk in vrijheid te stellen;

compenseert de kosten van het geding aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Kooijman, fungerend president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van woensdag 5 december 2001, in tegenwoordigheid van mr. D.G.E.C.Th. Schütz, waarnemend griffier.