Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AD3477

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
31-07-2001
Datum publicatie
11-09-2001
Zaaknummer
01/118 WSFBSF K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij beoordeling meerinkomen (art. 26 WSF) hoeft geen rekening te worden gehouden met forfaitaire arbeidsongeschiktheidsaftrek. Opgelegde boete niet in strijd met evenredigheidsbeginsel.

Naar aanleiding van de uitspraken van het College van beroep studiefinanciering van 15 december 2000 heeft verweerster haar uitvoeringsbeleid bijgesteld en zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de per 1 september 2000 in werking getreden Wet studiefinanciering 2000.

Verweerster heeft uiteindelijk bij het thans in geding zijnde besluit van 30 mei 2001 de vordering op eiser wegens meerinkomen in 1996 vastgesteld op f. 1.017,93, zijnde f. 87,53 aan meerinkomen en f. 930,40 boete.

Eiser stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een meerinkomen omdat verweerster in zijn geval geen rekening heeft gehouden met de forfaitaire arbeidsongeschiktheidsaftrek in 1996 ten bedrage van f. 899,-. De rechtbank ziet geen grond om over de toepassing van art. 26 van de WSF anders te oordelen dan neergelegd in voornoemde uitspraken van het College. Daarom oordeelt zij in de lijn van de rechtspraak rond die bepaling dat verweerster terecht en op goede gronden de door eiser genoemde kosten niet heeft aangemerkt als verwervingskosten die in mindering gebracht kunnen worden bij de berekening van het toetsingsinkomen. De rechtbank concludeert dan ook dat verweersters vaststelling van het meerinkomen in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en de uitleg daarvan.

Over de hoogte van de uiteindelijk, onder toepassing van art. 26.6 aanhef en onder b, WSF vastgestelde boete overweegt de rechtbank dat het punitieve karakter van de sanctie van onderdeel b van art. 26.6 WSF meebrengt dat de rechtbank ingevolge art. 6 EVRM dient te beoordelen of de opgelegde sanctie niet onevenredig is aan de gedraging die heeft geleid tot het opleggen van de sanctie. Het College van beroep studiefinanciering acht een boete van 100% van het vastgestelde meerinkomen in de regel niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De in casu aan eiser opgelegde boete van f. 930,40 is in beginsel strijdig met het evenredigheidsbeginsel. Verweerster heeft naar aanleiding van de uitspraken van het Cvbs over dit onderdeel aansluiting gezocht bij de nieuwe regeling van artikel 3.17, zevende lid, aanhef en onder b van de Wsf 2000. Volgens die bepaling, die formeel voor de onderhavige zaak niet van toepassing is, is de studerende in geval van meerinkomen aan de IB-Groep verschuldigd (naast het meerinkomen): voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de OV-kaart de feitelijke waarde van de OV-kaart, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover toetsingsinkomen is berekend.

Verweerster heeft de aan eiser opgelegde boete berekend over de maanden januari tot en met oktober 1996 waarover eiser een reisvoorziening heeft genoten in de vorm van een OV-studentenkaart.

Deze aanpak doet de rechtbank concluderen dat de uiteindelijk opgelegde boete niet in strijd is te achten met het evenredigheidsbeginsel nu immers voor eiser voorzienbaar was dat zijn uitkering in 1996 boven het voor hem geldende toetsingsinkomen uit zou komen en hij in de gelegenheid was zijn studiefinancieringstijdvak in te korten om de maatregel van art. 26 WSF te voorkomen.

Beroep ongegrond.

De Hoofddirectie Informatie Beheer Groep, verweerster.

mr. W.M. Callemeijn

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 01/118 WSFBSF K1

Inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gevestigd te Groningen, verweerster.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 20 november 2000,

kenmerk: BER0374.00/BBJ/ALG3 7387-73041-0-06.

Datum van behandeling ter zitting: 28 juni 2001

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 20 november 2000 heeft verweerster eisers bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2000 inzake de toepassing van de Wet op de studiefinanciering (WSF) ongegrond verklaard. Tegen dat besluit op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld bij het College van beroep studiefinanciering (verder: het College). De behandeling van het beroep is in verband met de opheffing van het College overgenomen door deze rechtbank.

De door verweerster ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Nadat eiser beroep heeft ingesteld heeft verweerster tweemaal een nieuw besluit op bezwaar genomen d.d. 5 maart 2001 en d.d. 30 mei 2001. Nu hiermee niet geheel aan het beroep van eiser tegemoet komen wordt eisers beroep op basis van artikel 6:19 Awb geacht mede te zijn gericht tegen deze besluiten.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 28 juni 2001, waar eiser in persoon is verschenen vergezeld van zijn vader. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mw.mr. T. Holtrop en mr. G.J.M. Naber.

II. OVERWEGINGEN.

Bij besluit van 9 oktober 2000 heeft verweerster een vordering op eiser wegens teveel aan bijverdiensten vastgesteld. Het meerinkomen wordt door verweersters berekening van deze vordering gesteld op de in 1996 door eiser ontvangen beurs ten bedrage van f. 500,-. De aan eiser opgelegde boete bedraagt f. 3.600,- en de door eiser aan verweerster te betalen rente f. 645,57.

In het tegen dit besluit gerichte bezwaarschrift heeft eiser aangevoerd dat hij het gestelde meerinkomen erkent maar dat hij de opgelegde boete buiten alle proporties vindt die in geen enkele verhouding staat tot zijn financiële positie.

In het besluit op bezwaar van 20 november 2000 heeft verweerster eisers bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep herhaalt eiser de in bezwaar aangevoerde grond dat de opgelegde boete in geen enkele verhouding staat tot het ontvangen meerinkomen.

Naar aanleiding van uitspraken van het College van 15 december 2000 heeft verweerster op 5 maart 2001 een nieuw besluit genomen waarbij de hoogte van de vordering is verlaagd naar f. 1.430,-. Bij besluit van 30 mei 2001 heeft verweerder de besluiten van 20 november 2000 en 5 maart 2001 ingetrokken en is de vordering vastgesteld op f. 87,53 meerinkomen en f. 930,40 boete.

In aanvulling op de beroepsgronden heeft eiser aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met de verminderde boete nu deze is gekoppeld aan het feitelijk bezit van een OV-jaarkaart. Hij kan echter als lichamelijk gehandicapte geen gebruik maken van deze kaart maar heeft deze slechts in zijn bezit omdat het GAK deze in verband met een aan eiser verstrekte vervoersvoorziening telkens ter inzage vraagt. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de forfaitaire arbeidsongeschiktheidsaftrek in 1996 ten bedrage van f. 899,-.

Verweerster is van oordeel dat het al dan niet kunnen gebruiken van de OV-kaart geen criterium is voor het opleggen van de boete maar dat het gaat om het feitelijk bezit daarvan. Voorts stelt verweerster zich op het standpunt dat het bij de door eiser genoemde forfaitaire arbeidsongeschiktheidsaftrek niet gaat om verwervingskosten die derhalve niet in mindering kunnen worden gebracht op het toetsingsinkomen.

Zoals uit het vorenstaande blijkt heeft verweerster haar eerdere standpunt herzien en een tweetal nieuwe besluiten genomen. Hierbij heeft verweerster eisers bezwaren voor zover het de hoogte van de opgelegde boete en de in rekening gebrachte rente, alsnog gegrond verklaard. Aangezien eiser geen belang meer heeft bij zijn beroep tegen verweersters besluiten van 20 november 2000 en 5 maart 2001 zal de rechtbank eisers beroep ten aanzien van deze twee besluiten niet-ontvankelijk verklaren. Nu het nieuwe besluit van 30 mei 2001 niet geheel tegemoet komt aan hetgeen eiser in beroep heeft gevorderd, wordt het onderhavige beroep met toepassing van artikel 6:19, eerste lid van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 mei 2001.

De rechtbank heeft ziet zich dan gesteld voor de beantwoording van de vraag of verweersters nadere besluit van 30 mei 2001 in overeenstemming is met geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen. Daartoe wordt overwogen als volgt.

Naar aanleiding van de eerder genoemde uitspraken van het College van 15 december 2000 heeft verweerster haar uitvoeringsbeleid bijgesteld en zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de per 1 september 2000 in werking getreden Wet studiefinanciering 2000. Verweerster heeft uiteindelijk bij het thans in geding zijnde besluit van 30 mei 2001 de vordering op eiser wegens meerinkomen in 1996 vastgesteld op f. 1.017,93, zijnde f. 87,53 aan meerinkomen en f. 930,40 boete. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een meerinkomen omdat verweerster in zijn geval geen rekening heeft gehouden met de forfaitaire arbeidsongeschiktheidsaftrek in 1996 ten bedrage van f. 899,-. De rechtbank ziet geen grond om over de toepassing van artikel 26 van de WSF anders te oordelen dan neergelegd in voornoemde uitspraken van het College. Daarom oordeelt zij in de lijn van de rechtspraak rond die bepaling dat verweerster terecht en op goede gronden de door eiser genoemde kosten niet heeft aangemerkt als verwervingskosten die in mindering gebracht kunnen worden bij de berekening van het toetsingsinkomen. De rechtbank concludeert dan ook dat verweersters vaststelling van het meerinkomen in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en de uitleg daarvan.

Over de hoogte van de uiteindelijk, onder toepassing van artikel 26, zesde lid, aanhef en onder b, van de WSF vastgestelde boete overweegt de rechtbank het volgende.

Het punitieve karakter van de sanctie van onderdeel b van artikel 26, zesde lid WSF brengt mee dat de rechtbank ingevolge artikel 6 EVRM dient te beoordelen of de opgelegde sanctie niet onevenredig is aan de gedraging die heeft geleid tot het opleggen van de sanctie. Het College heeft geoordeeld dat de sanctie in een redelijke verhouding moet staan tot het vastgestelde meerinkomen nu de ernst van de normoverschrijding wordt bepaald door de omvang van het meerinkomen. Hierbij moet acht worden geslagen op de ernst en de verwijtbaarheid van de normoverschrijding. Het College acht een boete van 100% van het vastgestelde meerinkomen in de regel niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De in casu aan eiser opgelegde boete van f. 930,40 is in beginsel strijdig met het evenredigheidsbeginsel.

Verweerster heeft naar aanleiding van de uitspraken van het College over dit onderdeel aansluiting gezocht bij de nieuwe regeling van artikel 3.17, zevende lid, aanhef en onder b van de Wsf 2000. Volgens die bepaling, die formeel voor de onderhavige zaak niet van toepassing is, is de studerende in geval van meerinkomen aan de IB-Groep verschuldigd (naast het meerinkomen): voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de OV-kaart de feitelijke waarde van de OV-kaart, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover toetsingsinkomen is berekend.

Verweerster heeft de aan eiser opgelegde boete berekend over de maanden januari tot en met oktober 1996 waarover eiser een reisvoorziening heeft genoten in de vorm van een OV-studentenkaart.

Deze aanpak, die leidt tot het in het besluit van 30 mei 2001 genoemde bedrag van f. 930,40 doet de rechtbank concluderen dat de uiteindelijk opgelegde boete niet in strijd is te achten met de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel nu immers voor eiser voorzienbaar was dat zijn uitkering in 1996 boven het voor hem geldende toetsingsinkomen uit zou komen en hij in de gelegenheid was zijn studiefinancieringstijdvak in te korten om de maatregel van artikel 26 van de WSF te voorkomen.

Daarbij merkt de rechtbank nog op dat verweerster de aanvankelijk opgelegde boete bij het besluit van 30 mei 2001 heeft verlaagd naar de voor de OV-kaart over de maanden januari tot en met oktober 1996 geldende kostprijs van f. 93,04. Daarbij heeft eiser ter terechtzitting aangegeven dat er ondanks de opgelegde boete een voordeel resteert nu hij deze heeft aangewend ter verkrijging van een vervoersvoorziening van het GAK.

In onderling verband en samenhang beschouwd acht de rechtbank in dit geval de door verweerster aan eiser opgelegde boete niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 131 van de WSF, op grond waarvan verweerster bevoegdheid heeft in gevallen van onbillijkheid van overwegende aard af te wijken van de in de WSF neergelegde voorschriften, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding.

De conclusie bij de beoordeling van verweersters vordering van 30 mei 2001 is dan ook dat deze de rechterlijke toets kan doorstaan en dat het beroep daartegen ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank beslist daarom als aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Breda;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep tegen de besluiten van 20 november 2000 en 5 maart 2001 niet ontvankelijk;

verklaart het beroep overigens ongegrond.

Aldus gedaan door mr. W.M. Callemeijn in tegenwoordigheid van C.M.E. Geraedts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2001.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

KG

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.