Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AB2914

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
24-07-2001
Datum publicatie
31-07-2001
Zaaknummer
98109/KG ZA 01-418
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98109/KG ZA 01-418 PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

24 juli 2001

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r bij dagvaarding van 4 juli 2001,

procureur: mr. N.Th. ter Haar Romeny,

advocaat : mr. G.C. Bos te Rijswijk,

t e g e n :

het kerkelijk lichaam als bedoeld in artikel 2:2 van het Burgerlijk Wetboek, HET BISDOM VAN BREDA,

gevestigd te Breda,

g e d a a g d e ,

procureur: mr. I.E.M. Sutorius.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding;

- de pleitnota van mr. Bos en de door eiser, hierna te noemen [eiser], in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. Sutorius en de door gedaagde, hierna te noemen het Bisdom, in het geding gebrachte producties.

Partijen hebben voorts ter zitting hun stellingen mondeling nader toegelicht.

2. Het geschil.

[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, en op alle dagen en uren, voor zover mogelijk:

1. het namens het Bisdom door rector drs. Van Hees genomen besluit, neergelegd in de brief van genoemde Van Hees van 23 december 2000 te vernietigen, althans dit besluit nietig te verklaren;

2. het Bisdom, ten deze vertegenwoordigd door genoemde Van Hees, te veroordelen om binnen twee dagen na (betekening van) het in deze te wijzen vonnis in kort geding aan seminarie Bovendonk te Hoeven (in de persoon van de rector van Bovendonk) mede te delen dat het Bisdom Breda wederom als participant van [eiser] zal optreden, met veroordeling van het Bisdom tot een dwangsom van ƒ 500,-- voor elke dag dat hij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.

Het Bisdom heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

[eiser] is in 1999 op zijn verzoek toegelaten tot de (deeltijd) Priesteropleiding Bovendonk (POB) te Hoeven. Zijn opleiding is in september 1999 gestart.

De toelating is geschied na voorafgaande goedkeuring van het Bisdom, dat zich bereid had verklaard als participant van [eiser] te fungeren, in de persoon van de bisschoppelijk gedelegeerde drs. Van Hees, alsmede van drs. Van Ham, rector van de POB.

De Opleidings- en Vormingsgids van de POB vermeldt hieromtrent: “Zowel de staf van Bovendonk, de student, als de opleidingsstaf van de participant dienen het ieder afzonderlijk en samen over aanname en voortgang van iedere individuele student eens te zijn. De relatie van Bovendonk tot de participerende bisdommen, congregaties en ordes (“participant”) is er een van gedeelde verantwoordelijkheid. Van de ene kant is de bisschoppelijk gedelegeerde voor de priesteropleiding van het bisdom […..] de eindverantwoordelijke voor de geschiktheidverklaring voor het priesterschap […..]. Van de andere kant vertrouwen de participanten de opleiding van oudere studenten tot priester volledig toe aan de priesteropleiding Bovendonk”.

Bovendonk heeft over de procedure inzake voortgang, beoordeling en eindbeoordeling regels opgesteld, die wat betreft de voortgang luiden:

“Een participant kan te allen tijde beslissen niet verder te willen gaan met de student. Zij zal dit echter niet beslissen zonder de POB te hebben gehoord

Op 7 en 8 december 2000 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen [eiser] en Van Hees, respectievelijk [eiser] en Van Ham.

Na een voorafgaand gesprek tussen [eiser] en Van Hees op 14 december 2000 (omtrent de inhoud en strekking waarvan geen van partijen enige mededeling heeft gedaan) heeft Van Hees [eiser] bij brief van 23 december 2000 onder meer medegedeeld dat hij (in bovenvermelde functie) had besloten [eiser] niet meer te beschouwen als priesterstudent van het bisdom Breda en hij geen grond voor bemiddeling aanwezig achtte.

De consequentie van dit besluit is dat [eiser] geen participant meer heeft en daardoor niet meer verder kan studeren aan de POB.

[eiser] heeft vanaf 23 december 2000 tot dit kort geding geen formele stappen ondernomen om tegen het besluit van 23 december 2000 op te komen.

3.2

[eiser] beklaagt zich er over, dat het Bisdom, vertegenwoordigd door Van Hees, wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad jegens hem heeft gepleegd. Hij voert in dit verband aan, dat Van Hees het besluit niet conform de toepasselijke procedure heeft genomen, nu hij de POB niet heeft gehoord naar aanleiding van zijn voorgenomen besluit. Bovendien zou het besluit volkomen ongemotiveerd tot stand zijn gekomen.

3.3

Voor alle weren heeft het Bisdom zich beroepen op de onbevoegdheid van de burgerlijke rechter om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

Ter onderbouwing van dit verweer voert het Bisdom aan, dat het door [eiser] aanhangig gemaakte geschil en zijn vorderingen uitsluitend een kerkrechtelijke kwestie betreffen, die beheerst worden door het Wetboek van Canoniek Recht en de regelgeving zoals neergelegd in het Reglement voor het Rooms- Katholiek Kerkgenootschap.

3.4

De onbevoegdheidexceptie wordt verworpen. De bevoegdheid wordt immers niet bepaald door het toepasselijke recht, maar door de aard van de vordering, die aan het rechterlijk oordeel wordt onderworpen. De vorderingen van [eiser] dragen een burgerrechtelijk karakter, zodat de bevoegdheid van de burgerlijke rechter rechtstreeks voortvloeit uit art. 2 RO.

3.5

Het Bisdom heeft voorts aangevoerd, dat het besluit is aan te merken als een bisschoppelijk decreet als bedoeld in canon 1734. [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de voor hem bestaande mogelijkheid om intern beroep tegen het besluit in te stellen. Ook ontbreekt volgens het Bisdom op grond van het tijdsverloop ieder spoedeisend belang bij [eiser]. Voorts zijn de vorderingen sub 1 en 2 niet als een ordemaatregel aan te merken en derhalve niet toewijsbaar.

Het Bisdom heeft uitdrukkelijk betwist dat er voorafgaand aan het besluit van 23 december 2000 geen overleg zou hebben plaatsgevonden tussen haar als participant en rector Van Ham van de POB.

3.6

[eiser] heeft ter zitting erkend, dat hij geen intern beroep heeft ingesteld.

Naar zijn mening kon dit ook niet omdat het Canoniek Recht slechts van toepassing is op de clerus.

De president verwerpt dit standpunt. Het Wetboek van Canoniek Recht en de regelingen als neergelegd in het Reglement voor het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap omvatten immers ook regels die betrekking hebben op personen die op een of andere manier binnen het kerkelijk verband te zijner tijd werkzaam willen zijn en in dat kader een vormings- en opleidingsroute doorlopen.

Boek VII, deel V van het Wetboek van Canoniek Recht kent een interne beroepsprocedure die met voldoende rechtswaarborgen is omkleed. [eiser] had derhalve gebruik kunnen maken van de interne beroepsprocedure. Nu hij dit niet heeft gedaan moet er van worden uitgegaan, dat het besluit zowel wat de wijze van totstandkomen als wat zijn inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen.

3.7

Nu de door [eiser] verzochte voorzieningen (vernietiging dan wel nietig verklaring van het besluit) zien op een beslissing ten gronde, en een dergelijke beslissing is voorbehouden aan de bodemrechter, komen de vorderingen niet in aanmerking voor een beoordeling in kort geding. Daar komt bij dat niet valt in te zien dat [eiser] spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, aangezien het onderhavige besluit dateert van december 2000 en [eiser] reeds vanaf die datum geen student meer is aan de POB.

4. De kosten

[eiser] dient als de in het ongelijk te stellen partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding

De president

weigert de gevraagde voorzieningen;

veroordeelt eiser [eiser] in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van de wederpartij gevallen tot op heden begroot op f 1.950,--, waaronder begrepen een bedrag van f 1.550,-- aan salaris;

verklaart dit vonnis ten aanzien van voormelde kostenveroordeling uitvoer-baar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.A.M. Verhagen-Coopmans, fungerend president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van dinsdag 24 juli 2001, in tegenwoordig-heid van mr. D.G.E.C.Th. Schütz, waarnemend griffier.