Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AB2579

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
11-07-2001
Zaaknummer
00/483
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beperking rijbewijs C/CE in verband met visus oog minder dan 0.5 ten onrechte. Personen voor 1 juli 1996 geschikt verklaard voor rijbewijs groep 2 ook nadien te beoordelen volgens de normen waarop zij zijn geschikt verklaard.

00 / 483 BESLU ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Veertiende kamer

Uitgesproken d.d.:

2662001

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], geboren 15 juli 1961, wonende te [woonplaats], eiser,

mr. A.R. van Tilborg, te Leusden, gemachtigde,

en

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, te Rijswijk, verweerder.

1. Procesverloop:

Bij besluit van 23 november 1999 heeft verweerster voor zover hier van belang eiser geschikt verklaard voor de rijbewijscategorieën C/CE met de (maximale) geografische beperking dat het rijbewijs van eiser voor deze categorieën slechts geldig is binnen Nederland.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 17 december 1999 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 15 februari 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerster de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 20 maart 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 mei 2000.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde

mr. A.R. van Tilborg, die de zaak onder overlegging van een pleitnotitie met producties bepleitte.

Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.H. Krajenbrink, gemachtigde.

2. Beoordeling:

Uit de stukken komt naar voren dat eiser vanaf zijn geboorte een amblyoop rechteroog heeft, hetgeen betekent dat dit oog geen normale gezichtsscherpte kan bereiken, ook niet met optische hulpmiddelen. Tevens is eiser bekend met een insulineafhankelijke diabetes mellitus.

Eiser is van beroep internationaal vrachtwagenchauffeur en is in het verleden regelmatig gekeurd voor het verkrijgen van een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van voor zover hier van belang de categorieën C/CE (voor rijbewijzen van groep 2).

Voorafgaand aan de afgifte van een verklaring van geschiktheid in 1995 is eiser gekeurd door G.P. Verburg, internist en H.R. Vrijland, oogarts. De internist achtte eiser voor deze categorieën geschikt voor een periode drie jaar en de oogarts achtte eiser daartoe voor vijf jaar geschikt. Daarop is eiser een rijbewijs voor de categorieën C/CE verstrekt met een geldigheid van drie jaar.

In 1998 is eiser wederom gekeurd door vorengenoemde specialisten. De internist noch de oogarts zag bezwaar tegen de verlenging van het rijbewijs. Daarop is door verweerster aan eiser medegedeeld dat hij geschikt is bevonden voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A/B/C/BE/CE met voor de categorieën C/CE de beperkingen tot Nederland en met bril of contactlenzen. Op verzoek van eiser heeft vervolgens een herkeuring plaatsgevonden. Op 13 april 1999 is door oogarts

G. de Grip vastgesteld dat de visus van het rechteroog 4/60 bedroeg. De visus van het linkeroog van eiser is 0,8 en kan worden gecorrigeerd tot 1,0. Op basis van zijn bevindingen komt deze oogarts tot de conclusie dat hij eiser zou willen goedkeuren voor categorieën C/CE voor een termijn van tien jaar, zij het dat tussentijdse controles gewenst zijn met het oog op de diabetes mellitus.

Bij het primaire besluit van 23 november 1999 heeft verweerster eiser geschikt verklaard voor de rijbewijscategorieën C/CE met de (maximale) geografische beperking dat het rijbewijs van eiser voor deze categorieën slechts geldig is binnen Nederland. Verweerster heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij, gelet op de (Europese) regelgeving, strikt genomen niet bevoegd is om eiser geschikt te verklaren voor deze categorieën ook niet voor uitsluitend Nederland aangezien de visus van het rechteroog van eiser niet voldoet aan de norm. Het verstrekken van de verklaring van geschiktheid voor Nederland moet puur als coulance worden gezien, aldus verweerster. De adviezen van de keuringsartsen kunnen daarom niet gevolgd worden. Deze situatie is volgens verweerster wezenlijk anders dan voorheen omdat tot 1 juli 1996 de bevoegdheid tot het afgeven van de verklaring van geschiktheid aan de daartoe door de Minister aangewezen geneeskundigen was toegekend.

Eiser heeft aangevoerd dat hij laatstelijk in 1995 voor de categorieën C/CE ongeclausuleerd geschikt is bevonden en dat hij, gelet op het overgangsrecht van de Regeling eisen geschiktheid 1996, recht heeft op beoordeling van zijn geschiktheid volgens de oude normen, inclusief de "soepelheid" die in 1995 bij toepassing daarvan kennelijk werd gehanteerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

De EGRichtlijn 91/439 van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs stelt (de LidStaten) de eis dat iedere aanvrager van een rijbewijs of verlenging van een rijbewijs van groep 2 over een gezichtsscherpte van minstens 0,5 voor het minder goede oog dient te beschikken.

De Regeling eisen rijgeschiktheid 1995 stelde de norm voor het minder goede oog op 0,5.

De voor de beoordeling van deze zaak van belang zijnde Regeling eisen geschiktheid 1996 bepaalt dat de visus van het minder goede oog, eventueel gecorrigeerd, tenminste 0,5 dient te bedragen. In aansluiting hierop bepaalt deze Regeling voorts:

" Personen die vóór 1 juli 1996 geschikt zijn verklaard voor een rijbewijs van groep 2, mogen ook na die datum worden beoordeeld volgens de normen waarop zij geschikt zijn verklaard."

Vaststaat dat de visus van het minder goede rechteroog van eiser ook na correctie minder bedraagt dan 0,5. Daarmee is voor eiser van belang of toepassing van de hiervoor weergegeven overgangsbepaling soelaas kan bieden. Verweerster stelt dat dit niet het geval is omdat ook vóór 1 juli 1996 de norm reeds op 0,5 stond en eiser ook toen daar niet aan voldeed. De omstandigheid dat de aangewezen artsen oordeelden dat eiser niettemin aan de geldende eisen voldeed en een verklaring van geschiktheid hebben afgegeven, betekent naar de mening van verweerster niet dat zij, als het thans bevoegde orgaan, ook een geschiktheidsverklaring dient af te geven. Alhoewel dit uitgangspunt juist wordt geoordeeld, kan de rechtbank verweerster daarin niet geheel volgen voorzover daarmee wordt miskend dat eiser vóór 1 juli 1996 bevoegdelijk naar de toen geldende normen is beoordeeld en welbewust geschikt is verklaard. Reeds daarom gaat de stelling dat een eenmaal gemaakte fout bij gelijkgebleven feitelijke omstandigheden niet hoeft te worden herhaald, in dit geval niet op. De strikte uitleg van verweerster doet geen recht aan de overgangsbepaling welke, mede uit een oogpunt van rechtszekerheid, ertoe strekt bescherming te bieden aan gevestigde belangen of verworven rechten bij de invoering van een nieuwe regeling die de bestaande toestand niet dekt.

Aangezien voorts de overgangsbepaling is overgenomen in recentere regelgeving en als zodanig ook thans niet in strijd met Europese regelgeving is geacht, is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging.

3. Beslissing:

De rechtbank:

verklaart het beroep van eiser gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

gelast dat verweerster een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag van ¦ 1420, te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

gelast dat de Staat der Nederlanden eiser het door hem betaalde griffierecht van ¦ 225, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Stienissen, in tegenwoordigheid van mr. Verdonschot als griffier, op 2662001.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 'sGravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraak.

Afschrift verzonden d.d.: 2862001

ms