Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AB1746

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
006079-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Parketnummer: 006079-99

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[gedaagde],

[geboortedatum en plaats],

[adres],

heeft de vierde kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

hij op of omstreeks 05 september 1999 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, taxibus), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A 17, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en onachtzaam en onnadenkend en ondeskundig

rijdend met dat door hem bestuurde motorrijtuig over voormelde weg,

nadat hij twee (te weten in de middenberm en in de rechterberm van de door hem gevolgde rijbaan van die weg) geplaatste vooraanduidingsborden was gepasseerd, welke aangaven, dat er na 1 kilometer een rijbaanverschuiving naar rechts zou plaatsvinden, nadat hij vervolgens twee op soortgelijke wijze geplaatste vooraanduidingsborden was gepasseerd, welke aangaven, dat er na 600 meter een rijbaanverschuiving naar rechts zou plaatsvinden,

nadat hij vervolgens twee op soortgelijke wijze geplaatste borden volgens model J16 van bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 ("werk in uitvoering") was gepasseerd, onder welke borden volgens model A1 van genoemde bijlage waren geplaatst met daarop aangegeven de aldaar geldende maximumsnelheid van 70 kilometer per uur,

nadat vervolgens voormelde rijbaanverschuiving was gerealiseerd er over een aanzienlijke afstand een gele doorgetrokken streep was aangebracht aan de linkerzijde van de linkerrijstrook van de door hem gevolgde rijbaan van die weg, op welke doorgetrokken streep op regelmatige afstand rood-wit gestreepte geleidebakens waren geplaatst,

met dat door hem bestuurde motorrijtuig voormelde gele doorgetrokken streep gedeeltelijk te overschrijden, een aantal althans een van voormelde geleidebakens omver te rijden en vervolgens met de voorzijde van dat door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of in aanrijding te komen met de, gezien zijn rijrichting, links naast die gele doorgetrokken streep aangebrachte vangrail, te weten een zogenaamde rimpelbuisobstakelbeveiliger,

waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde motorrijtuig genaamd L.C. van Tiggelen, werd gedood;

en waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde motorrijtuig, genaamd L.Ch.A. Wijsen, werd gedood;

en waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde motorrijtuig, genaamd K.B. Marianska, werd gedood;

en waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde

motorrijtuig, genaamd Th. van Rosendaal werd gedood;

en/of waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde motorrijtuig, genaamd C.M.L. Teeuwisse, zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van diens normale bezigheden is ontstaan, te weten: een verbrijzelde (linker)heup, en/of een gebroken (linker)sleutelbeen en/of meerdere hoofdwonden;

en/of waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde

motorrijtuig, genaamd Y.A.C. Wijsen, zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van haar normale bezigheden is ontstaan, te weten: een bekkenbreuk en/of breuk van het (rechter)(boven)been en/of ernstig aangezichtsletsel en/of een hersenschudding;

en/of waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde

motorrijtuig, genaamd [benadeelde], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van diens normale bezigheden is ontstaan, te weten: een gebroken heup en/of een gebroken schouder en/of een gebroken elleboog en/of buikletsel;

en/of waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde

motorrijtuig, genaamd K. Tjaden, zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,

althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van haar normale bezigheden is

ontstaan, te weten: open beenbreuken van het rechter(boven)been en/of de

linkerarm en/of het linkerbovenbeen en/of het linkeronderbeen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden voorzover

daaraan bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht

in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; art 6 Wegenverkeerswet 1994

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 september 1999 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, taxibus), daarmee rijdende op

de weg, de Rijksweg A 17,

nadat hij twee (te weten in de middenberm en in de rechterberm van de door hem

gevolgde rijbaan van die weg) geplaatste vooraanduidingsborden was gepasseerd,

welke aangaven, dat er na 1 kilometer een rijbaanverschuiving naar rechts zou

plaatsvinden,

nadat hij vervolgens twee op soortgelijke wijze geplaatste vooraanduidings-

borden was gepasseerd, welke aangaven, dat er na 600 meter een rijbaan-

verschuiving naar rechts zou plaatsvinden,

nadat hij vervolgens twee op soortgelijke wijze geplaatste borden volgens

model J16 van bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990

("werk in uitvoering") was gepasseerd, onder welke borden borden volgens model

A1 van genoemde bijlage waren geplaatst met daarop aangegeven de aldaar gelden-

de maximumsnelheid van 70 kilometer per uur,

nadat vervolgens voormelde rijbaanverschuiving was gerealiseerd er over een

aanzienlijke afstand een gele doorgetrokken streep was aangebracht aan de

linkerzijde van de linkerrijstrook van de door hem gevolgde rijbaan van die

weg, op welke doorgetrokken streep op regelmatige afstand rood-wit gestreepte

geleidebakens waren geplaatst,

met dat door hem bestuurde motorrijtuig voormelde gele doorgetrokken streep

gedeeltelijk heeft overschreden een aantal althans een van voormelde geleide-

bakens omver heeft gereden en vervolgens met de voorzijde van dat door hem

bestuurde motorrijtuig in botsing of in aanrijding is gekomen met de, gezien

zijn rijrichting, links naast die gele doorgetrokken streep aangebrachte

vangrail, te weten een zogenaamde rimpelbuisobstakelbeveiliger,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht

in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Op 05 september 1999 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, taxibus), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A 17, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

door in aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend

rijdend met dat door hem bestuurde motorrijtuig over voormelde weg,

nadat hij twee (te weten in de middenberm en in de rechterberm van de door hem

gevolgde rijbaan van die weg) geplaatste vooraanduidingsborden was gepasseerd,

welke aangaven, dat er na 1 kilometer een rijbaanverschuiving naar rechts zou

plaatsvinden, nadat hij vervolgens twee op soortgelijke wijze geplaatste vooraanduidings-

borden was gepasseerd, welke aangaven, dat er na 600 meter een rijbaan-

verschuiving naar rechts zou plaatsvinden,

nadat hij vervolgens twee op soortgelijke wijze geplaatste borden volgens

model J16 van bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990

("werk in uitvoering") was gepasseerd, onder welke borden volgens model

A1 van genoemde bijlage waren geplaatst met daarop aangegeven de aldaar gelden-

de maximumsnelheid van 70 kilometer per uur,

nadat vervolgens voormelde rijbaanverschuiving was gerealiseerd er over een

aanzienlijke afstand een gele doorgetrokken streep was aangebracht aan de

linkerzijde van de linkerrijstrook van de door hem gevolgde rijbaan van die

weg, op welke doorgetrokken streep op regelmatige afstand rood-wit gestreepte

geleidebakens waren geplaatst,

met dat door hem bestuurde motorrijtuig voormelde gele doorgetrokken streep

gedeeltelijk te overschrijden, een aantal althans een van voormelde geleide-

bakens omver te rijden en vervolgens met de voorzijde van dat door hem

bestuurde motorrijtuig in botsing te komen met de, gezien zijn rijrichting, links naast die gele doorgetrokken streep aangebrachte vangrail, te weten een zogenaamde rimpelbuisobstakelbeveiliger,

waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde

motorrijtuig genaamd L.C. van Tiggelen, werd gedood;

en waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde

motorrijtuig, genaamd L.Ch.A. Wijsen, werd gedood;

en waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde

motorrijtuig, genaamd K.B. Marianska, werd gedood;

en waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde

motorrijtuig, genaamd Th. van Rosendaal werd gedood;

en waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde

motorrijtuig, genaamd C.M.L. Teeuwisse, zwaar lichamelijk letsel werd toege-

bracht, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van diens normale bezig-

heden is ontstaan, te weten: een verbrijzelde (linker)heup, en/of een gebroken

(linker)sleutelbeen en meerdere hoofdwonden;

en waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde

motorrijtuig, genaamd Y.A.C. Wijsen, zwaar lichamelijk letsel werd toege-

bracht, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van haar normale bezigheden

is ontstaan, te weten: een bekkenbreuk en breuk van het

(rechter)(boven)been en ernstig aangezichtsletsel en een hersenschudding;

en waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde

motorrijtuig, genaamd [benadeelde], zwaar lichamelijk letsel werd

toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van diens normale bezig-

heden is ontstaan, te weten: een gebroken heup en een gebroken schouder

en een gebroken elleboog en buikletsel;

en waardoor althans mede waardoor een inzittende van dat door hem bestuurde

motorrijtuig, genaamd K. Tjaden, zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,

althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van haar normale bezigheden is

ontstaan, te weten: open beenbreuken van het rechter(boven)been en de

linkerarm en het linkerbovenbeen en het linkeronderbeen;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2. De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte met het door hem bestuurde taxibusje met acht passagiers heeft gereden over een vanwege wegwerkzaamheden verlegde rijbaan. Voor deze wegwerkzaamheden en de daardoor gewijzigde verkeerssituatie werden weggebruikers gewaarschuwd door middel van meerdere daartoe geeigende borden. Ter plaatse van de rijbaanverschuiving was sprake van een gele doorgetrokken streep aan de linkerzijde van de verlegde rijbaan en een tijdelijke geleidebarrier die werd afgewisseld met reeksen van rood-wit gekleurde geleidebakens. Nadat verdachte ongeveer 3 km over de verlegde rijbaan had afgelegd is het taxibusje in botsing gekomen met een of meer geleidebakens en een zogenaamde rimpelbuisobstakelbeveiliger. Als gevolg van deze aanrijding zijn vier inzittenden van het taxibusje overleden. De andere vier inzittenden, alsmede verdachte zelf, hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De raadsman van verdachte heeft vraagtekens geplaatst bij de verwijtbaarheid van verdachte aan het ongeval, mede gelet op de complexe verkeerssituatie.

Vooropgesteld wordt dat op verdachte als taxichauffeur een extra verantwoordelijkheid rustte om zijn passagiers op een veilige en verantwoorde wijze te vervoeren. Deze zorgplicht omvat primair het tijdig inzien van en anticiperen op veranderende verkeerssituaties.

De uitvoerig aangekondigde wijzigingen in de verkeerssituatie maken dat verdachte extra alert en oplettend had moeten zijn. Het feit dat de onderhavige verkeerssituatie door de Raad voor de Transportveiligheid in het door haar opgemaakte rapport beschreven wordt als complex, kan verdachte niet verontschuldigen. Gezien de wijze waarop de gewijzigde verkeerssituatie was aangekondigd en het verbod harder dan 70 km per uur te rijden, had verdachte het verlegde traject immers op een normale wijze kunnen afleggen. Bij gebreke van een juiste reactie door verdachte heeft het ongeval plaatsgevonden. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat sprake is geweest van vermoeidheid of slaperigheid bij verdachte. Steun hiervoor is te vinden in het feit dat niet gebleken is van enige correctiepoging door verdachte kort voor de aanrijding. Voorts blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij reeds ruim 20 uur op was zonder noemenswaardige rust.

Onder voornoemde omstandigheden heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank in aanzienlijke mate onvoorzichtig, danwel onachtzaam of onnadenkend gereden. Derhalve is sprake van schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd en overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Op zondagochtend 5 september 1999 heeft verdachte een gezelschap van acht personen opgehaald ten einde hen te vervoeren naar Schiphol. Kort na vertrek is verdachte, door in aanzienlijke mate onvoorzichtig, danwel onachtzaam of onnadenkend te rijden, met het door hem bestuurde taxibusje in botsing gekomen met enkele wegvoorzieningen ten behoeve van wegwerkzaamheden. Een ongeval met enorm ingrijpende gevolgen. Vier inzittenden van het taxibusje zijn ten gevolge van dit noodlottige ongeval overleden. De overige vier inzittenden raakten zeer ernstig gewond. Naast het feit dat de overlevenden geconfronteerd worden met het tragische overlijden van hun familieleden en vrienden, vergt ook het door hen opgelopen letsel een langdurige herstelperiode in zowel lichamelijk als geestelijk opzicht.

Naast de mate van schuld van verdachte en de gevolgen van het ongeval, dient in de straftoemeting ook de persoon van verdachte te worden meegewogen.

Vaststaat dat hij niet eerder met politie of justitie is aanraking is gekomen.

Voorts weegt de rechtbank mee dat ook verdachte ten gevolge van dit ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat volledig herstel naar alle waarschijnlijkheid niet haalbaar is. Uit het uitgebrachte voorlichtingsrapport van de reclassering blijkt dat verdachte zijn eigen verwondingen relativeert ten opzichte van de gevolgen van de andere betrokkenen en zelf ook veel bezig is met deze gevolgen voor de andere betrokkenen. De rechtbank betrekt dit rapport in haar oordeel.

Bij de bepaling van de stafmaat en strafsoort dient voorts de jonge leeftijd van verdachte in aanmerking te worden genomen.

Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank in dit geval aanleiding aan verdachte, conform zijn daartoe strekkend aanbod, een werkstraf op te leggen in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur. De rechtbank overweegt omtrent het aantal te verrichten uren, dat niet kan worden volstaan met minder uren dan het wettelijk maximum.

De rechtbank acht tevens een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend. De ernst van het gebeuren brengt mee dat niet kan worden volstaan met slechts een voorwaardelijke ontzegging.

12 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij [benadeelde] heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van f. 205,30 terzake van hetgeen is bewezen verklaard. De vordering strekt ter vergoeding van kosten voor foto's en planten. De benadeelde partij heeft de vordering tot voornoemd bedrag uitdrukkelijk beperkt onder voorbehoud van alle rechten en weren voor mogelijke nadere vorderingen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feit voornoemde rechtstreekse schade ad f 205,30 heeft geleden. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], nu verdachte jegens deze naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan deze door het strafbare feit is toegebracht.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22b, 22d, 36f, 57 en 91 van het wetboek van strafrecht en de artikelen 6, 164, 175, 178, 179 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte gedurende 240 uren bij een van de projecten, vermeld op de door de rechtbank goedgekeurde lijst. Zij bepaalt dat de arbeid zal bestaan uit het verrichten van onderhoudswerkzaamheden en voorts dat de veroordeelde de werkzaamheden ter uitvoering van het project zal verrichten overeenkomstig de door of namens de Stichting Reclassering gegeven aanwijzingen en zich ook overigens zal gedragen overeenkomstig de geldende Standaardregels Werkstraffen.

Zij bepaalt voorts dat deze arbeid binnen vier maanden na het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden moet aanvangen en dat de arbeid binnen twaalf maanden na de aanvang dient te worden verricht. Deze straf komt in de plaats van zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank overwoog op te leggen.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Zij beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Zij ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie jaar.

Zij bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop de ontzegging van de rijbevoegdheid ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van de hierboven bedoelde bijkomende straf in mindering zal worden gebracht.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van f. 205,30 (zegge: tweehonderdvijf gulden en dertig cent), te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering. (BP.06)

Zij verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.(BP.28)

Zij legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer [benadeelde], te betalen een som geld ten bedrage van f. 205,30 (zegge: tweehonderdvijf gulden, dertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vier dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting, opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen en vice versa, indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr De Ruijter, voorzitter, mrs De Boorder-Wennekers en Van den Bosch-Van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr Oostlander-Vink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 mei 2001.