Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AB0642

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-01-2001
Datum publicatie
05-04-2004
Zaaknummer
00/1017 BESLU COO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een bedrag van ƒ 20.464,- tegemoetkoming in de schade toegekend op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998. Bij de berekening van de teeltplanschade heeft verweerder alleen rekening gehouden met de schade die eiser heeft geleden als witlofteler. De schade terzake van het trekken van de witlofwortelen heeft verweerder niet betrokken in de totale teeltplanschade. Voor deze schade heeft eiser geen tegemoetkoming ontvangen.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd door ABRS, LJN: AE2077

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/1017 BESLU COO ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Veertiende kamer

Uitgesproken d.d.: 10 januari 2001

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], geboren [datum], wonende te [woonplaats], eiser,

mr. M.K. Weterings te Tilburg, gemachtigde,

en

de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te Diemen, verweerder.

1. Procesverloop:

Bij besluit van 7 mei 1999 heeft verweerder een bedrag van ƒ 20.464,- tegemoetkoming in de schade toegekend op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998. Bij de berekening van de teeltplanschade heeft verweerder alleen rekening gehouden met de schade die eiser heeft geleden als witlofteler. De bezwaren van eiser hiertegen zijn door verweerder bij besluit van 17 mei 2000 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 8 juni 2000 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft de op deze zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij brief van 13 juli 2000 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 augustus 2000 heeft eiser nadere informatie verstrekt.

Op 9 november 2000 heeft verweerder, nadat eiser alsnog is gehoord, een nieuwe beslissing genomen waarbij wederom de bezwaren ongegrond zijn verklaard. Deze nieuwe beslissing, die geen nieuwe rechtsgevolgen heeft, wordt door de rechtbank aangemerkt als aanvulling op (de motivering van) het bestreden besluit.

Eiser heeft bij brief van 22 november 2000 de beroepsgronden nader uiteengezet.

Verweerder heeft bij brief van 1 december 2000 nadere stukken ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 7 december 2000.

Eiser is persoonlijk verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.K. Weterings.

Zijdens eiser is ter zitting verschenen ing.[getuige], aangekondigd als getuige.

Namens verweerder zijn verschenen mr. M.M. le Gras en mr. R. Caspers.

Zijdens verweerder zijn als deskundigen aanwezig geweest E. Hoek en

F.A.M. Onland.

2. Beoordeling:

2.1. Eiser is naast witlofteler ook witloftrekker. Aan het begin van het seizoen koopt eiser zaad in voor in totaal 32 hectare. Dit zaad levert hij aan verschillende agrariërs die de witlofpennen telen. Eiser begeleidt, coördineert en controleert deze buitenteelt. Na het rooien van de witlofpennen betaalt eiser aan de agrariër per wortel. Vervolgens worden deze witlofpennen door eiser gebruikt ten behoeve van de witloftrekkerij, de binnenteelt.

Na de extreme regenval op 13 en 14 september 1998 heeft eiser slechts twee hectare witlofpennen kunnen laten rooien en kunnen gebruiken. De overige witlofpennen waren onbruikbaar geworden en zijn volledig afgekeurd. Eiser heeft, door middel van een op 11 november 1998 gedateerd aanvraagformulier, tegemoetkoming in de schade gevraagd. Eiser heeft terzake de witloftrek vergoeding gevraagd van de verminderde opbrengst van de witloftrekkerij en van de zaadkosten, van schade doordat zijn bedrijf slechts op halve kracht heeft gedraaid, van schade vanwege aankoop van vervangende witlofpennen uit Frankrijk en Engeland, die veel duurder zijn en van mindere kwaliteit, alsmede van schade door leegstand van zijn vrieshuis.

Bij besluit van 7 mei 1999 heeft verweerder de schade terzake van het trekken van de witlofwortelen niet betrokken in de totale teeltplanschade. Voor deze schade heeft eiser geen tegemoetkoming ontvangen. De bezwaren van eiser hiertegen heeft verweerder met het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dat besluit, samengevat, aangevoerd dat verweerder procedureel een onjuist besluit heeft genomen nu eiser in het kader van de bezwaarschriftprocedure niet is gehoord, terwijl hier wel om is gevraagd. Tevens meent eiser dat door de aantasting van de witlofpennen door de wateroverlast eiser als witloftrekker wel degelijk - eveneens - te maken heeft met teeltplanschade.

De rechtbank overweegt het volgende.

2.2. Verweerder heeft in (de bijlage bij) het bestreden besluit en de nadere beslissing van 9 november 2000 de hier van belang zijnde regelgeving vermeld.

Met name discussiëren partijen omtrent de betekenis en reikwijdte van artikel 4 van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen.

Artikel 4, eerste lid, van de Wet luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

Een gedupeerde heeft recht op een tegemoetkoming in de hierna te noemen categorieën van schaden, voor zover de schade die hij heeft geleden, is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een ramp of een zwaar ongeval waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard, alsmede in de hierna te noemen categorieën van kosten die daarmee verband houden:

(...)

e. de teeltplanschade, waaronder wordt verstaan het financieel verlies dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen schadetermijn als gevolg van verlies of beschadiging van gewassen, waardoor een vermindering in kwantiteit of kwaliteit is ontstaan of als gevolg van het niet of niet tijdig kunnen uitvoeren van de voorgenomen teelt van gewassen;

(...).

Ingevolge het tweede lid van deze bepaling kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat, met uitzondering van schade die het gevolg is van gederfde omzet, andere schade- en kostencategorieën dan de in het eerste lid genoemde voor een tegemoetkoming in aanmerking komen.

2.3. Het bestreden besluit is gebaseerd op verweerders standpunt dat de schade ten aanzien van de witloftrek niet het onmiddellijke en rechtstreekse gevolg is van de ramp maar het gevolg van een kwantitatief en kwalitatief verminderd aanbod van witlofpennen, zodat niet aan het gestelde in artikel 4 van de Wet is voldaan.

Voorts heeft verweerder overwogen dat geen sprake is van voor tegemoetkoming in aanmerking komende teeltplanschade omdat de witloftrek een teeltproces op zich is, dat op het moment van de ramp nog niet was gestart en dat - derhalve - niet door de regenval op 13 en 14 september 1998 is onderbroken.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in redelijkheid aldus kunnen uitgaan van een splitsing tussen de witlofteelt en de witloftrek. Niettegenstaande het betoog van eiser omtrent de onderlinge samenhang en omtrent de afhankelijk van de witloftrek van de witlofteelt, hetgeen heeft bevorderd dat beide activiteiten meestentijds in één hand zijn, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank doorslaggevende betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de teelt van witlofpennen als teeltproces eindigt op het moment van de oogst en dat de witloftrek nadien elders en onder geheel andere condities als teeltproces wordt gestart en volbracht. Verweerder is op basis hiervan kunnen uitgaan van twee voor de toepassing van de onderhavige regelgeving afzonderlijk te beschouwen teeltprocessen.

Dit uitgangspunt rechtvaardigt vervolgens de conclusie dat de schade aan de witloftrek - anders dan de schade terzake de witlofteelt - niet het onmiddellijke en rechtstreekse gevolg is van de regenval.

De door verweerder gegeven motivering kan het bestreden besluit dan ook dragen. De verdere stellingen van partijen missen naast het voorgaande zelfstandige betekenis voor de beoordeling van de beroepsgronden. In het bijzonder is niet doorslaggevend of eiser al dan niet van elders voldoende en goede willofpennen heeft kunnen betrekken om de witloftrek zo veel mogelijk veilig te stellen ter beperking van zijn schade.

Voorts moet de rechtbank vaststellen dat de regelgever geen uitbreiding heeft gegeven aan de ingevolge het eerste lid van artikel 4 van de Wet voor tegemoetkoming in aanmerking komende schades.

De door eiser gestelde schade in verband met de witloftrek heeft verweerder derhalve op basis van de onderhavige regelgeving op juiste grond niet vergoed.

2.4. Eisers beroepsgrond dat ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden voorafgaande aan het bestreden besluit is terecht aangevoerd. In het bestreden besluit is overwogen dat de bezwaren kennelijk ongegrond zijn, in welk geval op grond van artikel 7:3 van de Awb een hoorzitting achterwege zou kunnen blijven. In het verweerschrift is hierop de toelichting gegeven dat verweerders standpunt omtrent het niet vergoeden van schade terzake de witloftrek reeds voor het bestreden besluit algemeen bekend was.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel geen sprake van een zodanig evident ongegrond beroep dat een hoorzitting achterwege heeft kunnen blijven. De stelligheid waarmee verweerder zijn standpunt daaromtrent reeds voor het bestreden besluit algemeen bekend heeft gemaakt, kan daaraan niet afdoen, temeer niet nu dit eigen standpunt niet werd onderbouwd door bevestigende rechterlijke uitspraken.

Voorts heeft verweerder in de nadere beslissing van 9 november 2000 zelf uitdrukkelijk overwogen dat in het beroepschrift aanleiding is gezien alsnog een hoorzitting te houden.

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is genomen, zodat het om deze reden voor vernietiging in aanmerking komt.

Nu eiser alsnog is gehoord en uit voorgaande overwegingen volgt dat het bestreden besluit inhoudelijk de rechterlijke toetsing kan doorstaan, zal de rechtbank op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Wel ziet de rechtbank hierin aanleiding voor veroordeling van verweerder in eisers kosten voor het indienen van het beroepschrift, op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht te begroten op ¦ 710,= wegens rechtskundige bijstand. Voorts dient aan eiser het door hem betaalde griffierecht van ¦ 225,= te worden vergoed.

3. Beslissing:

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van ¦ 710,=, te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

gelast dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht van ¦ 225,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Cooijmans, in tegenwoordigheid van mr. De Bie als griffier, op 10 januari 2001

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraak.

Afschrift verzonden d.d.:

ND