Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AB0070

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/972 VRWET AN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/972 VRWET AN ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Veertiende kamer

Uitgesproken d.d.: 10 januari 2001

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiseres], geboren [datum], wonende te [woonplaats], eiseres,

mr. P.J. Wapperom te Dordrecht, gemachtigde

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, gevestigd te Oudenbosch, verweerder, mr. A.R. de Jonge, gemachtigde.

1. Procesverloop:

Bij besluit van 29 september 1999 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder besloten om de aan eiseres toegekende verstrekkingen ingevolge de Regeling Opvang Asielzoekers (hierna: ROA) te beëindigen met ingang van 8 oktober 1999.

Bij brief van 5 oktober 1999 heeft eiseres tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 mei 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. In aansluiting daarop heeft verweerder het primaire besluit herroepen, en vervangen door het besluit om de verstrekkingen te beëindigen met ingang van 5 juni 2000.

Bij brief van 2 juni 2000 heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 17 augustus 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en een aantal op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Op 17 november 2000 heeft verweerder nog meer stukken aan de rechtbank en eiseres overgelegd.

Het beroep is mondeling behandeld ter zitting van 30 november 2000. Eiseres is in persoon verschenen, en werd bijgestaan door mr. P.J. Wapperom, advocaat te Dordrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.L. Veken en G.J. Vooren, beiden ambtenaar van de gemeente Halderberge, die werden bijgestaan door mevrouw mr. D. Brugman, advocaat te 's-Gravenhage.

2. Beoordeling:

A. Voorgeschiedenis

Eiseres, geboren op [datum], bezit de Chinese nationaliteit. Zij is op 10 december 1992 in Nederland aangekomen, en heeft op 10 januari 1994 verzocht om toelating als vluchteling en om afgifte van een vergunning tot verblijf. Dat verzoek is door de Staatssecretaris van Justitie (hierna: Staatssecretaris) afgewezen bij besluit van 19 januari 1995. In dat kader is aan eiseres medegedeeld dat zij de behandeling van een eventueel in te dienen bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Daartegen heeft eiseres bij brief van 20 januari 1995 bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij aan de president van de rechtbank 's-Gravenhage (zittingsplaats Zwolle) verzocht om terzake een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is afgewezen bij uitspraak van 7 juni 1995.

Sindsdien heeft de Staatssecretaris aan eiseres meermalen te verstaan gegeven dat zij Nederland moet verlaten. Toen eiseres desondanks in Nederland bleef, heeft op 5 maart 1999 in het politiebureau te Roosendaal een zogeheten "terugkeergesprek" plaatsgevonden tussen eiseres en een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND). Het verslag van dat gesprek heeft de Staatssecretaris geleid tot de conclusie dat eiseres onvoldoende medewerking verleent aan (het verkrijgen van een reisdocument dat nodig is voor) haar terugkeer naar China. Naar aanleiding daarvan heeft de Staatssecretaris bij brief van 8 juli 1999 aan verweerder verzocht om de aan eiseres verstrekte voorzieningen ingevolge de ROA (hierna: voorzieningen) te beëindigen.

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan dat verzoek voldaan. In haar bezwaar tegen dit besluit heeft eiseres betoogd dat zij al het mogelijke heeft gedaan om een reisdocument te verkrijgen, dat haar in dit opzicht niets valt te verwijten, en dat zij derhalve wel voldoende medewerking verleent aan haar terugkeer naar China. Verder heeft eiseres gesteld dat zij nog steeds wil meewerken aan haar uitzetting, maar dat de kans op het verkrijgen van een laissez-passer bijzonder klein is. Op basis van die stellingen heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder de voorzieningen ten onrechte heeft beëindigd.

Het bezwaar is op 17 november 1999 mondeling behandeld door de Commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften voor de gemeente Halderberge (hierna: Commissie). In haar advies van 17 november 1999 heeft de Commissie geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren, met als argument dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of de Staatssecretaris op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiseres onvoldoende medewerking heeft verleend aan haar terugkeer naar China. Verweerder heeft dit advies opgevolgd, door het zojuist bedoelde onderzoek alsnog te verrichten. Dat onderzoek heeft geleid tot het bestreden besluit. Blijkens haar beroep en het verhandelde ter zitting kan eiseres zich niet verenigen met het bestreden besluit.

B. Gronden van het beroep

Eiseres staat allereerst op het standpunt dat de rechtbank geen kennis mag nemen van het geschil, aangezien verweerder de beslissing tot beëindiging van de voorzieningen heeft vervat in een nieuw primair besluit. In samenhang hiermee heeft zij betoogd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, door een besluit in te trekken en daarna te vervangen door een besluit met dezelfde strekking. In dat kader heeft zij nog gewezen op verweerders brief van 4 oktober 1999, waarin wordt aangegeven dat de voorzieningen eerst zullen worden beëindigd "wanneer de juridisiche procedures zijn afgehandeld".

Verder heeft eiseres aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, aangezien zij in het kader ten onrechte niet twee keer is gehoord. In dat kader heeft eiseres betoogd dat hangende de bezwaarschriftprocedure nieuwe feiten en omstandigheden zijn opgekomen die maken dat de voorzieningen redelijkerwijs niet mogen worden beëindigd. Daarbij is met name gewezen op psychische problemen. Naar zeggen van eiseres zijn die problemen aan het eind van 1999 opgekomen, en staat zij daarvoor sinds het begin van 2000 onder specialistische behandeling.

Daarnaast heeft eiseres ter zitting verklaard dat het verslag van het "terugkeergesprek" met de IND op 5 maart 1999 in een aantal opzichten niet juist is. In dat kader heeft eiseres bestreden dat zij weigerachtig is medewerking te verlenen aan haar terugkeer naar China.

C. Overwegingen van de rechtbank

Allereerst staat de rechtbank voor de vraag of zij kennis mag nemen van het aan haar voorgelegde geschil. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat, voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan het bestreden besluit herroept en, voorzover nodig, in de plaats daarvan een nieuw besluit neemt.

Uit de bewoordingen van het bestreden besluit, bezien in onderlinge samenhang, kan redelijkerwijs slechts worden afgeleid dat verweerder in het kader van de door hem te plegen heroverweging toepassing heeft gegeven aan artikel 7:11, tweede lid van de Awb. De overweging dat het primaire besluit wordt ingetrokken, heeft niet de betekenis die eiseres er kennelijk aan gehecht wil zien. Aldus heeft verweerder slechts duidelijk gemaakt dat het primaire besluit uit de rechtswereld is verdwenen, en daarvoor een nieuw besluit in de plaats treedt, welk besluit ziet op exact hetzelfde onderwerp als waarop het primaire besluit betrekking had. Daarbij komt nog dat verweerder zou hebben gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, indien de gegrondverklaring niet zou zijn gevolgd door toepassing van artikel 7:11, tweede lid van de Awb.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder terecht aangegeven dat tegen het gehele bestreden besluit beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. De rechtbank is dan ook bevoegd om van het aan haar voorgelegde geschil - de vraag of verweerder terecht heeft besloten tot beëindiging van de voorzieningen met ingang van 5 juni 2000 - in volle omvang kennis te nemen. Bij de beantwoording van die materiële rechtsvraag zijn de navolgende wettelijke voorschriften van belang.

Artikel 15, eerste lid van de ROA. De gemeente is verplicht opvang te bieden aan asielzoekers ten aanzien van wie de Staatssecretaris aan de gemeente een daartoe strekkend verzoek heeft gericht, tot ten hoogste een aantal asielzoekers dat gelijk is aan het aantal in het kader van een overeenkomst als bedoeld in artikel 14 door de gemeente beschikbaar te stellen opvangplaatsen.

Artikel 15, derde lid, aanhef en onder c van de ROA. De opvang van een asielzoeker eindigt in elk geval indien het een asielzoeker betreft voor wie een last tot uitzetting is gegeven en die ingevolge een daartoe strekkende mededeling van de plaatselijke politie Nederland moet verlaten: op de dag waarop hij Nederland ingevolge die mededeling dient te verlaten.

Artikel 3:2 van de Awb. Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 7:2, eerste lid van de Awb. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder ten onrechte heeft nagelaten om eiseres twee keer te horen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Artikel 7:2, eerste lid van de Awb bevat geen algemene verplichting om belanghebbenden in het kader van een (lang lopende) bezwaarprocedure twee (of meer) keren te horen. Zulks neemt niet weg dat het onder bijzondere omstandigheden, uit een oogpunt van zorgvuldigheid, noodzakelijk kan zijn om belanghebbenden na verloop van tijd opnieuw te horen. In zoverre wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) van 15 mei 1997, gepubliceerd in AB 1997, nummer 263.

Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder niet gehouden om eiseres voorafgaand aan het bestreden besluit opnieuw te horen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder redelijkerwijs niet kon vermoeden dat zich na afloop van de hoorzitting op 17 november 1999 voor het geschil relevante nieuwe feiten of omstandigheden hadden ontwikkeld. In dat kader overweegt de rechtbank dat het op de weg van eiseres had gelegen - en het haar overigens geheel vrijstond - om uit eigen beweging aan verweerder melding te maken van nova, zoals haar psychische klachten en daarmee gepaard gaande specialistische behandeling.

Van een bestuursorgaan kan niet worden verlangd dat het steeds onderzoekt of tussen de hoorzitting en het bestreden besluit sprake is van relevante ontwikkelingen. Verder rust op het bestuursorgaan geen verplichting om belanghebbenden uit te nodigen tot het overleggen van nieuwe informatie.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft eiseres het bestaan van haar psychische klachten reeds in het kader van het bezwaar naar voren kunnen brengen. De rechtbank is van oordeel dat eiseres deze omstandigheid ook in die fase van de procedure naar voren had moeten brengen.

Daarbij acht de rechtbank van belang, dat is gesteld noch gebleken dat het bestaan van psychische klachten eerst in de beroepsfase had kunnen worden aangevoerd. Verder merkt de rechtbank hier op dat eiseres in beroep heeft volstaan met een korte en nauwelijks onderbouwde stelling terzake, en dat zij die stelling niet door overlegging van medische stukken voldoende aannemelijk heeft kunnen maken. Het feit dat de behandelend psychiater (nog steeds) geen verklaring omtrent de geestelijke toestand van eiseres ten tijde van het nemen van het bestreden besluit heeft gegeven, komt in casu voor rekening en risico van eiseres.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de psychische klachten van eiseres terecht niet bij zijn heroverweging heeft betrokken.

Ook de klacht over (de juistheid van) het verslag van het gesprek dat 5 maart 1999 heeft plaatsgevonden, is eerst in beroep aangevoerd.

Overigens heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het onderschrijven van de stelling dat, uit voornoemd verslag en de verdere feiten, niet de conclusie mag worden getrokken dat eiseres geen medewerking aan haar terugkeer naar China heeft verleend. Er is niet gebleken van enig initiatief van eiseres om bewijsstukken omtrent haar identiteit te verkrijgen. Verder acht de rechtbank hier van belang dat eiseres zich niet in Ter Apel heeft gemeld.

Gezien het vorenstaande mocht verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, afgaan op de juistheid van de door de IND verstrekte gegevens over (het gebrek aan) de medewerking van eiseres aan haar terugkeer naar China. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding vormen tot twijfel omtrent de juistheid van de mededelingen van de IND terzake.

Tenslotte gaat de rechtbank in op de vraag of verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door het besluit om de voorzieningen met ingang van 5 juni 2000 te beëindigen. De rechtbank beantwoordt ook die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Aan eiseres moet worden toegegeven dat verweerders brief van 4 oktober 1999, waarin wordt aangegeven dat de voorzieningen eerst zullen worden beëindigd "wanneer de juridisiche procedures zijn afgehandeld", op zichzelf kan zorgen voor enige onduidelijkheid. Daarbij past echter de kanttekening dat die brief is verzonden naar aanleiding van - en moet worden gesitueerd in het kader van - het verzoek om voorlopige voorziening dat eiseres in verband met het primaire besluit aan de president had gericht.

Gezien het vorenstaande kan meergenoemde brief van 4 oktober 1999 redelijkerwijs slechts worden opgevat als de bereidheid van verweerder om de effectuering van het primaire besluit, hangende de bezwaarprocedure, op te schorten. Uit de desbetreffende brief kan in ieder geval niet worden afgeleid dat verweerder de voorzieningen eerst zal beëindigen op een moment waarop ook de procedure in (hoger) beroep zal zijn geëindigd.

D. Conclusie

Gezien al het vorenstaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Gelet hierop ziet zij geen grond om te gelasten dat het gestorte griffierecht aan eiseres door de gemeente Halderberge wordt vergoed, en evenmin om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres hangende de beroepsprocedure heeft gemaakt.

3. Beslissing:

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Van Andel, in tegenwoordigheid van mr. Koenraad als griffier, op 10 januari 2001

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraak.

Afschrift verzonden d.d.:

ze