Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AA9754

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1991-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Parketnummer(s): 1991-00

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring Grave (Unit A + B) te Grave,

heeft de vierde kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

hij op of omstreeks 22 september 2000 te Oosterhout opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes,

althans met een scherp of puntig voorwerp, die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal in diens keel/hals gestoken en/of gesneden en/of

meermalen, althans eenmaal, in diens borst gestoken en/of gesneden en/of

meermalen, althans eenmaal, in diens (linker)arm gestoken en/of gesneden en/of

eenmaal in diens rug gestoken en/of gesneden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 september 2000 te Oosterhout opzettelijk [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

met een mes, althans met een scherp of puntig voorwerp, die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal in diens keel/hals gestoken en/of gesneden en/of

meermalen, althans eenmaal, in diens borst gestoken en/of gesneden en/of

meermalen, althans eenmaal, in diens (linker)arm gestoken en/of gesneden en/of

eenmaal in diens rug gestoken en/of gesneden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

7.1 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder primair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

Verdachte is op 22 september 2000 naar zijn wekelijkse schaakavond gegaan. Na afloop daarvan is hij langs een andere route dan gebruikelijk naar huis gelopen.

[slachtoffer] was diezelfde avond met de bus naar Breda geweest om daar een bijeenkomst van de evangelische kerk bij te wonen. Gewoonlijk ging hij daarheen met zijn bromfiets, maar die was die avond kapot.

Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het onaannemelijk, dat verdachte had kunnen verwachten [slachtoffer] die avond in de nabijheid van de bushalte te treffen.

Toen verdachte [slachtoffer] aan de overkant van de straat zag lopen, voelde hij, naar eigen zeggen, een enorme haat in zich opkomen. Vervolgens is hij de weg overgestoken en is hij in de richting van [slachtoffer] gaan lopen.

Uit de getuigenverklaringen blijkt dat aanvankelijk tussen verdachte en [slachtoffer] gevochten is. [slachtoffer] heeft zich vervolgens aan de greep van verdachte onttrokken en is weggelopen. Verdachte is hem toen weer achterna gelopen.

Verdachte verklaart zich niets van de daarop gevolgde steekpartij te herinneren, maar nog wel te weten dat hij [slachtoffer] is aangevlogen omdat deze naar hem gegrijnsd zou hebben.

Hoewel er enige seconden tussen de eerste confrontatie en de fatale steekpartij zijn verstreken, kan niet geoordeeld worden dat verdachte in die tussentijd heeft kunnen besluiten om [slachtoffer] met een mes te doden èn zich behoorlijk rekenschap heeft kunnen geven van een dergelijk besluit, terwijl ook niet gebleken is dat hij het mes met dat doel bij zich droeg.

Het enkele feit, dat verdachte [slachtoffer] in het verleden in gedachten "dood" gewenst heeft is evenmin aanleiding om anders te oordelen.

Verdachte zal dan ook vrijgesproken worden van het hem primair tenlastegelegde.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende misdrijf op:

ten aanzien van het subsidiair:

doodslag.

10 De strafbaarheid van verdachte.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat in casu sprake is van een schulduitsluitings-grond in de zin van psychische overmacht.

Op het moment van het begaan van het feit verkeerde verdachte in een geestelijk zodanige toestand dat hij niet anders kon handelen dan hij deed. Er was sprake van een onvoorziene toestand van emotionele ontremming waardoor vrijheid van wilsbepaling uitgesloten was.

Al hetgeen verdachte had meegemaakt en zijn gezin was overkomen is aan te merken als externe en bijzondere omstandigheid als gevolg waarvan verdachte in een zodanige geestestoestand kwam te verkeren dat hij niet anders kon handelen dan hij gedaan heeft.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

[Slachtoffer] heeft met de toen negenjarige zoon van verdachte ontuchtige handelingen gepleegd, hetgeen zeer waarschijnlijk de oorzaak is geweest van de gedragsproblemen, die zich bij deze laatste hebben voorgedaan. Deze problemen hebben de stabiliteit van het gezin van verdachte ondermijnd en verdachte heeft hier ernstig onder geleden.

Het vorenstaande leidde ertoe dat als verdachte [slachtoffer] bij toeval ontmoette, hetgeen naar zijn eigen zeggen vijf maal eerder is gebeurd, die ontmoetingen steeds heftige emotionele reacties bij hem opriepen. Bij de laatste fatale ontmoeting voelde verdachte zelfs een enorme haat jegens [slachtoffer] in zich opkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet aannemelijk geworden dat deze emoties de wilsvrijheid van verdachte zodanig hebben aangetast dat van hem niet meer gevergd kon worden [slachtoffer] niet te achtervolgen en te doden. Zij neemt daarbij mede in overweging dat verdachte in de periode voorafgaand aan het delict heeft nagelaten zich te laten behandelen voor de toenemende haatgevoelens, die volgens de deskundigen pathologische vormen hadden aangenomen, terwijl hem daartoe wel hulp werd geboden.

Nu overigens ook niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte zou opheffen is hij strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Verdachte heeft op 22 september 2000 te Oosterhout het slachtoffer [slachtoffer] met tien messteken om het leven gebracht. Hij heeft daarmee op grove wijze het hoogste rechtsgoed, het recht op leven geschonden. Die daad is onomkeerbaar.

[Slachtoffer] heeft met verdachtes zoon ontucht gepleegd, hetgeen zeer waarschijnlijk de oorzaak is geweest van het ontstaan van ernstige gedragsproblemen bij verdachtes zoon. Verdachte heeft hieronder ernstig geleden.

Dit laatste rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank het handelen van verdachte echter geenszins. Dit klemt des te meer nu [slachtoffer] hiervoor was gestraft.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte, die naar eigen zeggen sinds het misbruik hem bekend was, zelf met psychische problemen kampte, de hem aangeboden hulp gedurende lange tijd steeds van de hand heeft gewezen.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat hij niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie.

In het rapport van de psychiater dr. Haverkamp van 11 januari 2001 omtrent de persoon van verdachte staat vermeld dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit leed aan ziekelijke stoornissen in de vorm van depressieve stoornissen die de vorm van een obsessie hadden aangenomen en dat hij leed aan een karakterneurotische stoornis danwel aan een persoonlijkheidsstoornis met passief-agressieve tendensen en vermijdende tendensen, hetgeen er toe leidt dat het tenlastegelegde verdachte slechts in sterk verminderde mate toegerekend kan worden.

In het rapport van de psycholoog dr. drs. Ligthart van 10 januari 2001 wordt gesteld dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zijnde een gemengde persoonlijkheidsstoornis met passief-agressieve en vermijdende trekken. Voorts is er sprake van een langdurig gekoesterde pathologische haat ten aanzien van [slachtoffer] en is er waarschijnlijk sprake van peri-traumatische dissociatie. Dit leidt er toe dat de feiten verdachte duidelijk verminderd kunnen worden toegerekend.

Beide deskundigen zijn van oordeel dat het noodzakelijk is voor de veiligheid van anderen en voor de algemene veiligheid van personen of goederen dat een maatregel ex art. 37a Wetboek van strafrecht wordt opgelegd. Zij adviseren de maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen. Zij menen dat een verplichte behandeling van verdachte gewenst is; een behandeling in een meer vrijblijvend c.q. minder gedwongen kader zal waarschijnlijk geen effect hebben, omdat zij verwachten dat verdachte zich hieraan zal onttrekken. Dr. drs. Ligthart heeft ter terechtzitting herhaald dat hij het noodzakelijk acht dat verdachte behandeld wordt voor zijn ziekelijke stoornissen. Tot slot heeft hij aangegeven dat hij het risico op herhaling aanwezig acht, indien zulks niet gebeurd.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van de beide deskundigen en maakt deze tot de hare, met dien verstande dat een tbs met voorwaarden niet zal kunnen worden opgelegd aangezien deze slechts vergezeld kan gaan van een gevangenisstraf voor de duur van maximaal drie jaar, hetgeen de rechtbank gelet op de ernst van het feit, volstrekt onvoldoende acht.

Nu behandeling van verdachte noodzakelijk is en beide deskundigen van oordeel zijn, dat verdachte zich aan behandeling in een meer vrijblijvend kader dan terbeschikkingstelling zal onttrekken, zal de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen met bevel tot verpleging van overheidswege. Deze maatregel wordt mede gerechtvaardigd door de ernst van het feit en het door één van de deskundigen aangegeven gevaar voor recidive.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van na te melden duur.

12 De overwegingen omtrent het beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen voorwerp, te weten kleding, aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en deze onder verdachte in beslag zijn genomen.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 37a, 37b, 287 van het wetboek van strafrecht.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7.2 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het onder 9 vermelde strafbare feit.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt daarbij dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Zij gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen kleding.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bruns-Blaauwendraad, voorzitter, mr. Huijgen en mr. Scheffers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Van Beijsterveldt en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 februari 2001, zijnde mr. Huijgen buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.