Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AA9583

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
92145/KG ZA 01-52
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 67
BIE 2001, 10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

92145/KG ZA 01-52 PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

22 januari 2001

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap MOVIR N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Nieuwegein,

2. de naamloze vennootschap AO ARTSEN-VERZEKERINGEN N.V., gevestigd te 's-Gravenhage en kantoorhoudende te Nieuwegein,

e i s e r e s s e n bij dagvaarding van 16 januari 2001,

procureur: mr. drs. E.C.M. Wagemakers,

advocaat : mr. R.C.K. van Oerle te Rotterdam,

t e g e n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MEEÙS ASSURANTIEËN B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Breda,

g e d a a g d e ,

procureur en advocaat: mr. M.P. Wolf.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

de dagvaarding;

de akte vermeerdering van eis van mr. Van Oerle;

- de pleitnota van mr. Van Oerle en de door eiseressen in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. Wolf en de door gedaagde in het geding gebrachte producties.

Partijen hebben voorts ter zitting hun stellingen mondeling nader toegelicht.

2. Het geschil.

Eiseressen, hierna ook te noemen Movir en AO, vorderen na vermeerdering van eis bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagde, hierna te noemen Meeùs, te veroordelen om na betekening van dit vonnis en vóór 19 januari 2001 te 17.00 uur aan Movir in 13.500-voud af te leveren op het adres Burgwal 1 te Nieuwegein een brief, gedrukt op briefpapier van Meeùs, in een gesloten enveloppe van Meeùs, met uitsluitend de in de akte vermeerdering van eis omschreven inhoud en zonder verder commentaar;

2. Meeùs te veroordelen om binnen 12 uur na betekening van dit vonnis de onder 1 bedoelde rectificatietekst van de brief te plaatsen op haar website (www .meeùs .com) en wel op de openingspagina (homepage) daarvan;

3. Meeùs te veroordelen om zo spoedig mogelijk als dit technisch haalbaar is in de volgende landelijke dagbladen: Het Financieele Dagblad, de Volkskrant, De Telegraaf en het Algemeen Dagblad, een advertentie te plaatsen op pagina 3 van de krant, met tenminste een omvang van twee kolommen en uitsluitend de in de akte van vermeerdering van eis omschreven inhoud;

4. Meeùs te verbieden, zulks met onmiddellijke ingang, ieder gebruik van het merk MOVIR of een daarmee overeenstemmend teken;

5. Meeùs met onmiddellijke ingang te verbieden op welke wijze ook enige onjuiste en/of misleidende mededeling te doen in verband met de door haar, respectievelijk Interpolis N.V. dan wel door Movir en/of AO aangeboden arbeidsongeschiktheidsverzekering;

6. alles op verbeurte van een dwangsom van f. 5.000.000,-- ineens en

f. 500.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Meeùs niet geheel aan dit vonnis voldoet.

Meeùs heeft de vordering bestreden.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

Eiseressen zijn verzekeringsmaatschappijen die zich onder meer hebben gespecialiseerd in arbeidsongeschiktheidsverzekeringen voor beroepsbeoefenaren in de medische sector.

Eiseressen hebben de bij hen verzekerden onlangs de premienota's gezonden voor het komende jaar, waarbij een hogere premie werd berekend dan de verzekerden de afgelopen jaren gewend waren. Op grond van de polisvoorwaarden hebben de verzekerden vanwege de premieverhoging het recht de betreffende overeenkomst op te zeggen vóór 1 februari 2001.

Meeùs is assurantietussenpersoon en bemiddelt bij het tot stand komen van onder andere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen van Interpolis N.V. te Tilburg.

Bij brieven van 10 en 12 januari 2001, welke eerste brief vergezeld ging van een aanbiedingsbrief van assurantiekantoor Meeùs, hebben het Koninklijk Nederlands Genootschap van Fysiotherapeuten (KNGF) en de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) aan haar leden een arbeidsongeschiktheids-verzekering van Interpolis/Meeùs aangeboden, met de mededeling dat iedereen zonder gezondheidsverklaring over kan gaan naar Interpolis op basis van de bestaande polis van Movir/AO. In de begeleidende brief wordt onder meer medegedeeld:

"Wij bieden u een gelijkwaardige verzekering als van Movir/AO tegen een goedkopere premie. De premie is gegarandeerd voor de jaren 2001, 2002 en 2003. Het premievoordeel kan voor een 30-jarige 40% zijn, voor een 40-jarige 42% en voor een 50-jarige zelfs 61% bedragen. Dit is afhankelijk van de verzekerde bedragen en de gekozen eindleeftijd. U heeft dus altijd premievoordeel!!!!!"

3.2

Movir baseert haar vordering op het bepaalde in art. 6:194 BW. Zij voert hiertoe aan dat de inhoud van de door Meeùs verzonden brieven moet worden aangemerkt als misleidende reclame, omdat Meeùs in strijd met de waarheid mededeelt dat de polissen van partijen gelijkwaardig zouden zijn en dat de polis van Interpolis altijd voordeliger zou zijn dan de polis van Movir.

3.3

Meeùs voert als verweer dat niet zij, maar de LHV en het KNGF bedoelde brieven hebben verzonden. Daarnaast stelt Meeùs zich op het standpunt dat van reclame geen sprake is, omdat de brieven door de betreffende verenigingen zijn verspreid onder haar leden en het derhalve persoonsgerichte mededelingen betreft gericht aan bepaalde personen, te weten de individuele leden van de LHV en het KNGF.

3.4

Het moge zo zijn dat de brieven zijn verzonden door de LHV en het KNGF, vast staat echter dat Meeùs de mededelingen daarin omtrent de aangeboden polis heeft opgesteld en dat die mededelingen met toestemming en medewerking van Meeùs zijn verzonden. De wetgever heeft aan het in art. 6:194 BW gehanteerde begrip "openbaar maken" een ruime uitleg toebedacht. Gestandaardiseerde mededelingen, gedaan per gesloten brief of als drukwerk ( zogenaamde direct mail) dienen te worden opgevat als openbaar gemaakte mededelingen in de zin van art. 6:194 BW. (MvA 1 bij w.o. 13611, blz. 3) De omstandigheid dat het overgrote deel van potentiële cliënten lid is van een vereniging is geen grond om gestandaardiseerde mededelingen aan die leden aan te merken als "persoons-gericht". Bovendien zijn deze mededelingen ook te vinden op de internetsite van Meeùs en aldus openbaar gemaakt.

3.5

Naar luid van artikel 6:194 BW is er onder meer sprake van onrechtmatig handelen indien hij die omtrent goederen of diensten die door hem in de uitoefening van een beroep of bedrijf worden aangeboden, een mededeling openbaar maakt of laat maken, die misleidend is ten aanzien van de vergelijking met andere goederen of diensten. Op grond van artikel 6:195 BW rust op degene die de inhoud en inkleding van de mededeling geheel of ten dele zelf heeft bepaald of doen bepalen bewijslast ter zake van de juistheid of volledigheid van de feiten die in de mededeling zijn vervat of daardoor worden gesuggereerd en waarop het beweerde misleidende karakter van de mededeling berust.

3.6

Op Meeùs rust derhalve de bewijslast, althans dient zij in deze procedure aannemelijk te maken, dat de door haar vermelde claim: "Wij bieden u een gelijkwaardige verzekering als van Movir/AO tegen een goedkopere premie. De premie is gegarandeerd voor de jaren 2001, 2002 en 2003. Het premievoordeel kan voor een 30-jarige 40% zijn, voor een 40-jarige 42% en voor een 50-jarige zelfs 61% bedragen. Dit is afhankelijk van de verzekerde bedragen en de gekozen eindleeftijd. U heeft dus altijd premievoordeel!!!!!" op waarheid berust.

3.7

Meeùs heeft aangevoerd dat zij haar bewijsvoering nauwelijks deugdelijk heeft kunnen voorbereiden, gezien de korte termijn waarop zij in rechte is betrokken, de hoeveelheid door Movir in het geding gebrachte producties en het late tijdstip waarop zij deze producties heeft ontvangen.

Van Meeùs kan echter in redelijkheid worden verlangd dat zij, alvorens massaal potentiële verzekeringnemers aan te schrijven, beschikt over voldoende bewijsmateriaal ter staving van de daarbij vermelde claims. In dit licht bezien kan niet worden gezegd dat zij op enigerlei wijze in haar verdediging zou zijn geschaad.

3.8

Met betrekking tot de gelijkwaardigheid van de verzekeringen van partijen heeft Meeùs een memorandum overgelegd van prof. dr. E. Lutjens waarin deze op basis van vergelijking van de polisvoorwaarden van de verzekeringen van partijen is nagegaan of sprake is van "gelijkwaardige" verzekeringen. De conclusie luidt: "Op basis van de thans bekende gegevens kan mijns inziens niet worden vastgesteld dat verzekeringen bij Movir en Interpolis niet gelijkwaardig zouden zijn."

Movir heeft als verweer gevoerd dat prof Lutjens is uitgegaan van onjuiste polisvoorwaarden, namelijk de polisvoorwaarden van Eerstejaarsarbeids-ongeschiktheidsverzekering, alsmede Langlopende, Kortlopende, Driejaars, Vijfjaars, WAO-hiaatverzekering. Meer speciaal is dit van belang, aldus Movir, omdat in het eerste jaar de eventuele WAZ-uitkering geen rol speelt bij beide polissen en pas in het tweede jaar het verschil tussen beide polissen aldus tot uiting komt dat Movir een WAZ-uitkering niet in mindering brengt op uit te keren gelden en Interpolis een WAZ-uitkering daarop wel in mindering brengt, zodat in geval van een WAZ-uitkering Movir per saldo een hoger bedrag dan Interpolis uitkeert (per jaar maximaal f. 23.080,-- meer).

Meeùs heeft erkend dat zij, anders dan Movir, een eventuele WAZ-uitkering vooraf in mindering brengt op de uit te keren gelden. De stelling van Meeùs dat Movir achteraf alsnog beziet of een WAZ-uitkering in mindering wordt gebracht is door Movir betwist en door Meeùs niet aannemelijk gemaakt.

Meeùs heeft nog aangevoerd dat een WAZ-uitkering in lang niet alle gevallen wordt uitgekeerd en derhalve minder van belang zou zijn of de WAZ-uitkering al dan niet in mindering wordt gebracht.

In het kader van deze kort gedingprocedure valt niet uit te maken welk belang moet worden toegekend aan het al dan niet meeverzekeren van de WAZ-uitkering. In deze procedure is voldoende aannemelijk gemaakt dat in geval een verzekerde wel een WAZ-uitkering zal ontvangen dit bij een polis afgesloten bij Interpolis niet tot verhoging van het uit te keren bedrag zal leiden en bij een polis afgesloten bij Movir zal kunnen leiden tot een extra jaarlijkse uitkering van (maximaal ) f. 23.080,-- .

Nu Meeùs niet gemotiveerd heeft betwist dat prof. Lutjens van onjuiste polisvoorwaarden is uitgegaan bij zijn waardering en Meeùs ook niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de polissen, met name de uitkeringen, gelijkwaardig zijn, is reeds hierom de claim dat zij een gelijkwaardige polis aanbiedt die altijd goedkoper is, misleidend te achten. De andere door Movir in dit verband genoemde verschillen kunnen mitsdien onbesproken blijven.

3.9

Meeùs heeft ter bewijs van de claim dat de polis van Interpolis altijd voordeliger zou zijn dan de polis van Movir, een verklaring overgelegd van Interpolis dat de door Meeùs aan het KNGF en de LHV aangeboden polis in alle situaties goedkoper is dan de door Movir aangeboden arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Movir heeft kranten-artikelen overgelegd waarin Huub Hannen, vice-voorzitter van de hoofddirectie van Interpolis laat weten te twijfelen aan het door Meeùs geclaimde prijsverschil van 30 tot 40% premieverschil. Volgens hem zal het verschil eerder 10% zijn.

3.10

Met betrekking tot de premievoordelen heeft Meeùs weliswaar gesteld dat deze kunnen oplopen tot 40%, 42% en 61%, doch zij heeft dit, na de uitvoerige en gedocumenteerde betwisting hiervan door Movir, waarbij Movir er tevens op heeft gewezen dat als er soms een gering premievoordeel zou zijn de daar tegenoverstaande verzekerde som veel lager is dan die bij haar voor een min of meer gelijke premie, in het geding op geen enkele wijze, bijvoorbeeld door het overleggen van een gedocumenteerd door een terzake deskundige uitgevoerd onderzoek, aannemelijk gemaakt. Gelet op haar scherpe stellingname in deze zaak had zulks in alle redelijkheid van Meeùs verwacht mogen worden, zoals hierboven reeds is overwogen.

3.11

Waar er vooralsnog van moet worden uitgegaan dat Meeùs zich schuldig heeft gemaakt aan misleidende reclame en gelet op de belangen die voor partijen op het spel staan zal naast het onder 1, 2 en 3 gevorderde, ook het gevorderde onder 5 worden toegewezen.

3.12

Ten aanzien van het sub 4 gevorderde heeft Movir gesteld dat sprake is van merkinbreuk op het merk Movir nu het merk Movir in de gewraakte brieven wordt genoemd en er niet voldaan is aan de voorwaarden genoemd in de op 6 oktober 1997 door het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie uitgevaardigde richtlijn 97/55 (Pb. L.290/181). Op grond van deze richtlijn is vergelijkende reclame geoorloofd op onder meer de voorwaarde dat deze niet misleidend is.

Waar Meeùs aanvankelijk heeft betwist dat Movir rechthebbende op dit merk was, heeft zij, nadat Movir haar een afschrift van het depot van dit woordmerk heeft getoond (depotnr. 0976159) welk afschrift zich bij de stukken bevindt, deze betwisting niet langer gehandhaafd.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen is het de president niet duidelijk welk belang Movir nog bij toewijzing van dit onderdeel van de vordering heeft. Mede gelet op de omstandigheid dat ook de vordering op zich te onbepaald is, zal dit onderdeel van de vordering worden afgewezen.

De gevorderde dwangsom zal worden gesteld op f. 1.000.000,--, nu er in redelijkheid van moet worden uitgegaan dat dit bedrag voldoende zal zijn om Meeùs tot nakoming van de veroordelingen te bewegen.

4. De kosten.

Meeùs dient als de in het ongelijk te stellen partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding.

De president

veroordeelt gedaagde om woensdag 24 januari 2001 vóór 17.00 uur aan Movir in 13.500-voud af te leveren op het adres Burgwal 1 te Nieuwegein een brief, gedrukt op briefpapier van Meeùs, in een gesloten enveloppe van Meeùs, met uitsluitend de navolgende inhoud en zonder verder commentaar:

Aan: de leden van de KNGF en LHV

Van: A.W.A.D. Kuijpers

Datum: 24 januari 2001

Betreft: rectificatie met betrekking tot uw arbeidsongeschiktheidsverzekering

Geachte heer/mevrouw,

Bij brief van 10 respectievelijk 12 januari 2001 hebben wij u een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Interpolis aangeboden.

Bij vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Breda van 22 januari 2001 zijn wij veroordeeld u deze rectificatiebrief te sturen.

De president heeft in kort geding geoordeeld dat door ons niet aannemelijk is gemaakt dat onze brief geen onjuistheden en geen misleidende informatie bevatte.

Met name hebben wij vooralsnog niet kunnen aantonen dat de premievoordelen ten opzichte van de polis van Movir/Artsen Onderlinge die wij noemden in alle gevallen kunnen worden behaald.

Ook de mededeling dat u altijd premievoordeel heeft is niet voldoende aannemelijk gemaakt. Niet kan worden uitgesloten dat in sommige gevallen de verzekering bij Interpolis zelfs duurder zou kunnen uitvallen dan een vergelijkbare verzekering bij Movir/Artsen Onderlinge.

Tevens hebben wij geschreven dat sprake zou zijn van gelijkwaardige verzekeringen. Ook dit hebben wij naar het oordeel van de president niet aannemelijk gemaakt.

Zo hadden wij u behoren te informeren dat de verzekering bij Interpolis vanaf het tweede jaar van de uitkering de uitkering op grond van de Wet Arbeidsongeschiktheids-verzekering Zelfstandigen (WAZ) in mindering brengt. De Movir/Artsen Onderlinge-polis voorziet niet in een vermindering van de uitkering met de WAZ-uitkering, hetgeen een hogere uitkering kan opleveren dan in het geval van Interpolis.

Hoogachtend,

Meeùs Assurantiën B.V.

A.W.A.D. Kuypers

Directeur"

veroordeelt Meeùs om binnen 12 uur na betekening van dit vonnis de hiervoor omschreven rectificatietekst van de brief te plaatsen op haar website (www. meeùs .com) en wel op de openingspagina (homepage) daarvan;

veroordeelt Meeùs om zo spoedig mogelijk als dit technisch haalbaar is in de volgende landelijke dagbladen: Het Financieele Dagblad, de Volkskrant, De Telegraaf en het Algemeen Dagblad, een advertentie te plaatsen op pagina 3 van

de krant, met tenminste een omvang van twee kolommen en uitsluitend de navolgende inhoud;

"RECTIFICATIE

Aan fysiotherapeuten en huisartsen

Bij brief van 10 respectievelijk 12 januari 2001 hebben wij u een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Interpolis aangeboden.

Bij vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Breda van 22 januari 2001 zijn wij veroordeeld u een rectificatiebrief te sturen.

De president heeft in kort geding geoordeeld dat door ons niet aannemelijk is gemaakt dat onze brief geen onjuistheden en geen misleidende informatie bevatte.

Met name hebben wij vooralsnog niet kunnen aantonen dat de premievoordelen ten opzichte van de polis van Movir/Artsen Onderlinge die wij noemden in alle gevallen kunnen worden behaald.

Ook de mededeling dat u altijd premievoordeel heeft is niet voldoende aannemelijk gemaakt. Niet kan worden uitgesloten dat in sommige gevallen de verzekering bij Interpolis zelfs duurder zou kunnen uitvallen dan een vergelijkbare verzekering bij Movir/Artsen Onderlinge.

Tevens hebben wij geschreven dat sprake zou zijn van gelijkwaardige verzekeringen. Ook dit hebben wij naar het oordeel van de president niet aannemelijk gemaakt.

Zo hadden wij u behoren te informeren dat de verzekering bij Interpolis vanaf het tweede jaar van de uitkering de uitkering op grond van de Wet Arbeidsongeschiktheids-verzekering Zelfstandigen (WAZ) in mindering brengt. De Movir/Artsen Onderlinge-polis voorziet niet in een vermindering van de uitkering met de WAZ-uitkering, hetgeen een hogere uitkering kan opleveren dan in het geval van Interpolis."

verbiedt gedaagde met onmiddellijke ingang op welke wijze ook enige onjuiste en/of misleidende mededeling te doen in verband met de door haar, respectievelijk Interpolis N.V. dan wel door Movir en/of AO aangeboden arbeidsongeschiktheidsverzekering;

bepaalt dat Meeùs een dwangsom verbeurt van f. 1.000.000,-- indien zij in gebreke blijft aan een van voormelde veroordelingen te voldoen;

bepaalt dat de in dit vonnis genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de bodemrechter voorzover handhaving van verbeurte van die dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

verwijst gedaagde in de kosten van het geding en veroordeelt haar tot betaling aan eiseressen van de aan hun zijde gevallen kosten, tot op heden begroot op

f. 2.026,93, waaronder begrepen een bedrag van f. 1.550,-- aan procureurssalaris;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.J.M. Nollen, fungerend president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van maandag 22

januari 2001, in tegenwoordigheid van mr. D.G.E.C. Th. Schütz, waarnemend griffier.