Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2000:AA9795

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00 / 556 BESLU COO
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00 / 556 BESLU COO e.a. ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

00 / 554 BESLU COO en Veertiende kamer

00 / 555 BESLU COO

Uitgesproken d.d.:

UITSPRAKEN

in de gedingen tussen:

1. eisers, (zie bijlage)

mr. W.M. Bijloo te Middelharnis, gemachtigde,

2. Holland Bean B.V. en

Van Oers Heerle B.V., eiseressen

mr. W.M. Bijloo te Middelharnis, gemachtigde,

en

de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder.

1. Procesverloop:

Eisers hebben, ieder afzonderlijk, beroep ingesteld tegen de aan hen gerichte (35) beslissingen op bezwaar (hierna: de bestreden besluiten I).

Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen de (twee) beslissingen op bezwaar van 15 maart 2000 (hierna: de bestreden besluiten II).

De beroepschriften zijn nadien schriftelijk aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 7 december 2000. Een aantal eisers is persoonlijk verschenen, zoals aangeduid op de aan deze uitspraak gehechte lijst. Namens alle eisers en namens eiseressen is verschenen hun gemachtigde mr. W.M. Bijloo, advocaat te Middelharnis. Namens eiseressen is voorts aanwezig geweest G.K.M. van Oers. Zijdens eisers en eiseressen hebben voorts als deskundigen het woord gevoerd taxateur J.J.M. Roks en accountant C.J.A. van Ginderen.

Namens verweerder zijn verschenen mr. M.M. le Gras en mr. R. Caspers. Zijdens verweerder zijn als deskundigen aanwezig geweest E. Hoek en F.A.M. Onland.

2. Beoordeling:

2.1. Eisers en eiseressen, die land- en tuinbouwbedrijven hebben, hebben aanvragen ingediend tot toekenning door verweerder van een tegemoetkoming in schade die is ontstaan als gevolg van de extreem zware regenval op 13 en 14 september 1998.

De aanvragen zijn in behandeling genomen en na taxatie van de gestelde schades heeft verweerder toekenningsbesluiten genomen.

Eisers en eiseressen hebben tegen deze (primaire) besluiten bezwaarschriften ingediend omdat zij het niet eens waren met de hoogte van de toegekende tegemoetkomingen.

De bezwaarschriften van eisers zijn - voor zover hier van belang - ongegrond verklaard bij de bestreden besluiten I.

De bezwaarschriften van eiseressen zijn deels gegrond en deels ongegrond verklaard bij de bestreden besluiten II.

In beroep hebben eisers tegen de bestreden besluiten I aangevoerd dat verweerder ten onrechte voor de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming in de schade aan stamslabonen het normbedrag voor industrie (hoofdteelt ¦ 3.720,= en nateelt

¦ 2.790,= per hectare) heeft gehanteerd in plaats van de norm voor stamslabonen voor de versmarkt van ¦ 7.500,= per hectare. Voorts hebben eisers gesteld dat het normbedrag van ¦ 7.500,= per hectare te laag is. Eisers volgen op dit punt geheel de hierna te noemen beroepsgrond van eiseressen.

In beroep hebben eiseressen tegen de bestreden besluiten II, samengevat, aangevoerd dat verweerder ten onrechte voor de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming een normbedrag van ¦ 7.500,= per hectare stamslabonen heeft gehanteerd. Eiseressen hebben verzocht een op hun gemiddelde opbrengsten in de afgelopen jaren gebaseerd bedrag van ¦ 12.100,= per hectare te hanteren. Zij stellen dat verweerder had moeten onderzoeken waarom de normbedragen zo sterk afwijken van de opbrengstcijfers van eiseressen, die circa 80% van de Nederlandse versmarkt voor stamslabonen in handen hebben.

Voorts hebben eiseressen aangevoerd dat verweerder ten onrechte op de normbedragen als bespaarde kosten in mindering brengt kosten voor personeel, vracht, oogst, sorteren en voor marktklaar maken. Subsidiair stellen eiseressen dat niet de door verweerder gehanteerde normkosten, maar slechts de bij hun bedrijfsvoering passende feitelijk bespaarde kosten in mindering dienen te worden gebracht.

De rechtbank overweegt het volgende.

2.2. Het wettelijk kader waaraan de bestreden besluiten dienen te worden getoetst luidt, voor zover voor de beoordeling van deze beroepen relevant, als volgt.

De Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (van 25 mei 1998, Stb.325) is bij Koninklijk Besluit (van 12 januari 1999, Stb.33) van toepassing verklaard op de schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de extreem zware regenval op 13 en 14 september 1998.

Bij hetzelfde KB is bepaald dat het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (een KB van 20 november 1998, Stb. 648) in werking treedt.

Voorts is van toepassing de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 (een ministeriële regeling van 29 oktober 1998, Stcrt. 208).

Bij de vaststelling van de tegemoetkoming in teeltplanschade voert verweerder beleid, op 29 oktober 1998 vastgelegd in de Beleidsregels voor de toekenning van teeltplanschade op grond van de Regeling (met Toelichting en Bijlage gepubliceerd in Stcrt.1998, 208).

De Wet noemt in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, teeltplanschade als schadecategorie, met als omschrijving van dat begrip: het financieel verlies dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen schadetermijn als gevolg van verlies of beschadiging van gewassen, waardoor een vermindering in kwantiteit of kwaliteit is ontstaan of als gevolg van het niet of niet tijdig kunnen uitvoeren van de voorgenomen teelt van gewassen.

Artikel 6 van de Wet bepaalt in het eerste lid dat de hoogte van de tegemoetkoming in schade volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels wordt berekend met inachtneming van de in artikel 5 van de Wet bedoelde schaderapporten. In het derde lid is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de hoogte van de tegemoetkoming.

Het Besluit bepaalt in artikel 4 dat de hoogte van de tegemoetkoming in teeltplanschade wordt berekend op basis van de mindere opbrengst gedurende de schadetermijn, verminderd met de bespaarde kosten, waaronder zijn begrepen de variabele kosten en de kosten van de werkgever voor zijn werknemers, voor zover deze werknemers als gevolg van een al dan niet tijdelijk verlies aan betaalde arbeidsuren recht hebben op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Daarbij wordt onder de mindere opbrengst verstaan: de opbrengst die redelijkerwijs mocht worden verwacht, berekend op basis van de integrale kostprijs en in voorkomend geval verminderd met de gerealiseerde opbrengst tegen marktwaarde.

De Regeling bepaalt onder andere dat de tegemoetkoming in teeltplanschade 65% bedraagt van het schadebedrag, met een maximaal eigen risico voor bedrijven van

¦ 10.000,=.

De Beleidsregels houden, voor zover hier relevant, in:

" Het in aanmerking te nemen schadebedrag wegens teeltplanschade, (...), wordt berekend volgens de formule: A x B x C - D, waarbij

A = de oppervlakte van het teeltareaal (...)

B = het percentage van de redelijkerwijs te verwachten opbrengst die in de schadetermijn verloren gaat (...)

C = het bedrag dat volgens de bijlage als opbrengst voor de aangetaste categorie gewassen is vastgesteld, dan wel, bij gebreke daarvan, de opbrengst welke redelijkerwijze mocht worden verwacht voor de geteelde gewassen (...)

D = de kosten welke redelijkerwijze geacht kunnen worden te zijn bespaard voor de productie, oogst, bewerking, bewaring en afzet van de verloren gegane opbrengst."

In de Toelichting is onder meer vermeld:

"Gezien de noodzaak tot een eenduidige en snelle schadeafhandeling, met inachtneming van de eisen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zal bij de vaststelling van de schade worden uitgegaan van de hiervoor genoemde uitgangspunten en normbedragen. Voor de meest relevante gewassen is daartoe een bedrag per ha. vastgesteld (...). Daarbij is uitgegaan van de meest recente KWIN-gegevens (Kwantitatieve informatie voor de land- en tuinbouw) waarin de voortschrijdende gegevens over de in de afgelopen drie jaar gerealiseerde productie zijn samengevat. Mocht bij de uitvoering van de regeling blijken dat ook voor andere gewassen de noodzaak tot het stellen van een normbedrag bestaat, dan zal de bijlage worden aangevuld."

In de Bijlage is ten aanzien van stamslabonen (uitsluitend) opgenomen:

" Stamslabonen (industrie, nateelt) 2.790 ".

2.3. Verweerder heeft in de bestreden besluiten I overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of een normbedrag voor industrie dan wel voor de versmarkt moet worden gehanteerd, van belang is te bepalen wie de oogstwerkzaamheden verricht, wie de bonen verwerkt tot versprodukt en wie deze (rechtstreeks) aan de veiling dan wel aan de supermarkten levert. Slechts ingeval al deze werkzaamheden door de teler zelf worden verricht, is volgens de bestreden besluiten I de versnorm van toepassing. Nu sprake is van deel- en/of contractteelt door eisers, waarbij eiseressen met name het zaaigoed, de oogst en de verdere verwerking tot eindprodukt voor hun rekening nemen, is voor eisers de norm voor levering aan de industrie toegepast.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze motivering van dit onderdeel van de bestreden besluiten I niet deugdelijk. Uit voormelde regelgeving moet worden afgeleid dat ter bepaling van de mindere opbrengst van de teelt dan redelijkerwijs mocht worden verwacht niet van belang is door wie deze teelt of een gedeelte daarvan is c.q. zou worden uitgevoerd, doch dat bepalend is het gewas zelf en de toestand daarvan op het moment van het intreden van de schadeoorzaak.

Ter zitting is gebleken dat stamslabonen voor de versmarkt reeds ten aanzien van zaaigoed en zaaiwijze verschillen van stamslabonen voor de industrie. Voorts is niet in discussie dat op de percelen van eisers gebruik is gemaakt van zaaigoed voor versmarkt-bonen. Gesteld noch gebleken is dat de teelt is uitgevoerd op een wijze die afzet op de versmarkt onmogelijk zou hebben gemaakt. Ter zitting is namens verweerder uitdrukkelijk erkend dat aangenomen moet worden dat de onderhavige stamslabonen op het moment van intreden van de schadeoorzaak, 13 en 14 september 1998, (nog) geschikt waren voor de versmarkt.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder bij de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming in de door eisers gestelde teeltplanschade ten onrechte is uitgegaan van de industrie-norm in plaats van een norm voor de versmarkt.

Ter zitting heeft verweerder zulks erkend, er op wijzend dat hantering van een (bruto) norm voor de versmarkt wel impliceert dat daarbij (andere) besparingskosten in mindering moeten worden gebracht.

Namens eisers is aangegeven dat juist is dat de besparingskosten bij hantering van de norm voor de versmarkt opnieuw moeten worden bepaald.

Ter zitting hebben partijen in dat kader nog gediscussieerd over de vraag of het deel van de produktie dat door derden (te weten eiseressen) zou worden uitgevoerd een (forfaitaire) besparing voor eisers kan vormen ter hoogte van uitgespaarde loonwerkkosten, alsmede over de vraag of zulks voor eisers een ander (te weten hoger) bedrag voor deze besparingspost zou kunnen vormen dan voor eiseressen zelf, die hebben bepleit veel geringere besparingskosten te hebben dan door verweerder is aangenomen. Eisers hebben reeds in bezwaar aangevoerd dat van de fictie uitgegaan zou moeten worden dat de door eiseressen bespaarde kosten door henzelf zijn bespaard. Tegenover deze min of meer abstracte benadering staat een ter zitting door E. Hoek (werkzaam bij BCE) geopperde benadering op basis van de feitelijk door eiseressen aan eisers in de voorgaande jaren van de opbrengsten doorbetaalde bedragen, waarmee een gemiddelde opbrengst in het verleden voor eisers kan worden bepaald.

Verweerder dient bij de nieuw te nemen beslissingen op de bezwaarschriften van eisers aan deze vragen aandacht te besteden.

Voorts heeft verweerder ter zitting gewezen op een (nieuwe) Gewasnormenlijst Waterschaderegelingen 1998, toegezonden bij brief van 22 november 2000. In de gewasnormenlijst is een viertal rubrieken "stamslabonen" opgenomen, onder andere "stamslabonen; industrie herfstteelt/vers" met een normbedrag van ¦ 3.720,= per hectare. Uit de in voormelde brief van 22 november 2000 opgenomen toelichting blijkt dat deze rubriek ziet op de situatie dat de teler niet zelf de (verdere) bewerking van de bonen ter hand neemt. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de rechtbank zulks niet bepalend acht voor de vraag of een industrienorm dan wel een norm voor de versmarkt moet worden gehanteerd. Voor zover verweerder heeft beoogd met de (nieuwe) Gewasnormenlijst de bestreden besluiten I nader te onderbouwen, acht de rechtbank om die reden deze nadere onderbouwing niet deugdelijk. In het midden kan dan ook blijven of sprake is van een kenbaarmaking c.q. introductie van nieuwe normen in de zin van de Bijlage bij voormelde Beleidsregels en of zulks in het kader van deze beroepsprocedures tot een andere toetsingsnorm zou kunnen leiden.

De beroepen van eisers tegen de bestreden besluiten I zullen om voormelde redenen gegrond worden verklaard, met vernietiging van deze besluiten en met opdracht aan verweerder nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van het vorenstaande.

2.4. Ten aanzien van de bestreden besluiten II overweegt de rechtbank het volgende.

2.4.1. De Bijlage bij de Beleidsregels bevat geen normbedragen voor stamslabonen voor de versmarkt. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat verweerder geen norm voorhanden heeft die, zoals de bedoeling is geweest van de Bijlage, omwille van een eenduidige en snelle schadeafhandeling in beginsel forfaitair kan worden toegepast, zodat de gehanteerde norm van ¦ 7.500,= een deugdelijke en expliciete onderbouwing behoeft.

Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit aansluiting gezocht bij de normbedragen die zijn gepubliceerd in het kader van de Regeling oogstschade 1998 (een regeling van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 16 december 1998, Stcrt. 244). Daarin zijn voor stamslabonen vier rubrieken opgenomen, vergelijkbaar met voornoemde Gewasnormenlijst. Het verschil zit in (slechts) de omschrijving van de eerste rubriek "stamslabonen (industrie, hoofdteelt)" respectievelijk "stamslabonen; industrie herfstteelt/vers", beide leidend tot een normbedrag van ¦ 3.720,=.

Voor stamslabonen voor de versmarkt is een norm van ¦ 7.500,= opgenomen.

Eiseressen hebben in bezwaar gemotiveerd betoogd dat deze norm van ¦ 7.500,= per hectare te laag is en dat zij een grotere oogst (in kilogrammen per hectare) hebben en een hogere opbrengstprijs (per kilogram) realiseren dan, uitgaande van KWIN-cijfers, klaarblijkelijk ten grondslag heeft gelegen aan de norm van ¦ 7.500,=.

Het bestreden besluit bevat op dit onderdeel de motivering dat is uitgegaan van de meest recente KWIN-gegevens en dat enkel in geval er sprake is van bijzondere omstandigheden verweerder bereid is daarvan af te wijken. Volgens het bestreden besluit acht verweerder de omstandigheid dat 11.000 kilogram per hectare en een gemiddelde opbrengst van ¦ 1,10 per kilogram zou worden gerealiseerd, derhalve een opbrengst van ¦ 12.100,= per hectare, niet bijzonder genoeg. Ter zitting heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd en nader toegelicht dat sprake moet zijn van een significante afwijking ten opzichte van de gehanteerde normen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan deze motivering de bestreden besluiten niet dragen. Bij vergelijking van een normopbrengst van ¦ 7.500,= per hectare met de door eiseressen gestelde opbrengst van ¦ 12.100,= per hectare kan in redelijkheid niet worden volgehouden dat geen sprake is van een significante afwijking. Daarbij wijst de rechtbank op de door verweerder zelf klaarblijkelijk noodzakelijk geachte differentiatie in normen voor verschillende stamslabonen (zie inmiddels ook de Gewasnormenlijst), waarin de onderlinge opbrengstverschillen kleiner zijn dan het verschil tussen ¦ 7.500,= en ¦ 12.100,=.

Verweerder diende derhalve, op grond van voorgaande overwegingen, een concreet onderzoek naar de stellingname van eiseressen te doen en dienaangaande een deugdelijk en expliciete motivering aan de besluitvorming ten grondslag te leggen.

Bij gebreke hiervan zijn de bestreden besluiten II strijdig met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde onderzoeksvereiste en met de in artikel 7:12 van de Awb omschreven motiveringsplicht.

2.4.2. Bij het voorgaande komt dat verweerder ten aanzien van het gehanteerde normbedrag van ¦ 7.500,= ter zitting niet inzichtelijk heeft kunnen maken waarop dit feitelijk is gebaseerd.

Uit de in deze beroepsprocedures overgelegde KWIN-gegevens blijkt dat daarin voor "stamslabonen (machinale oogst), late teelt, versmarkt" een opbrengst van

¦ 7.505,= wordt vermeld. Niet blijkt evenwel of deze norm is gebaseerd op cijfers die voldoende representatief kunnen worden geacht voor de door eiseressen gemiste oogst van stamslabonen. In dit kader hebben eiseressen aangevoerd dat de KWIN-cijfers vermoedelijk zijn gebaseerd op cijfers van slechts 20% van de markt, te weten de veiling, terwijl het merendeel van de omzet in stamslabonen buiten de veiling om gaat en door rechtstreekse levering aan bijvoorbeeld supermarkten een hogere prijs oplevert.

De stelling in het verweerschrift dat eiseressen klaarblijkelijk niet de gangbare marktprijzen hebben gevolgd, acht de rechtbank geen adequate reactie op het betoog van eiseressen en geeft geen inzicht in de reden waarom de door eiseressen gestelde opbrengsten niet gevolgd zouden dienen te worden ter bepaling van de opbrengst welke redelijkerwijs mocht worden verwacht, zulks in de zin van voormelde regelgeving.

2.5. De verdere beroepsgronden spitsen zich toe op de hoogte van de op de bruto-opbrengst in mindering te brengen bespaarde kosten.

2.5.1. Voor zover in het verweerschrift en in de toelichting ter zitting door verweerder is betoogd dat eiseressen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van personeels-, machine- en vrachtkosten, gaat de rechtbank er van uit dat zulks op een onjuiste lezing van het standpunt van eiseressen berust en dat dit betoog - zoals in de bestreden besluiten II is gedaan - dient te worden geplaatst in het kader van de vraag welk bedrag als bespaarde kosten in mindering dient te strekken op de bruto-opbrengsten.

2.5.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestreden besluiten II ten dele aan de bezwaren van eiseressen ten aanzien van de in mindering gebrachte besparingen tegemoet is gekomen, te weten voor zover het betreft veilingkosten, doch dat aan die heroverweging in de bestreden besluiten II zelf geen consequenties zijn verbonden. In het bijzonder zijn de primaire besluiten niet herroepen en heeft verweerder geen nieuwe toekenningsbesluiten genomen, doch slechts verwezen naar nadere besluitvorming, waarvan tot op de dag van de zitting nog niet is gebleken.

Deze wijze van inrichting van de besluitvorming is in strijd met artikel 7:11 van de Awb, zodat de bestreden besluiten II ook om die reden niet in stand kunnen blijven.

2.5.3. Blijkens het Besluit zijn onder bespaarde kosten begrepen de variabele kosten en de kosten van de werkgever voor zijn werknemers, voor zover deze werknemers als gevolg van een al dan niet tijdelijk verlies aan betaalde arbeidsuren recht hebben op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.

De Beleidsregels gaan vervolgens uit van de kosten welke redelijkerwijze geacht kunnen worden te zijn bespaard voor de productie, oogst, bewerking, bewaring en afzet van de verloren gegane opbrengst.

De rechtbank stelt vast dat deze regelgeving niet bepaalt op welke wijze deze kosten dienen te worden vastgesteld. Verweerder komt dienaangaande een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Uit de bestreden besluiten II blijkt niet, zoals hiervoor onder 2.5.2. is besproken, welke besparingsposten tot welke bedragen volgens verweerder in mindering strekken op de opbrengsten. Anders dan eiseressen blijkens het aanvullend beroepschrift veronderstellen, blijkt uit de bestreden besluiten in elk geval niet dat verweerder zich wenst te baseren op KWIN-gegevens over kostenposten en de hoogte daarvan. Tot de gedingstukken behoort een becijfering van bespaarde kosten ("aan de hand van de praktijk") van 22 februari 2000 van F.A.M. Onland van BCE, gericht aan de uitvoeringsinstelling LASER. Niet duidelijk is welk gewicht verweerder hieraan in het kader van de onderhavige besluitvorming heeft willen toekennen.

Verweerder heeft in de bestreden besluiten II wel overwogen dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de transportkosten, alsmede de kosten voor oogsten, sorteren en afzetklaar maken, niet kunnen worden aangemerkt als kosten welke redelijkerwijs geacht kunnen worden te zijn bespaard.

Voor wat betreft machines en vast personeel is in de bestreden besluiten aangegeven dat deze door aan eiseressen gelieerde vennootschappen aangewend zouden kunnen worden, zodat van een besparing kan worden gesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt de enkele aanname - ook indien deze terecht mocht blijken te zijn, hetgeen eiseressen in het aanvullend beroepschrift gemotiveerd hebben betwist - dat produktiemiddelen door derden gebruikt kunnen worden, onvoldoende grondslag voor de conclusie dat dan sprake is van een besparing. Daarvan zou mogelijk sprake kunnen zijn indien daar een vergoeding tegenover heeft gestaan of redelijkerwijs geacht moet worden daarvoor verschuldigd te zijn geweest, doch daarnaar heeft verweerder geen concreet onderzoek verricht.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat de machines en de wagens werden gehuurd van Van Oers Holding BV en dat het de verhuurster vrijstond deze middelen op een andere wijze in te zetten.

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat dit een besparing voor eiseressen zou opleveren.

Verweerders stelling ter zitting dat het op de weg van eiseressen heeft gelegen contractueel te bedingen dat geen huurpenningen zijn verschuldigd ingeval van overmacht zoals in casu door de extreme regenval, is door eiseressen betwist en kan dan ook zonder nader onderzoek naar de juistheid c.q. haalbaarheid daarvan, thans niet als juist worden aanvaard.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat de kosten van uitzendkrachten op nihil moeten worden gesteld en dat voor wat betreft het vast personeel er na de extreme regenval genoeg andere (beredderings-)werkzaam-heden waren te verrichten.

Eiseressen houden rekening met ¦ 0,08 per kilogram besparing op uitzendkrachten, doch hebben gemotiveerd aangevoerd dat het vaste personeel niet elders te werk kon worden gesteld. Ter zitting is namens eiseressen voorts gesteld dat initiatieven om WW-uitkeringen te verkrijgen niet wenselijk waren, vanwege het risico dat het vaste personeel dan elders een dienstbetrekking zou gaan zoeken.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van verweerder de juistheid van de gestelde besparing van ¦ 0,08 per kilogram wegens uitzendkrachten te controleren, waarna op dit punt geen geschil meer behoeft te bestaan over desbetreffende besparingen per kilogram.

Voor wat betreft het vaste personeel acht de rechtbank verweerders standpunt in zoverre juist, dat de keuze om geen initiatieven te ondernemen om WW-uitkeringen te verkrijgen, hetgeen in het licht van artikel 4 van het Besluit relevant is, ondanks het gestelde motief daarvoor in redelijkheid voor rekening van eiseressen dient te blijven.

Met inachtneming van het voorgaande dient verweerder bij de opnieuw te nemen beslissingen op bezwaar te bezien welke bedragen eiseressen redelijkerwijs geacht kunnen worden te hebben bespaard.

2.6. De beroepen tegen de besluiten II zullen om voormelde redenen gegrond worden verklaard. Deze besluiten zullen worden vernietigd met opdracht aan verweerder nieuwe beslissingen op de bezwaarschriften te nemen.

2.7. De rechtbank acht de in het dictum op te nemen proceskostenveroordeling, begroot op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), redelijk. Daarbij is voor wat betreft eisers uitgegaan van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb, met een factor 1,5 wegens een groter aantal zaken dan vier. Voor wat betreft eiseressen is eveneens uitgegaan van samenhangende zaken.

Voorts dient aan eisers en eiseressen het door hen betaalde griffierecht te worden vergoed.

3. Beslissing:

De rechtbank:

verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II gegrond en vernietigt die besluiten;

draagt verweerder op nieuwe beslissingen op de bezwaarschriften te nemen met inachtneming van deze uitspraken;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van ¦ 2.130,= en in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van ¦ 1.420,= , te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

gelast de Staat der Nederlanden het door eisers betaalde griffierecht, zoals voor ieder afzonderlijk op de aan deze uitspraak gehechte lijst is aangegeven, en het door eiseressen betaalde griffierecht van (ieder) ¦ 450,=, aan hen te vergoeden.

Deze uitspraken zijn gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Cooijmans, in tegenwoordigheid van mr. de Bie, op

Tegen deze uitspraken kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraken.

Afschrift verzonden d.d.:

WB