Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2000:AA9189

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
4230/99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Parketnummer: 4230/99

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in huis van bewaring [plaats],

heeft de vierde kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 november

1997 tot en met 11 oktober 1999 te Breda en/of Etten-Leur en/of Sint

Willebrord, gemeente Rucphen en/of Hoeven, gemeente Halderberge, in elk geval

in het arrondissement Breda en/of te Amsterdam, in elk geval in het

arrondissement Amsterdam,in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, bestaande uit een duurzaam samenwerkingsverband van personen, te

weten hij, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]

en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of

[medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meer andere perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

-het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van

hoeveelheden, althans een hoeveelheid van (een) middel(en) (telkens) vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

-het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden,

althans een hoeveelheid van (een) middel(en) (telkens) vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I;

(deeldossier 17)

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 mei 1998

tot en met 11 oktober 1999 in het arrondissement Breda en/of te Amsterdam, in

het arrondissement Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt

en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

48,1 kilogram amfetamine en/of 50 kilogram amfetamine en/of een of meer

hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA en/of een

of meer andere middelen, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of dat/die andere

middel(en) (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

I;

(deeldossier 11)

art 2 lid 1 ahf/ond a letter B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 nietig dient te worden verklaard. De tenlastelegging had de verweten deelnemingsgedragingen moeten vermelden.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging voldoende concreet is en dat de eis die de raadsman stelt geen steun vindt in het recht.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 partieel nietig dient te worden verklaard. Het is duidelijk wat bedoeld wordt met de hoeveelheden van 48, 1 en 50 kg, maar niet wat bedoeld wordt met “een of meer hoeveelhe(i)d(en).”

De rechtbank verstaat de tenlastelegging van dit feit aldus dat bedoeld wordt hoeveelheden van 48,1 en 50 kg. Zij acht deze derhalve voldoende duidelijk.

De rechtbank verwerpt beide voornoemde verweren.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is ook overigens gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu

de verdediging is afgehouden van het doen van nader onderzoek naar de infiltratieprojecten;

de verdediging is afgehouden van het doen van nader onderzoek naar de door de verdediging zelf ontdekte niet-vermelde opsporingsmethoden c.q. opsporingsmiddelen;

de verdediging is afgehouden van het doen van nader onderzoek naar de totstandkoming van de verklaringen van [verdachte].

Dit levert, aldus de raadsman, schending van artikel 6 lid 3 sub d van het EVRM op.

De rechtbank is van oordeel dat daar waar de raadsman doelt op het horen van twee Tsjechische infiltranten aan de verdediging de gelegenheid is geboden de verbalisanten Dane, Hellemons, Van Sundert en teamleider Hendriks te horen. Deze hebben voldoende duidelijkheid gegeven over de ingezette opsporingsmethode. Door het afwijzen van de overige getuigen die in dit kader door de verdediging werden verzocht te worden gehoord, acht de rechtbank de verdediging niet in haar belangen geschaad.

Daar waar de raadsman doelt op het horen van de getuige [getuige] overweegt de rechtbank het volgende. Over de status van deze getuige is de chef van de C.I.D. van Midden- en West Brabant, J. Enders, uitgebreid bij de rechter-commissaris gehoord. De rechter-commisaris heeft deze getuige [getuige]opgeroepen. Hij is bij de rechter-commissaris verschenen. Het verhoor werd toen onderbroken, omdat [getuige] zich van rechtsbijstand wilde voorzien. Vervolgens heeft de rechter-commissaris [getuige] opnieuw opgeroepen. Hierop is hij niet meer verschenen en zijn verblijfplaats bleek niet te traceren.

Op 17 oktober 2000 is deze getuige vervolgens aangetroffen bij de grensbewaking op Schiphol en is aan hem een vonnis van de politierechter in Amsterdam betekend. Dit houdt niet in dat de verblijfplaats van de getuige bekend moet zijn geweest en het openbaar ministerie zich onvoldoende zou hebben ingespannen om de getuige op te roepen.

Met betrekking tot de verklaringen van [verdachte] heeft de raadsman verzocht de journaals, aantekeningen en mutaties betrekking hebbende op de verhoren van [verdachte] aan de processtukken toe te voegen. Over de wijze van totstandkoming van deze verklaringen hebben de verbalisanten Hendriks, Damen en Van Keulen, alsmede [verdachte] zelf uitleg gegeven.

De rechtbank leidt hieruit af dat [verdachte] de lange verhoren als heel zwaar heeft ervaren. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat er door opsporingsambtenaren op zodanige wijze is opgetreden dat niet gezegd kan worden dat de verklaringen van [verdachte] gerelateerd in processen-verbaal van bevindingen of in processen-verbaal van verhoor, niet in vrijheid zijn afgelegd. [verdachte] heeft zich aanvankelijk steeds beroepen op zijn zwijgrecht. Uit de processen-verbaal van bevindingen van de politie blijkt dat verdachte buiten het verhoor om over de zaak is gaan praten. In dat proces-verbaal bevindt zich een neerslag van wat [verdachte] volgens de betrokken verbalisanten over de zaak heeft verklaard. De betrouwbaarheid van die verklaring kan worden getoetst aan andere bewijsmiddelen.

Onder deze omstandigheden heeft geen schending van artikel 6 lid 3 sub d van het EVRM plaatsgevonden.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 november

1997 tot en met 11 oktober 1999 te Breda en/of Etten-Leur en/of Sint

Willebrord, gemeente Rucphen en/of Hoeven, gemeente Halderberge, in elk geval

in het arrondissement Breda en/of te Amsterdam, in elk geval in het

arrondissement Amsterdam,in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, bestaande uit een duurzaam samenwerkingsverband van personen, te

weten hij, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]

en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of

[medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meer andere perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

-het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van

hoeveelheden, althans een hoeveelheid van (een) middel(en) (telkens) vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

-het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden,

althans een hoeveelheid van (een) middel(en) (telkens) vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 mei 1998

tot en met 11 oktober 1999 in het arrondissement Breda en/of te Amsterdam, in

het arrondissement Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt

en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

48,1 kilogram amfetamine en/of 50 kilogram amfetamine en/of een of meer

hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA en/of een

of meer andere middelen, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of dat/die andere

middel(en) (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

I;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2. De bewijsoverwegingen.

De raadsman heeft aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden opgemaakt dat er sprake is van deelname aan een criminele organisatie. Aan de voorwaarden van deelneming is slechts dan sprake, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 140 van het wetboek van strafrecht bedoelde oogmerk. In casu heeft verdachte niet aan deze voorwaarden voldaan en dient hij van dit feit te worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft een zodanige rol in de organisatie gespeeld dat deze mede daardoor heeft gefunctioneerd. Verdachte was een contactpersoon voor [medeverdachte 2], maakte prijsafspraken en leverde verdovende middelen af. Hij ondersteunde de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de zaaksvoering.

Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

8.3. Verzoek tot toepassing van artikel 359a lid 1 van het wetboek van strafvordering.

De raadsman heeft verzocht op grond van artikel 359a lid 1 van het wetboek van strafvordering verlaging van straf toe te passen in verband met schending van artikel 6 lid 1 en 3a en b van het EVRM, nu het volledige procesdossier pas in een zo laat stadium aan de verdediging ter beschikking is gesteld. Bovendien is pas negen maanden na de aanhouding van verdachte de dagvaarding nader omschreven. Hiermee is het recht op informatie, verankerd in laatstgenoemd artikel, geschonden.

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte reeds in een vroeg stadium duidelijk is geweest wat hem werd verweten. Op de vordering inbewaringstelling staat hetzelfde vermeld als op de tenlastelegging. De officier van justitie heeft een uitgebreid voorgeleidingsproces-verbaal overgelegd. Gedurende de voorlopige hechtenis van verdachte is het onderzoek voortgezet. Op verzoek van de verdediging is een aanzienlijk aantal getuigen gehoord. Onder deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat er schending van voornoemd artikel van het EVRM heeft plaatsgevonden.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

1. Deelnemen aan een organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Verdachte heeft gedurende een geruime periode deelgenomen aan een criminele organisatie die onder meer tot doel had het vervaardigen en het buiten het Nederlands grondgebied brengen van amfetamine en MDMA.

Verdachte is een belangrijke schakel in de organisatie geweest. Hij heeft afleveringen van verdovende middelen voor zijn rekening genomen, contacten onderhouden met afnemers en en ondersteunende werkzaamheden voor de organisatie verricht.

De georganiseerde internationale drugshandel in hard drugs is uitermate lucratief, waarbij degenen die zich hiermee inlaten zich uitsluitend door eigen winstbejag laten leiden. Verdovende middelen als amfetamine en MDMA leveren een ernstig gevaar voor de volksgezondheid op en het gebruik ervan werkt criminaliteit in de hand.

Bovendien brengt de productie van synthetische drugs ernstige milieu-schade met zich mee, nu de rest- en afvalstoffen in veel gevallen in het milieu gedumpt worden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte inzicht heeft in het laakbare van zijn handelen.

Verdachte heeft een blanco strafblad.

De rechtbank is gelet op de ernst van voornoemde feiten van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur moet worden opgelegd.

12 De overwegingen omtrent het beslag.

Het volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp:

- een personenauto[personenauto],

is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat het bewezenverklaarde is begaan met behulp van dat voorwerp, terwijl dat voorwerp aan verdachte toebehoorde.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 47, 57, 91 en 140 van het wetboek van strafrecht en de artikelen 2, 10, 13 en 14 van de Opiumwet.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij verklaart verbeurd het onder 12 omschreven voorwerp.

Dit vonnis is gewezen door mr. Renneberg, voorzitter, mr. Van Rijkom en mr. Schnitzler-Strijbos, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Oostlander-Vink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 december 2000.