Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2000:AA9119

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
90057 / KG ZA 00-565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

90057 / KG ZA 00-565 PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE BREDA

21 november 2000

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats],

e i s e r bij dagvaarding van 13 november 2000,

procureur: mr. E.C.M. Wagemakers,

advocaat: mr. F.W.P. Wolters,

t e g e n :

1. de vennootschap onder firma [gedaagde] PARTYCENTRUM DE KWINTER,

2. [gedaagde]

3. [gedaagde],

gevestigd en wonende te [woonplaats],

g e d a a g d e n,

procureur: mr. M.A. de Rade.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

de dagvaarding van 13 november 2000;

de pleitnotities van eiser en de door hem in het geding gebrachte producties;

de pleitnotities van gedaagden en de door hen in het geding gebrachte producties.

Partijen hebben hun standpunten ter terechtzitting mondeling toegelicht.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en [gedaagde].

2. Het geschil.

[eiser] vordert bij vonnis in kort geding, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen op 22 november 2000 de zaal ‘Meuzik’ in cultureel centrum “De Kwinter” aan [eiser] ter beschikking te stellen onder de tussen partijen overeengekomen voorwaarden op verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van

fl. 50.000,00 per dag of gedeelte van een dag, dat [gedaagde] in gebreke blijft terstond na de betekening van het in deze te wijzen vonnis, aan de veroordeling te voldoen, alsmede [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen

fl. 25.000,00 ten titel van voorschot op de door [gedaagde] reeds veroorzaakte en te veroorzaken schade, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

[gedaagde] heeft de vordering weersproken.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1 Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de volgende feiten:

[eiser] exploiteert een boekingskantoor en organiseert en promoot optredens voor diverse bij hem onder contract staande artiesten;

[gedaagde] is exploitant van de onderneming Partycentrum “De Kwinter” te [woonplaats] waarvan de bedrijfsomschrijving volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel luidt: “zalenverhuur, catering, bruiloften en partijen”;

[eiser] heeft eind oktober 2000 contact opgenomen met [gedaagde] met het verzoek zaalruimte ter beschikking te stellen voor een familie entertainment voorstelling voor alle leeftijden van algemene aard;

Op 26 oktober 2000 heeft [gedaagde] de zaal “Meuzik” voor 22 november 2000 aan [eiser] verhuurd voor een bedrag van fl. 500,00 met een maximum van 300 gasten;

Op 1 november 2000 stond in het weekblad Altena Nieuws een advertentie voor een optreden van Rasti Rostelli in De Kwinter te Werkendam op 22 november 2000;

Bij brief van 1 november 2000 heeft [gedaagde] de huurovereenkomst geannuleerd en aan [eiser] medegedeeld dat zij voor een optreden van Rasti Rostelli geen ruimte ter beschikking stelt.

3.2 [eiser] vordert nakoming van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst alsmede vergoeding van de door hem geleden en nog te lijden schade.

3.3 [gedaagde] betwist dat zij gehouden is tot nakoming van de huurovereenkomst. Zij voert daartoe allereerst aan dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen. Zo al een overeenkomst tot stand is gekomen dan beroept [gedaagde] zich op de nietigheid van de overeenkomst vanwege strijd met de openbare orde dan wel de goede zeden. Voorts stelt [gedaagde] dat de overeenkomst vernietigbaar is op grond van bedrog, subsidiair dwaling. Tenslotte stelt [gedaagde] dat annulering van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is op grond van de algemene voorwaarden die op de huurovereenkomst van toepassing zijn.

3.4 De President stelt voorop dat [eiser] voldoende belang heeft bij het instellen van de vordering nu voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij inkomsten zal derven indien de hypnoseshow van Rasti Rostelli op 22 november 2000 geen doorgang heeft.

Totstandkoming overeenkomst

3.5 Anders dan [gedaagde] stelt is voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] partij is bij de huurovereenkomst, nu de bevestiging van [gedaagde] van 26 oktober 2000 is gericht aan [eiser] Organisatie en Promotie. Voorts volgt uit hetgeen ter zitting is aangevoerd dat [gedaagde] en [medewerker van] eind oktober 2000 overeenstemming hebben bereikt over de huur van de zaal 'Meuzik' voor 22 november 2000. Tussen partijen is derhalve onder eerdergenoemde voorwaarden een huurovereenkomst met betrekking tot de zaal ‘Meuzik’ in Partycentrum ‘De Kwinter’ gesloten.

Nietigheid overeenkomst

3.6 [gedaagde] heeft haar stelling dat voornoemde huurovereenkomst nietig is in verband met strijdigheid met de goede zeden dan wel met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer in acht dient te worden genomen, onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft daartoe immers slechts aangevoerd dat [eiser] de essentie van de overeenkomst willens en wetens heeft verzwegen, terwijl [eiser] wist dat dit van doorslaggevend belang was voor het aangaan van de overeenkomst. Nu [eiser] zulks betwist kan deze stelling zonder nadere feitelijke onderbouwing niet tot nietigheid van de huurovereenkomst leiden.

Bedrog

3.7 [gedaagde] stelt dat [eiser] willens en wetens opzettelijk heeft verzwegen dat de zaalruimte werd gehuurd ten behoeve van de hypnoseshow van Rasti Rostelli. Volgens [gedaagde] rustte op [eiser] de plicht aan haar informatie omtrent de aard van de show te verstrekken. Of in deze sprake is van een spreekplicht van [eiser] dient beoordeeld te worden aan de hand van de verkeersopvattingen. Op voorhand is niet aannemelijk dat in deze sprake is van een spreekplicht voor [eiser] dan wel van een verzwijging te kwader trouw nu ter zitting is gebleken dat ettelijke andere zaaleigenaren in Nederland, op basis van dezelfde informatie als die aan [gedaagde] is verstrekt, aan [eiser] zaalruimte verhuren, zonder dat er problemen rijzen wanneer blijkt dat de zaalruimte is verhuurd ten behoeve van de hypnoseshow van Rasti Rostelli.

Dwaling

3.8 [gedaagde] stelt voorts dat zij bij een juiste voorstelling van zaken de huurovereenkomst niet zou hebben gesloten en dat [eiser] [gedaagde] had behoren in te lichten omtrent de aard van de show. In beginsel geldt dat geen mededelingsplicht bestaat wanneer de wederpartij er geen rekening mee behoefde te houden dat de eventueel mee te delen feiten voor de dwalende van doorslaggevend belang zijn. In dat verband is vooral van belang de ernst van het eventueel mede te delen feit, te beoordelen tegen de achtergrond van de kenbare belangen van de dwalende. Door [gedaagde] is aangevoerd dat zij bij haar programmering rekening houdt met wat bij de verschillende groeperingen van de gemeenschap van Werkendam leeft, hetgeen heeft geleid tot een bepaald programmeringsbeleid ten aanzien van de zalenverhuur. [gedaagde] stelt dat de hypnoseshow van Rasti Rostelli in ieder geval niet past in dit programmabeleid en dat [eiser] door haar geen mededeling te doen van het feit dat het om een hypnoseshow van Rasti Rostelli ging, haar haar recht op vrijheid van contracteren heeft ontnomen. Gesteld noch gebleken is echter dat [gedaagde] op enigerlei wijze aan [eiser] kenbaar heeft gemaakt een bepaald beleid ten aanzien van de verhuur van haar zalen te voeren. Door [gedaagde] zijn evenmin omstandigheden aangevoerd op grond waarvan [eiser] anderszins bekend had moeten zijn met het programmeringsbeleid van [gedaagde]. Uit hetgeen ter zitting is aangevoerd blijkt dat [eiser] bij het boeken van zaalruimte aan andere zalenverhuurders dezelfde mededelingen omtrent de show doet, als hij bij [gedaagde] heeft gedaan. Blijkens de stukken die in het geding zijn gebracht wordt de hypnoseshow van Rasti Rostelli door heel Nederland opgevoerd. [eiser] had er derhalve niet op voorhand op bedacht hoeven te zijn dat de inhoud van de hypnoseshow niet paste in het programmeringsbeleid van Partycentrum “De Kwinter”, zodat op hem geen mededelingsplicht rustte ten aanzien van de aard en inhoud van de show. Het had in deze op de weg van [gedaagde] gelegen haar recht op vrijheid van contracteren te beschermen door aan te geven dat zij een bepaald programmeringsbeleid met betrekking tot de zalenverhuur voert dan wel door door te vragen wie of wat de voorstelling op 22 november 2000 zou verzorgen.

Algemene voorwaarden

3.9 [gedaagde] stelt dat de Uniforme Voorwaarden Horeca op de huurovereenkomst van toepassing zijn. Tussen partijen staat vast dat deze voorwaarden niet mondeling zijn overeengekomen. Weliswaar verwijst de fax waarin de verhuur van de zaal wordt bevestigd naar onze leveringsvoorwaarden en is deze fax namens [eiser] ondertekend, doch niet duidelijk is of met deze leveringsvoorwaarden de Uniforme Voorwaarden Horeca worden bedoeld. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat partijen eerder zaken met elkaar hebben gedaan, is op voorhand niet aannemelijk dat de Uniforme Voorwaarden Horeca op de huurovereenkomst van toepassing zijn.

3.10 Op grond van het vorenstaande kan de vordering van [eiser] tot het ter beschikking stellen van de zaal 'Meuzik' in Partycentrum De Kwinter op 22 november 2000 worden toegewezen.

Vordering schadevergoeding

3.11 [eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door het handelen van [gedaagde] schade heeft geleden. Evenmin heeft [eiser] de hoogte van de gestelde schade onderbouwd. De vordering tot schadevergoeding zal derhalve worden afgewezen.

4. De kosten.

[gedaagde] dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding.

De President:

veroordeelt [gedaagde] de zaal ‘Meuzik’ in cultureel centrum “De Kwinter” op 22 november 2000 aan [eiser] ter beschikking te stellen onder de tussen partijen overeengekomen voorwaarden op verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van

fl. 35.000,00 per dag of gedeelte van een dag, die [gedaagde] in gebreke blijft terstond na de betekening van het in deze te wijzen vonnis, aan de veroordeling te voldoen;

verwijst [gedaagde] in de kosten van het geding en veroordeelt haar tot betaling aan eiser van de aan zijn zijde gevallen kosten, tot op heden begroot op fl. 2.181,45, waarvan fl. 1.550,00 aan procureurssalaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nollen, fungerend president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 21 november 2000, in tegenwoordigheid van mr. Bouwman, waarnemend-griffier.