Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2000:AA8657

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/2094 WET JA
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/2094 WET JA

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Veertiende kamer

Uitgesproken d.d.: 22 september 2000

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], geboren […], wonende te [woonplaats], eiser,

mr. A.V.T. de Bie te Leusden, gemachtigde,

en

de raad van de gemeente Tilburg, te Tilburg, verweerder.

1. Procesverloop:

Eiser heeft bij brief van 29 november 1999 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 september 1999, verzonden 20 oktober 1999 (hierna: het bestreden besluit).

Verweerder heeft de op deze zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij brief van 23 december 1999 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 14 augustus 2000.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. H.C.S. van Dop.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. M.J. Weerts, F. van Grinsven en B. Cornielje.

2. Beoordeling:

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.

Bij besluit van 12 april 1999 heeft verweerder besloten op grond van artikel 2 van de Wvg een aan eiser in eigendom toebehorend perceel aan te wijzen als perceel waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) van toepassing zijn. Het betreft het perceel, kadastraal bekend, gemeente [gemeente], sectie […], nummer […], groot […] m2, met de omschrijving "stallen, erf, huis en tuin". Als planologische basis voor de vestiging van dit voorkeursrecht geldt het eveneens bij besluit van 12 april 1999 vastgestelde bestemmingsplan "Heikant-Berkel Enschot".

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dat besluit, samengevat, aangevoerd dat het in geding zijnde perceel sedert 31 augustus 1998 niet meer op zijn naam staat, doch op naam van [eiser] B.V.. Eiser meent dan ook dat nu artikel 2 Wvg als eis stelt dat het voorkeursrecht schriftelijk wordt medegedeeld aan degene die in het openbaar register als rechthebbende op het perceel staat genoteerd en verweerder hieraan niet heeft voldaan, reeds om die reden de bestreden beslissing niet in stand kan blijven.

Voorts wijst eiser er op dat op het perceel een woonboerderij aanwezig is en dat hij tevens beschikt over een bouwvergunning voor een tweede (bedrijfs)woning. Met de bouw is inmiddels een aanvang gemaakt. In zoverre wordt voldaan de toegedachte bestemming van het perceel. Verweerder had deze twee woningen dan ook niet mogen aanwijzen. Voorts meent eiser dat verweerder bij het bestreden besluit onvoldoende zijn belangen heeft meegewogen. De vestiging van een voorkeursrecht brengt een aantal belemmeringen mee voor de eigenaar van een perceel en dat noopt tot een terughoudend gebruik van dit instrument, aldus eiser. Dit klemt te meer nu in het bestemmingsplan is bepaald dat niet vóór 2009 met woningbouw wordt begonnen, terwijl bovendien de omvang van de taakstelling die Tilburg heeft in het kader van de woningbouw ter discussie staat. Eiser verzoekt dan ook het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.

De rechtbank overweegt op basis van deze beroepsgronden als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg kunnen bij besluit van de gemeenteraad gronden, begrepen in een structuurplan, waarbij aanwijzingen zijn gegeven voor de bestemming, of in een bestemmingsplan, worden aangewezen als gronden, waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van toepassing zijn.

Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel komen voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid alleen in aanmerking de gronden, waaraan bij het structuurplan, onderscheidelijk het bestemmingsplan een niet-agrarische bestemming is toegedacht, onderscheidelijk is gegeven en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan.

Ingevolge artikel 2a, eerste lid, van de Wvg kan een besluit als bedoeld in artikel 8 genomen worden door de raad van een gemeente, waaraan zelfstandig of samen met andere gemeenten blijkens nationaal of provinciaal ruimtelijk beleid uitbreidingscapaciteit is toegedacht of gegeven. In gevallen waarin een zodanige capaciteit niet is toegedacht of toegekend, wordt het besluit niet genomen dan nadat van gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar is verkregen.

Tussen partijen is op zich zelf niet in geschil dat aan de gemeente Tilburg blijkens nationaal of provinciaal ruimtelijk beleid uitbreidingscapaciteit is toegedacht, als bedoeld in artikel 2a van de Wvg. Dat de omvang van de taakstelling in discussie is, laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat aan de gemeente Tilburg uitbreidingscapaciteit is toegedacht.

Verweerder was dan ook bevoegdheid een aanwijzingsbesluit te nemen.

Voor wat betreft eisers grief dat het bestreden besluit reeds niet in stand kan blijven, omdat de onjuiste rechthebbende is vernoemd, overweegt de rechtbank het volgende.

Het in geding zijnde perceel is in eigendom van [eiser] B.V.. Door in het aanwijzingsbesluit de naam van eiser als eigenaar te noemen is strikt genomen niet voldaan aan artikel 2, derde lid van de Wvg. Nu eiser evenwel directeur en grootaandeelhouder is van [eiser] B.V. en hij in die hoedanigheid op de hoogte is van de vestiging van het voorkeursrecht op eigendommen van zijn besloten vennootschap kan niet worden gezegd dat hij door de onjuiste te naamstelling in zijn belangen op enigerlei wijze is geschaad. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het bestreden besluit op die grond te vernietigen.

Voor wat betreft de in artikel 2, tweede lid van de Wvg gestelde eis dat de toegedachte - niet agrarische - bestemming afwijkt van het huidig gebruik overweegt de rechtbank het volgende.

In het bestemmingsplan "Heikant Berkel-Enschot", vastgesteld door de gemeenteraad op 12 april 1999, heeft het perceel van eiser grotendeels de bestemming "woongebied IV, uit te werken door de gemeenteraad" en voor een zeer klein gedeelte de bestemming "woongebied II, uit te werken door de gemeenteraad". Bij de uitwerking van de gronden die bestemd zijn voor woongebied IV dienen de volgende uitgangspunten te worden gehanteerd: er mogen vrijstaande, half vrijstaande en geschakelde woningen worden gebouwd tot een minimale dichtheid van 14 woningen per ha met een totaal aantal woningen van circa 245. Bij de uitwerking van de gronden die bestemd zijn voor woongebied II dient als uitgangspunt te worden gehanteerd dat gestapelde woningen mogen worden gebouwd in een open groene omgeving.

Het huidig gebruik van het perceel is agrarisch. Daarnaast moet worden vastgesteld dat op het perceel twee bedrijfswoningen staan, waarvan een nog in aanbouw is. Mede gelet op het feit dat dit bedrijfswoningen zijn, moet worden geoordeeld dat het huidig gebruik van het perceel afwijkt van de toegedachte bestemming. In zoverre wordt voldaan aan het vereiste van artikel 2, tweede lid van de Wvg.

Dit betekent niet dat verweerder zonder meer tot vestiging van het voorkeursrecht mag overgaan. Daarnaast dient een belangenafweging plaats te vinden waarbij het algemeen belang dat wordt gediend door de aanwijzing moet worden afgewogen tegen de belangen van eiser.

In dat kader is van belang dat eiser heeft gesteld dat, zo al aan de voorwaarde van artikel 2, tweede lid wordt voldaan, volstaan kan worden met een gedeeltelijke aanwijzing van zijn perceel. Immers indien zijn bedrijf - om welke reden dan ook - te zijner tijd geamoveerd wordt, blijven twee woningen over die in de toegedachte bestemming kunnen worden ingepast. Niet ontkend kan worden dat eiser er belang bij heeft die woningen te zijner tijd apart van zijn bedrijf(sgronden) te kunnen verkopen.

De rechtbank is niet gebleken dat verweerder deze belangen heeft meegewogen. Voorzover verweerder in dit verband ter zitting heeft betoogd dat een gedeeltelijke aanwijzing van een kadastraal perceel niet mogelijk is, is de rechtbank van oordeel dat deze zienswijze geen steun vindt in de Wvg. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg spreekt immers niet over kadastrale percelen, doch over gronden waarop het voorkeursrecht kan worden toegepast. Voorts wordt in de lijst van kadastrale percelen die zijn aangewezen en die van het aanwijzingsbesluit deel uit maken, naast de kadastrale grootte ook de aan te wijzen grootte vermeld.

Nu verweerder heeft nagelaten voornoemde belangen van eiser in zijn besluitvorming te betrekken, moet het bestreden besluit in strijd met artikel 3:4 tweede lid van de Awb worden geacht.

Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit komt - voorzover dit betrekking heeft op het bezwaarschrift van eiser tegen de vestiging van het voorkeursrecht op het perceel, kadastraal bekend sectie […], nummer […]- wegens strijd met voormelde wetsbepaling voor vernietiging in aanmerking.

Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiser dienen te nemen.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard is er aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Daarbij acht de rechtbank de in het dictum op te nemen proceskostenveroordeling, begroot op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, redelijk.

Voorts dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

3. Beslissing:

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiser te nemen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van ¦ 1.420,=, te vergoeden door de gemeente Tilburg;

gelast dat de gemeente Tilburg eiser het door hem betaalde griffierecht van ¦ 225,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Janssen, in tegenwoordigheid van mr. Korten als griffier, op 22 september 2000

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraak.

Afschrift verzonden d.d.:

ze