Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2000:AA7435

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/1444 WW JA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/1444 WW JA

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Veertiende kamer

Uitgesproken d.d.: 30 juni 2000

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplats], eiser

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), uitvoeringsinstelling Gak, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. Procesverloop:

Bij het primaire besluit van 22 maart 1999 heeft verweerder op grond van artikel 61 e.v. van de Werkloosheidswet (hierna: WW) aan eiser alsnog een bedrag aan achterstallige vakantietoeslag en vakantiedagen na faillissement van diens werkgever toegekend.

De bij brief van 15 april 1999 ingediende bezwaren van eiser zijn door verweerder bij besluit van 6 juli 1999 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 11 augustus 1999, aangevuld bij brief van 2 september 1999, beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft de op deze zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij brief van 25 oktober 1999 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 22 mei 2000.

Eiser is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde F. Eijmaal.

2. Beoordeling:

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.

Eiser is als oproepkracht werkzaam geweest bij [werkgever]. Na het faillissement van [werkgever] heeft verweerder bij besluit van 10 december 1997 op grond van artikel 61 e.v. van de WW de loonbetalingsverplichting ten aanzien van eiser overgenomen voor de periode van 1 juli 1997 tot en met 7 augustus 1997.

Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar aangetekend vanwege het feit dat verweerder daarbij geen vergoeding heeft toegekend voor de achterstallige vakantietoeslag en vakantiedagen. Verweerder heeft het bezwaar van eiser bij besluit van 6 mei 1998 ongegrond verklaard.

Op 18 augustus 1998 heeft eiser zich nogmaals tot verweerder gewend in verband met een verklaring van de curator d.d. 3 juli 1998, waaruit zou blijken dat in zijn uurloon geen vakantietoeslag was begrepen. Deze brief is door verweerder doorgezonden naar de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.

Bij uitspraak van 25 september 1998 heeft deze rechtbank geoordeeld dat verweerder de brief van eiser van 18 augustus 1998 had dienen aan te merken als een verzoek om terug te komen op een inmiddels onherroepelijk geworden beslissing en de brief opnieuw in handen gesteld van verweerder.

Na een nader onderzoek heeft verweerder bij besluit van 17 februari 1999 wederom geoordeeld dat eiser geen recht heeft op een vergoeding voor de achterstallige vakantietoeslag en vakantiedagen.

Naar aanleiding van een verklaring van de curator en een verklaring van het administratiekantoor heeft verweerder bij het primaire besluit alsnog een bedrag aan achterstallige vakantietoeslag en vakantiedagen toegekend. Het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ziet op het feit dat verweerder aan eiser geen wettelijke rente heeft toegekend over de periode dat de uitkering door verweerder is vastgehouden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit, samengevat, aangevoerd dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid. Eiser meent dat verweerder reeds bij het indienen van de aanvraag voor een WW-uitkering, waarbij eiser melding heeft gemaakt van het feit dat geen vakantiegeld was betaald, een onderzoek had moeten instellen naar de vakantietoeslag en de vakantiedagen. Verweerder is hierin nalatig geweest, hetgeen verweerder verweten kan worden. Eiser stelt hierdoor schade geleden te hebben en wenst die vergoed te krijgen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Een verzoek tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit kan niet in het bezwaar- of beroepschrift van eiser worden gelezen. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus dat hij meent dat de besluitvorming in strijd is met het (materiƫle) zorgvuldigheidsbeginsel, nu verweerder bij het primaire besluit heeft nagelaten rentevergoeding toe te kennen over het bedrag van de nabetaalde vakantietoeslag. Eiser meent dat hij recht heeft op rentevergoeding vanaf het moment dat hij de eerste aanvraag tot overname van loon en vakantiegeld heeft ingediend - op 10 oktober 1997 - tot aan het moment van uitbetaling.

Ten aanzien van de vraag of verweerder op grond van het (materiƫle) zorgvuldigheidsbeginsel gehouden was in dit geval aan eiser uit eigener beweging rentevergoeding toe te kennen overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 6 mei 1998, waarbij eisers bezwaren ongegrond zijn verklaard tegen het besluit van 10 december 1997 tot overname van alleen de loonvordering en niet de vakantietoeslag. Daarmee is in rechte vast komen te staan dat verweerder terecht eisers verzoek tot overname van het achterstallig vakantiegeld heeft afgewezen. De vraag of verweerder op dat moment in zijn onderzoeksplicht tekort is geschoten staat dan ook niet meer ter beoordeling van de rechtbank. Dat verweerder inmiddels op grond van door eiser ingediende verklaringen zijn eerder ingenomen standpunt heeft herzien, maakt dit niet anders. Daarmee komt niet vast te staan dat het besluit van 6 mei 1998 of het besluit van 10 december 1997 onrechtmatig is. Niet gezegd kan dan ook worden dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld.

Het beroep van eiser dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Op grond van het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing:

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Janssen, in tegenwoordigheid van mr. Korten als griffier, op 30 juni 2000

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraak.

Afschrift verzonden d.d.:

mcwh