Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2000:AA7433

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/2274 WET JA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/2274 WET JA

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Veertiende kamer

Uitgesproken d.d.: 30 juni 2000

UITSPRAAK

in het geding tussen:

Gomja B.V., te Zundert, eiseres,

mr. J.J.J. de Rooy te Tilburg, gemachtigde,

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

1. Procesverloop:

Eiseres heeft bij brief van 30 december 1999 beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 19 november 1999 (hierna: het bestreden besluit), waarbij is beslist op het bezwaarschrift van eiseres tegen het besluit van verweerder van 20 mei 1999.

Bij brief van 20 januari 2000 heeft eiseres beroep ingesteld tegen verweerders aanvulling op het bestreden besluit van 14 december 1999 (hierna: het aanvullende bestreden besluit).

Bij brief van 25 januari 2000 heeft eiseres de beroepsgronden aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 22 mei 2000.

Namens eiseres is verschenen L.F. Gommers en N. Molhoek, bijgestaan door haar gemachtigde mr. J.J.J. de Rooy.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. P.W. Verheijen en ing. A.L.M Woestenburg.

2. Beoordeling:

2.1 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.

Eiseres heeft op 14 januari 1999 bij verweerder een verzoek ingediend tot subsidieverlening op grond van de Beëindigingsregeling varkensbedrijven in de EHS (hierna: BEVAR). In het kader van de behandeling van dit verzoek is in opdracht van de Dienst Landelijk Gebied van Bureau Beheer Landbouwgronden in de provincie Noord-Brabant (hierna: DLG) een taxatierapport opgesteld. Verweerder heeft op 20 mei 1999 (hierna: het primaire besluit) een subsidiebedrag toegekend ter hoogte van f 1.947.334,-. Daarbij is de agrarische waarde van de te slopen bedrijfsgebouwen bepaald op f 1.139.514,- .

Tegen het primaire besluit heeft eiseres bij brief van 11 juni 1999 bezwaar aangetekend. Daarbij heeft eiseres onder meer gesteld dat in het taxatierapport fouten zijn geslopen.

Gelet op deze grief van eiseres heeft namens verweerder de DLG een aanvullende taxatie uitgebracht. Daarbij heeft de DLG de agrarische waarde van de gebouwen opgewaardeerd en gesteld op een bedrag van f 1.180.050,-. Ook tegen deze gewijzigde taxatie heeft eiseres bezwaar gemaakt. Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit het bezwaarschrift - voor zover hier relevant - gegrond verklaard voor zover gericht tegen de waarde van de gebouwen en daarbij bepaald dat er door de DLG een nieuwe taxatie moet worden uitgevoerd en voor het overige ongegrond verklaard.

Op 29 november 1999 is wederom in opdracht van de DLG een taxatierapport uitgebracht. Daarbij is de agrarische waarde van de bedrijfsgebouwen vastgesteld op f 826.434,- .Nadat eiseres hierop bij schrijven van 9 december 1999 heeft gereageerd, heeft verweerder ten einde eiseres niet in een slechtere positie te brengen, in het aanvullende bestreden besluit het bedrag, overeenkomend met de agrarische waarde van de bedrijfsgebouwen, vastgesteld op f 1.139.514,- (het bedrag genoemd in het primaire besluit) en in zoverre het bezwaarschrift alsnog ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit en het aanvullende bestreden besluit aangevoerd dat verweerder buiten zijn bevoegdheid is getreden door in het kader van de afhandeling van het bezwaarschrift niet slechts een hertaxatie te laten uitvoeren op de punten, die door bezwaarmaker zijn aangevoerd, maar door een geheel nieuwe integrale taxatie te laten plaatsvinden. Voorts wordt gesteld dat eiser door deze nieuwe taxatie in een slechtere positie terecht is gekomen, hetgeen in strijd is met het beginsel van reformatio in peius. Eiseres meent dat in ieder geval vaststaat dat de waarde van de bedrijfsgebouwen dient te worden gesteld op f 1.180.050,-. Verweerder had in zijn aanvullend besluit daar in ieder geval niet op terug mogen komen.

Op grond van het voorgaande wordt aan de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, de bestreden besluiten te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Verweerder stelt hier - samengevat - tegenover dat in de bezwaarschriftenprocedure er een volledige heroverweging dient plaats te vinden, die zich niet hoeft te beperken tot hetgeen in bezwaar is aangevoerd. Voorts stelt verweerder dat eiseres materieel niet in een slechtere positie is komen te verkeren, waardoor het verbod van reformatio in peius niet is geschonden.

2.2 De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het karakter van de bezwaarschriftprocedure vloeit voort dat indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven dit orgaan niet kan volstaan met (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaarschrift. In dat geval dient, behoudens het zich hier niet voordoende geval waarin enkele herroeping van het besluit voldoende is, voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats gesteld te worden. Verweerder heeft in strijd met artikel 7:11 van de Awb gehandeld door bij het bestreden besluit te volstaan met een - gedeeltelijke - gegrondverklaring van het bezwaarschrift en de opdracht een nieuwe taxatie uit te voeren. Verweerder heeft immers in zoverre geen duidelijkheid verschaft omtrent de vraag of het primaire besluit zijns inziens in stand kan blijven of niet. Met het aanvullend bestreden besluit is de besluitvorming pas afgerond. De rechtbank zal deze besluiten, gelet hierop, in samenhang toetsen, waarbij wel rekening gehouden wordt met deze gefaseerde besluitvorming en de onduidelijkheid die dit bij eiseres te weeg kan hebben gebracht.

De BEVAR is een subsidieregeling gebaseerd op de Kaderwet LNV-subsidies.

In de BEVAR is bepaald dat de minister subsisdie kan verlenen ter zake van de beëindiging van varkensbedrijven in bepaalde gebieden en onder bepaalde voorwaarden. De subsidie bestaat - kort samengevat - uit een bedrag voor het vervallen van het varkensrecht, een bedrag voor de afbraak van bepaalde bedrijfsgebouwen, overeenkomend met ¦ 80,- per vierkante meter grondoppervlakte, en een bedrag overeenkomend met de agrarische waarde van die gebouwen.

Vaststaat dat eiseres voldoet aan de voorwaarden om voor subsidie op grond van de BEVAR in aanmerking te komen.

Tussen partijen is nog slechts in geschil de agrarische waarde van de (te slopen) bedrijfsgebouwen en daarmee de hoogte van het subsidiebedrag.

Voor de bepaling van de agrarische waarde van de bedrijfsgebouwen hanteert verweerder de methode van de gecorrigeerde vervangingswaarde volgens de KWIN-normen (KWIN staat voor Kwantitatieve informatie veehouderij). Verweerder is van opvatting dat deze methode, die uitgaat van de gemiddelde economische levensduur, waarborgt dat op geobjectiveerde wijze de waardebepaling tot stand komt en er toe bijdraagt dat op uniforme wijze uitvoering wordt gegeven aan de regeling. De taxateurs die in opdracht van de DLG de taxaties verrichten zijn op basis van werkinstructies op de hoogte dat bij de taxatie met de KWIN-normen gewerkt dient te worden.

Het standpunt van verweerder om volgens deze methode de waarde van de bedrijfsgebouwen te bepalen is in beginsel noch onjuist noch onredelijk te achten.

Vastgesteld moet verder worden dat verweerder in het aanvullend bestreden besluit er van uit is gegaan dat de taxatie van de bedrijfsgebouwen door de eerste taxateurs niet heeft plaatsgevonden conform deze methode, doch dat de taxatie die is uitgevoerd door de tweede taxateur wel conform deze methode is uitgevoerd. Dit standpunt van verweerder is door eiseres op zichzelf niet bestreden. De bezwaren van eiseres zijn meer gericht tegen het feit dat verweerder na gegrondverklaring van het bestreden besluit is overgegaan tot een volledige hertaxatie en deze hertaxatie niet heeft beperkt tot de grieven die eiseres op dit punt heeft aangevoerd.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt op de grondslag van het bezwaar een heroverweging plaats.

Volgens de memorie van toelichting (MvT, PG Awb I, p.347) vloeien uit deze formulering twee gevolgen voort. In de eerste plaats moeten die onderdelen van het besluit die geheel los van de aangevoerde bezwaren staan in beginsel buiten beschouwing blijven. In de tweede plaats mag het bezwaarschrift er niet toe leiden dat het bestuursorgaan de heroverweging gebruikt om een verslechtering van de positie van de indiener te bereiken die zonder bezwaarschriftprocedure niet mogelijk zou zijn. Dat betekent dat het bestuursorgaan het besluit, voor azover het door het bezwaarschrift wordt bestreden moet heroverwegen en moet nagaan of dit tot een voor de indiener gunstiger resultaat dient te leiden.

Nu eiseres in bezwaar grieven heeft geuit tegen de wijze waarop de taxatie is uitgevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder door het laten uitvoeren van een hertaxatie in het kader van de bezwaarschriftprocedure, op zichzelf niet buiten de grondslag van het bezwaar is getreden. Voorts heeft verweerder in zijn aanvullend bestreden besluit terecht als uitgangspunt gehanteerd dat eiseres door die hertaxatie niet in een slechtere positie mag komen te verkeren. De vraag die daarbij beantwoord dient te worden is van welk bedrag hierbij uitgegaan dient te worden: het bedrag dat in het primaire besluit is genoemd, te weten f 1.139.514,-, of het bedrag dat in het bestreden besluit is genoemd, te weten f 1.180.050,-.

Gelet op de gefaseerde besluitvorming, waarbij de hertaxatie heeft plaats gevonden ná het bestreden besluit, de wijze waarop verweerder in het bestreden besluit zijn conclusie heeft geformuleerd ("Voorts verklaar ik uw bezwaarschrift gegrond voor zover het is gericht tegen de waarde van de gebouwen.") en het feit dat verweerder in het bestreden besluit ten aanzien van de gemaakte herberekening door de taxateurs, waarbij het bedrag van f 1.180.050,- is genoemd geen enkel voorbehoud heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat eiseres er van uit mocht gaan dat de agrarische waarde van de gebouwen in ieder geval op dit bedrag was bepaald.

Verweerder heeft dan ook door in het aanvullend bestreden besluit van een lagere waarde uit te gaan gehandeld in strijd met het beginsel van reformatio in peius.

2.3 Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient in samenhang met het aanvullend bestreden besluit te worden vernietigd.

Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiseres dienen te nemen.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard is er aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De rechtbank acht daarbij de in het dictum op te nemen proceskostenveroordeling, begroot op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, redelijk.

Voorts dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

3. Beslissing:

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit en het aanvullende bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van f 1420,- te vergoeden door verweerder;

gelast dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht van f 450,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Janssen, in tegenwoordigheid van mr. Willemse als griffier, op 30 juni 2000

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraak.

Afschrift verzonden d.d.:

mcwh