Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2000:AA7012

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
28-08-2001
Zaaknummer
99/1351 WOB AN
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/1351 WOB AN

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Veertiende kamer

Uitgesproken d.d.: 30 juni 2000

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

mr. H. van Drunen te Utrecht, gemachtigde,

en

de burgemeester van de gemeente Tilburg, te Tilburg, verweerder.

1. Procesverloop:

Namens eiser is bij brief van 27 juli 1999 beroep ingesteld tegen verweerders beslissing op bezwaar van 5 juli 1999 (hierna: bestreden besluit).

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij brief van 23 augustus 1999 een verweerschrift ingediend.

Bij beslissing van 1 september 1999 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald, dat het gerechtvaardigd is dat kennisneming van de niet geanonimiseerde versie van de in het geding zijnde stukken waarvan inzage gedeeltelijk is geweigerd, is beperkt tot kennisneming door de rechtbank.

Namens eiser is bij brief van 3 september 1999 toestemming verleend mede op grondslag van deze stukken uitspraak te doen.

Het beroep is behandeld ter zitting van 14 december 1999.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H. van Drunen als gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.P. de Gier.

2. Beoordeling:

Namens eiser is bij brief van 18 maart 1999 aan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB) verzocht om "een afschrift van enkele stukken die betrekking hebben op het 'uitlekken' van een gemeentelijke nota over 'de Turkse gemeenschap' in Tilburg".

Meer in het bijzonder is verzocht om de volgende stukken:

a. een bericht in het Brabants Dagblad (datum onbekend) over deze nota

b. een tweetal brieven aan een als [bezwaarde] aangeduide bezwaarde die ervan verdacht wordt/werd deze nota aan het Brabants Dagblad ter beschikking te hebben gesteld en naar wie in bijgevoegd artikel wordt verwezen;

c. het bezwaarschrift van [bezwaarde] tegen een ontwerp-bestemmingsplan met eventuele bijlagen;

d. een brief aan gemeenteraadsleden over het 'uitlekken' van deze nota;

e. alle verslagen van raadsvergaderingen, commissievergaderingen etc. over deze nota en alle gevolgen van deze nota.

Bij brief van 1 april 1999 is dit verzoek door verweerder gehonoreerd met uitzondering van de onder b en c genoemde documenten. In het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene is de naam en het adres van [bezwaarde] onleesbaar gemaakt.

Bij brief van 10 april 1999 is namens eiser bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de weigering naam en adres van [bezwaarde] openbaar te maken.

Bij brief van 26 april 1999 is namens de Commissie voor de Bezwaarschriften aan [bezwaarde] gevraagd of er bezwaar bestaat tegen het prijsgeven van deze gegevens.

Bij brief van 28 april 1999 heeft [bezwaarde] deze vraag in bevestigende zin beantwoord.

Het bezwaarschrift is aan de orde gesteld tijdens een hoorzitting van 11 juni 1999, waar eiser noch diens raadsman is verschenen.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder het volgende overwogen:

"Op grond van het bepaalde in artikel 10 tweede lid sub e. van de Wet Openbaarheid van Bestuur blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet op weegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. In het onderhavige geval is de gevraagde informatie verstrekt met uitzondering van de naam en het adres van de persoon, die in verband met het uitlekken van de nota over de Turkse gemeenschap in Tilburg werd gebracht. Dat betrokkene in dit kader een rol heeft gespeeld is op geen enkele wijze bewezen. Door thans in dit kader zijn naam en adres dan toch te verstrekken zou hij in een kwaad daglicht gesteld worden. Gelet daarop ben ik van mening, dat de persoonlijke levenssfeer van betrokkene in het geding is bij de gevraagde verstrekking. Daaraan doet niet af dat één van de stukken in een openbare hoorzitting aan de orde is geweest, althans aan betrokkene de gelegenheid is gegeven dit stuk toe te lichten; de context waarin het verzoek om informatie thans gedaan wordt is een heel andere dan die waarin het betreffende bezwaarschrift is ingediend. Wat op dat moment een neutraal gegeven was -naam en adres van de bezwaarmaker- is dat, gezien de koppeling die thans gemaakt wordt met het uitlekken van de nota, niet meer.

Met betrokkene is door mij in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift nog contact opgenomen en gebleken is dat deze er ernstig bezwaar tegen heeft dat de gevraagde gegevens openbaar worden.

Het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer weegt naar mijn mening in dit geval ruimschoots op tegen het belang dat gemoeid is met verstrekking van de gevraagde informatie.

Gelet daarop blijf ik in heroverweging van mening, dat openbaarmaking van naam en adres van betrokkene achterwege dient te blijven en de betreffende passages derhalve terecht onleesbaar zijn gemaakt.".

In beroep heeft eiser, samengevat, aangevoerd, dat het belang dat hij heeft gesteld te hebben bij het verkrijgen van de gevraagde documenten in strijd met de geest en vaste rechtspraak tegen hem wordt gebruikt, dat het bezwaarschrift van [bezwaarde] een openbaar stuk is, dat verweerder ten onrechte het verstrekken van informatie ingevolge de WOB achterwege heeft gelaten op grond van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [bezwaarde] en dat het bestreden besluit niet in overeenstemming met de wettelijke regels over de behandeling van het bezwaar tot stand is gekomen. Tot slot is namens eiser ter zitting de vraag opgeworpen of het bestreden besluit bevoegd door verweerder is genomen voor zover het verzoek betrekking heeft op het door [bezwaarde] ingediende bezwaarschrift.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de WOB, voor zover hier van belang, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan.

Ingevolge het derde lid van artikel 3 van de WOB wordt het verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de WOB. In artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de WOB is, voor zover hier van belang, bepaald dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Tussen partijen is niet in geschil dat de in geding zijnde stukken, te weten een als bezwaarschrift aangeduide zienswijze van [bezwaarde] tegen een ontwerp-bestemmingsplan (hierna: bezwaarschrift) en een tweetal brieven van verweerder aan [bezwaarde], zijn aan te merken als documenten over een bestuurlijke aangelegenheid. Deze bestuurlijke aangelegenheid kan nader worden aangeduid als het onderzoek door verweerder naar het 'uitlekken' van een op verzoek van verweerder opgestelde ambtelijke nota over 'de Turkse gemeenschap in Tilburg'. Ook de rechtbank gaat bij de beoordeling van dit geschil daarvan uit. Evenmin is in geschil dat verweerder bevoegd was een beslissing te nemen over de openbaarmaking van de brieven die hij in deze aangelegenheid aan [bezwaarde] heeft geschreven.

Naar aanleiding van de namens eiser ter zitting aan de orde opgeworpen vraag met betrekking tot de bevoegdheid van verweerder tot het nemen van het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het bezwaarschrift van [bezwaarde] overweegt de rechtbank als volgt.

Ter zitting is namens verweerder verklaard dat het onderhavige verzoek om verstrekking van informatie betreffende de drie documenten, dat was gericht tot het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, ter afhandeling in handen is gesteld van verweerder. Daarbij is er meer in het bijzonder op gewezen dat verweerder binnen het College als portefeuillehouder verantwoordelijk is voor algemene bestuurszaken. In die kwaliteit was verweerder ook belast met de afhandeling van de onderhavige bestuurlijke aangelegenheid. Gelet op deze toelichting acht de rechtbank aannemelijk dat ook het bezwaarschrift van [bezwaarde] bij verweerder berustte.

Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden staande gehouden dat verweerder niet bevoegd was een beslissing te nemen op eisers verzoek om informatie voor zover dat betrekking had op het bezwaarschrift [bezwaarde].

Met betrekking tot de grief van eiser dat verweerder in het kader van de WOB een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt, overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste rechtspraak dient bij toetsing aan de in artikel 10, tweede lid, van de WOB neergelegde (relatieve) weigeringsgronden te worden bezien of het algemene belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van de gevraagde stukken opweegt tegen de in de onderscheidene artikelonderdelen genoemde belangen. Eiser behoeft zijn specifieke belang bij openbaarmaking van de documenten dus niet aan te tonen.

De rechtbank acht in dit verband van belang dat eiser zijn verzoek om informatie heeft gedaan in de context van het onderzoek naar het uitlekken van de hierboven genoemde vertrouwelijke nota. Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij onmiskenbaar sprake van een koppeling tussen de gevraagde documenten en het uitlekken van die nota. Wanneer immers naam en adres van [bezwaarde], van wie onbewezen is dat hij verantwoordelijk is voor dit uitlekken, openbaar zouden worden gemaakt, wordt de persoon van [bezwaarde] in verband gebracht met het uitlekken van die nota. Verweerder heeft er verder op gewezen dat [bezwaarde] met klem - en genoegzaam gemotiveerd - heeft verzocht zijn naam niet prijs te geven.

Onder deze omstandigheden overweegt de rechtbank dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van openbaarmaking van naam en adres van [bezwaarde] niet opweegt tegen het belang van [bezwaarde] op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Eiser heeft voorts als grief tegen het bestreden besluit naar voren gebracht dat het bezwaarschrift van [bezwaarde] destijds in het openbaar is behandeld en dat daarbij ook diens naam en adres zijn gepubliceerd. Eiser is kennelijk van opvatting dat verweerder thans in het kader van de onderhavige bestuurlijke aangelegenheid deze gegevens openbaar dient te maken.

De rechtbank onderschrijft deze opvatting van eiser niet. Vaststaat dat het bezwaarschrift is ingediend in het kader van de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan 'Moskee Wandelboslaan' en dat in het raadsvoorstel de bezwaren van de verschillende bezwaarmakers zijn samengevat. Het enkele feit dat indertijd (ook) het bezwaarschrift van [bezwaarde] in het kader van die procedure in het openbaar is behandeld, ontslaat verweerder niet van de verplichting in het kader van de beoordeling van het onderhavige op de WOB gebaseerde verzoek van eiser de in artikel 10 van deze wet voorgeschreven afweging te maken tussen enerzijds het belang van openbare informatie en anderzijds het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [bezwaarde]. Deze grief slaagt dus niet. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat verweerder bij de behandeling van het bezwaar van eiser heeft gehandeld in strijd met bepalingen van de Awb.

Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing:

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Zeijen, in tegenwoordigheid van mr. Oudkerk als griffier, op 30 juni 2000.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraak.

Afschrift verzonden d.d.:

ab