Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2000:AA6778

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-06-2000
Datum publicatie
21-01-2002
Zaaknummer
00/84 NABW VI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De door eiseres gesloten verzekering i.c. niet minder adequaat; geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in art. 14.1 Abw.

Gedeeltelijke honorering van verzoek om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand in de vorm vergoeding van de kosten van een tandprothese. Verweerder heeft overwogen dat hierbij rekening is gehouden met de vergoeding die zou zijn verstrekt indien eiseres de aanvullende verzekering "Basis Tand" zou hebben afgesloten.

Rechtbank: Eiseres heeft als gevolg van de wijziging van de ZFW per 01-01-1995 een Aanvullende verzekering Plus afgesloten. In deze aanvullende ziektekostenverzekering zijn op dat moment de kosten voor een tandprothese opgenomen.

Per 01-01-1997 is de ZFW wederom gewijzigd. Vanaf dat moment worden de kosten van een tandprothese gedeeltelijk (75%) vergoed door het ziekenfonds. Indien eiseres de aanvullende verzekering "Basis Tand" zou hebben afgesloten zou 50% van de resterende 25% worden vergoed. Echter voor de Rechtbank staat vast dat eiseres, i.v.m. het bereiken van de 65-jarige leeftijd, in 1997 geen wijziging meer heeft kunnen aanbrengen in het door haar gekozen pakket van aanvullende verzekering. Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of eiseres per 01-01-1995 een verantwoorde keuze heeft gemaakt voor wat betreft de aanvullende verzekering. Naar het oordeel van de Rechtbank dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. Daarbij heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat tijdens de zitting door de gemachtigde van eiseres onweersproken is gesteld dat de door eiseres destijds afgesloten aanvullende verzekering alstoen een ruimere dekking (in de zin van hogere bedragen) bood voor de kosten als hier aan de orde dan de dekking die toen geboden werd door de aanvullende verzekering "Basis Tand". Voorts heeft de Rechtbank in haar overwegingen betrokken dat eiseres zich bij het maken van de keuze voor een van de door de CZ-groep aangeboden aanvullende verzekeringen zich door een medewerker van de CZ-groep heeft laten adviseren.

Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres dan ook niet worden tegengeworpen dat de door haar gesloten verzekering naar de stand van zaken thans minder adequaat te noemen is. In die zin kan er dan ook geen sprake zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en komt het bestreden besluit wegens het ontbreken van een toereikende grondslag voor vernietiging in aanmerking.

Beroep gegrond.

College van burgemeester en wethouders van Tilburg, verweerder.

mr. Vincent

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 7, geldigheid: 2000-06-27
Algemene bijstandswet 14, geldigheid: 2000-06-27
Algemene bijstandswet 17, geldigheid: 2000-06-27
Algemene bijstandswet 39, geldigheid: 2000-06-27
Ziekenfondswet, geldigheid: 2000-06-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/84 NABW VI

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Veertiende kamer

Uitgesproken d.d.: 27 juni 2000

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A, geboren […] 1930, wonende te B, eiseres,

L.A.L. Maes te Tilburg, gemachtigde,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, te Tilburg, verweerder.

1. Procesverloop:

Bij brief van 17 januari 2000 heeft eiseres beroep doen instellen bij deze rechtbank tegen verweerders besluit van 2 december 1999, verzonden 7 december 1999 (hierna: bestreden besluit).

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres tegen verweerders primaire besluit van 16 juni 1999, houdende gedeeltelijke tegemoetkoming aan het verzoek van eiseres haar bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) te verlenen in de kosten van tandheelkundige hulp, ongegrond verklaard en is het primaire besluit gehandhaafd.

Verweerder heeft de op deze zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en bij brief van 14 februari 2000 verweer gevoerd.

Bij brief van 4 mei 2000 heeft de gemachtigde van eiseres de gronden van het beroep aangevuld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 mei 2000.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde

L.A.L. Maes.

Verweerder is, daartoe opgeroepen, verschenen bij gemachtigde G. Goes.

2. Beoordeling:

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.

Eiseres, geboren op […] 1930, heeft middels een daartoe strekkend aanvraagformulier, door haar gedateerd op 27 mei 1999, bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een tandprothese. Door de Zorgverzekeraar CZ-groep (hierna: CZ-groep) zijn 75% van de totale kosten van de tandprothese vergoed. Bijzondere bijstand wordt verzocht ter vergoeding van de resterende 25% van de kosten. CZ-groep kent de mogelijkheid om de aanvullende verzekering "Basis Tand" af te sluiten op grond waarvan de helft van de resterende kosten worden vergoed. Eiseres heeft deze aanvullende verzekering niet afgesloten.

Bij primair besluit van 16 juni 1999 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand gedeeltelijk gehonoreerd in die zin dat aan eiseres bijzondere bijstand is verleend voor de helft van de te haren laste komende 25% van de totale kosten. Haar is bijzondere bijstand verleend voor f 181,94. Hierbij heeft verweerder overwogen dat bij de vaststelling van het bedrag voor bijzondere bijstand rekening is gehouden met de vergoeding die zou zijn verstrekt indien eiseres de aanvullende verzekering "Basis Tand" zou hebben afgesloten.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar doen maken. Daarbij is in hoofdzaak aangevoerd dat eiseres op het moment dat de tandheelkundige hulp in het kader van de Ziekenfondswet beperkt werd (januari 1995) de aanvullende verzekering Plus heeft afgesloten doch dat door nadien opgetreden wijzigingen in het verstrekkingenpakket die verzekering thans minder adequaat is voor de aard van de hier aan de orde zijnde kosten dan de verzekering "Basis Tand".

Op 30 september 1999 is eiseres omtrent haar bezwaren gehoord. Tijdens de hoorzitting is namens eiseres nog gesteld dat zij in verband met haar leeftijd na 1995 geen wijziging meer in haar aanvullende verzekering heeft kunnen aanbrengen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe is, samengevat, overwogen dat de door eiseres afgesloten verzekering, in tegenstelling tot de verzekering "Basis Tand", geen uitgebreide aanvullende dekking biedt.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft eiseres, samengevat, doen aanvoeren dat:

- geconcludeerd moet worden dat eiseres door het niet afgesloten hebben van de aanvullende verzekering "Basis Tand" tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt verweten;

- eiseres op het moment dat zij koos voor de aanvullende Plusverzekering, koos voor een hogere vergoeding voor gebitsprotheses dan toen in de aanvullende verzekering "Basis Tand" was voorzien;

- latere wijzigingen in het verzekeringspakket eiseres niet kunnen worden tegengeworpen nu zij nadien niet meer in staat was een andere verzekering af te sluiten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 7, eerste lid, van de Abw bepaalt dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Bij artikel 39, eerste lid, van de Abw is bepaald dat onverminderd hoofdstuk II van die wet (het recht op bijstand) de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand heeft voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de Abw en de aanwezige draagkracht.

De beide artikelen in hun onderlinge samenhang voorzien derhalve in een recht op bijzondere bijstand voor het gezin of de alleenstaande die zich als gevolg van bijzondere, individuele omstandigheden gesteld zien voor noodzakelijke bestaanskosten waarin de algemene bijstand niet voorziet en welke de draagkracht te boven gaan.

In artikel 17, eerste lid, van de Abw is bepaald dat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Abw strekt het recht op bijstand zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

In artikel 17, derde lid, van de Abw is bepaald dat in afwijking van het eerste en tweede lid, burgemeester en wethouders voor de aldaar bedoelde kosten bijstand kunnen verlenen indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn.

In artikel 14, eerste lid, van de Abw is bepaald dat indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (...) burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.

Verweerder heeft met betrekking tot zijn bevoegdheid inzake het toekennen van bijzondere bijstand beleid vastgesteld, welk beleid is opgenomen in het zogenaamde Werkboek van de Sector Sociale Zaken van verweerders gemeente.

In hoofdstuk 4, afdeling 2, van het Werkboek is onder meer bepaald dat de aanvullende (tandarts)verzekeringen voorliggende voorzieningen zijn en dat indien bijstand wordt gevraagd in kosten die normaliter voor rekening komen van de aanvullende (tandarts)verzekering, maar in het onderhavige geval niet omdat verzoeker geen aanvullende (tandarts)verzekering heeft afgesloten, bijstand wordt verleend voor het deel waarvoor bijstand verleend zou worden als cliënt wel een aanvullende (tandarts)verzekering zou hebben afgesloten. Het niet afsluiten van de hier bedoelde aanvullende verzekeringen wordt aangemerkt als een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan en de bijstandsverlening dient dan ook daarop te worden afgestemd.

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, waarbij de gedeeltelijke toekenning van bijzondere bijstand is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

Tussen partijen is niet in geschil dat de hier aan de orde zijnde kosten voor tandheelkundige hulp in principe voor vergoeding via de bijzondere bijstand in aanmerking komen. Het geschil spitst zich dan ook toe op de hoogte van de middels bijzondere bijstand te vergoeden kosten.

Eiseres heeft als gevolg van de wijziging van de Ziekenfondswet per 1 januari 1995 een Aanvullende verzekering Plus afgesloten. In deze aanvullende ziektekostenverzekering zijn op dat moment de kosten voor een tandprothese opgenomen.

Per 1 januari 1997 is de Ziekenfondswet wederom gewijzigd. Vanaf dat moment worden de kosten van een tandprothese gedeeltelijk (75%) vergoed door het ziekenfonds. Indien eiseres de aanvullende verzekering "Basis Tand" zou hebben afgesloten zou 50% van de resterende 25% worden vergoed.

Echter voor de rechtbank staat vast dat eiseres, in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd, in 1997 geen wijziging meer heeft kunnen aanbrengen in het door haar gekozen pakket van aanvullende verzekering.

Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of eiseres per 1 januari 1995 een verantwoorde keuze heeft gemaakt voor wat betreft de aanvullende verzekering. Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat tijdens de zitting door de gemachtigde van eiseres onweersproken is gesteld dat de door eiseres destijds afgesloten aanvullende verzekering alstoen een ruimere dekking (in de zin van hogere bedragen) bood voor de kosten als hier aan de orde dan de dekking die toen geboden werd door de aanvullende verzekering "Basis Tand". Voorts heeft de rechtbank in haar overwegingen betrokken dat eiseres zich bij het maken van de keuze voor een van de door de CZ-groep aangeboden aanvullende verzekeringen zich door een medewerker van de CZ-groep heeft laten adviseren.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank eiseres dan ook niet worden tegengeworpen dat de door haar gesloten verzekering naar de stand van zaken thans minder adequaat te noemen is. In die zin kan er dan ook geen sprake zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en komt het bestreden besluit wegens het ontbreken van een toereikende grondslag voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren.

Nu het beroep gegrond zal worden verklaard ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot het in het dictum vermelde bedrag en zal de rechtbank gelasten dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht wordt vergoed.

Voor wat betreft het verzoek toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (schadevergoeding) is de rechtbank van oordeel dat verweerder, indien hij een nieuw besluit neemt op de bezwaren van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, bij de voorbereiding daarvan tevens aandacht dient te schenken aan de vraag in hoeverre er aanleiding bestaat schade te vergoeden. Zonodig dient daarover een zelfstandig besluit te worden genomen.

3. Beslissing:

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van f 1.420,- te vergoeden door de gemeente Tilburg;

gelast dat de gemeente Tilburg eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van f 60,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Vincent, in tegenwoordigheid van mr. Vonk als griffier, op 27 juni 2000

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraak.

Afschrift verzonden d.d.:

jk