Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2000:AA5611

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-04-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
82307/KG ZA 00-150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Tabakswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2000, 119
JAR 2000/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

82307/KG ZA 00-150 PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTS-

RECHTBANK TE BREDA

25 april 2000

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te Breda,

e i s e r e s bij dagvaarding van 27 maart 2000,

procureur: mr. R.A.H. Post,

advocaat : mr. J.F. Roth,

t e g e n :

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KONINKLIJKE PTT POST B.V.,

statutair gevestigd te 's-Gravenhage, mede kantoorhoudende te Breda,

g e d a a g d e ,

procureur: mr. M.C. de Regt,

advocaat : mr. R.A.A. Duk te 's-Gravenhage.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding;

- de pleitnota van mr. Roth;

- de akte van de zijde van eiseres, hierna ook te noemen [eiseres], houdende overlegging van producties;

- de pleitnota van mr. Duk en de door gedaagde, hierna ook te noemen de PTT in het geding gebrachte producties.

2. Het geschil.

[eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad dat de PTT zal worden veroordeeld:

Primair:

Tot invoering, binnen veertien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, van een algeheel rookverbod op de vestiging van de PTT aan de Slingerweg 7 te Breda, met uitzondering van een daartoe aangewezen rokersruimte waar niet-rokers geen last hebben van de tabaksrook;

Subsidiair:

Tot invoering op de vestiging van de PTT aan de Slingerweg 7 te Breda, binnen veertien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, van een rookverbod in de zaal (sorteerruimte) waarin zij werkt, de gangen in het

gebouw en de kantine die voor het personeel ter beschikking staat;

een en ander op straffe van een dwangsom van ¦.1.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat de PTT de te geven veroordeling niet nakomt.

De PTT heeft de vordering bestreden.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor:

3.1

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- Sedert 1 februari 1988 is [eiseres] in dienst bij de PTT. Zij is werkzaam in de functie van (voltijds) postbesteller in het postsorteercentrum aan Slingerweg 7 te Breda.

- De werkzaamheden van [eiseres] bestaan onder meer uit het voorsorteren en verwerken van post, waaronder ook aangetekende brieven en pakjes. Dit onderdeel kost gemiddeld ongeveer 5 uren arbeid per dag.

- Het overgrote deel van deze werkzaamheden verricht zij in een grote sorteerruimte, tezamen met nog een aantal collega postbestellers, van wie een niet onaanzienlijk deel tabaksartikelen rookt.

- [Eiseres] heeft zich over het roken door haar collega's al vanaf januari 1993 regelmatig bij haar werkgever beklaagd en verzocht afdoende maatregelen te nemen om haar te vrijwaren van tabaksrook in haar werkomgeving.

- Gepoogd is om, onder meer in (werk)overlegvergaderingen, tot afspraken met collega-rokers te komen omtrent het (niet) roken.

- Sinds 24 februari 1997 werkt [eiseres] in een speciaal ten behoeve van haar door kasten gecreëerde werkplek in genoemde grote sorteerruimte. Boven deze kasten is nog veel ruimte tot aan het plafond. Voor dit gedeelte van de grote sorteerzaal heeft de PTT een rookverbod ingesteld.

- Elders in het sorteercentrum geldt nog een rookverbod in het damestoilet. In de kantine geldt een rookverbod van 11.30 tot 13.30 uur.

- Bij brief van 9 februari 2000 aan de PTT heeft [eiseres] verzocht gestalte te geven aan een effectief rookbeleid, door het rookvrij maken van de werkruimtes, uitgezonderd een daartoe aangewezen ruimte waar niet-rokers geen last hebben van de rook.

- Bij brief van 24 februari 2000 heeft de PTT daar afwijzend op gereageerd.

3.2

[Eiseres] stelt dat, ook los van haar persoonlijke overgevoeligheid voor tabaksrook, van de PTT als goed werkgever vergaande maatregelen op de werkvloer mogen worden verwacht, primair in de vorm van een absoluut rookvrije werkomgeving, zulks ter invulling van haar verplichtingen op grond van het arbeidsrecht en de Arbowet om zorg te dragen voor een veilige werksituatie en een werkplek waar zij, en andere niet-rokende collega's, zonder gevaar voor de eigen gezondheid hun werkzaamheden kunnen uitoefenen.

Met betrekking tot de gezondheidsrisico's van het zogenaamde meeroken door niet-rokers heeft [eiseres] onder meer verwezen naar de Tabakswet en naar conclusies van wetenschappelijke onderzoeken.

3.3.

De PTT heeft aangevoerd dat zij met de hiervoor genoemde door haar genomen maatregelen in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de wensen van [eiseres], en dat, om hierna nader te bespreken redenen, afwijzing van de vordering zou behoren te volgen.

3.4 Algemeen aanvaard uitgangspunt, tevens basis voor de wetgeving ten aanzien van de bescherming van de niet-roker in de Tabakswet uit 1989, is dat roken de gezondheid bedreigt en dat ook niet-rokers gezondheid-schade of hinder ondervinden van het roken door anderen in hun omgeving, in het bijzonder wanneer zij lijden aan aandoeningen van de ademhalingswegen.

3.5 In 1999 heeft de regering ingediend het Voorstel van Wet tot wijziging van de Tabakswet (Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26472). Dit is in behandeling bij de Tweede Kamer. De regering neemt hierin als uitgangspunt voor nadere wetgeving dat voor tabaksrook geen waarden voor maximaal aanvaarde concentraties zijn bepaald, dit in tegenstelling tot vele andere toxische stoffen in de lucht. De conclusie van het rapport van de Gezondheidsraad, overgelegd door eiseres, inhoudend dat voor blootstelling aan een kankerverwekkende stof als tabaksrook geen veilige ondergrens is te geven, wordt daarmee door de regering overgenomen.

In dit kort geding wordt deze conclusie ook gevolgd en als uitgangspunt genomen.

Dit gegeven vormde voor de regering aanleiding om in genoemd wetsvoorstel de Tabakswet aan te scherpen. Het wetsvoorstel schept de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) werkgevers te verplichten "zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat zijn hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder en overlast van roken door collega's te ondervinden".

3.6 Het recht op bescherming van de lichamelijke integriteit, de gezondheid, is een grondrecht, neergelegd in de Grondwet. Het werkt uiteraard door in het arbeidsrecht. Artikel 7:658 lid 1 BW legt aan een werkgever de verplichting op om de lokalen waarin hij arbeid doet verrichten op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet legt de werkgever de verplichting op de arbeid zodanig te organiseren en de arbeidsplaatsen zodanig in de richten dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de gezondheid van de werknemer.

In artikel 4.9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voorge-

schreven dat doeltreffende maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat werknemers bij hun arbeid kunnen worden blootgesteld aan stoffen in zodanige mate dat schade kan worden toegebracht aan hun gezondheid of aan de werknemers hinder kan worden veroorzaakt. Lid 2 en 3 van dit artikel geven nadere regels over de volgorde waarin de werkgever maatregelen moet nemen. Begonnen moet worden met onder meer organisatorische maatregelen die het gevaar bij de bron voorkomen. Pas indien dit niet doeltreffend kan mogen andere maatregelen, bijvoorbeeld afvoer van verontreinigde lucht, aan de orde komen.

3.7 Gelet op het genoemde gevaar van tabaksrook voor de gezondheid leggen deze wetsbepalingen aan de werkgever de verplichting op om te waarborgen dat niet-rokende werknemers zich tijdens hun werkzaamheden en pauzes bevinden in een omgeving die geheel vrij is van tabaksrook. Er is immers geen veilige ondergrens. Het gevaar moet primair aan de bron worden aangepakt, door een organisatorische maatregel. Een algeheel rookverbod is daartoe geschikt en in het algemeen aangewezen binnen kantoorgebouwen. De werkgever kan daar-aan niet tegenwerpen de wens van andere werknemers die wel roken, omdat deze rokers de gezondheid van de niet-rokers behoren de respecteren.

3.8 Aan deze verplichting voldoet de PTT in het postsorteercentrum aan de Slingerweg niet. De werkplek van [eiseres] in de grote sorteerruimte is niet werkelijk afgescheiden van de rokende collega's daar.

Dat de luchtverversingsinstallatie het risico wegneemt dat zij wordt blootgesteld aan tabaksrook van anderen is niet bevrijdend voor de PTT, maar bovendien niet aannemelijk. Technische rapportage die dit zou kunnen bewijzen is door de PTT niet overgelegd. Ten slotte wordt [eiseres] ook blootgesteld aan de tabaksrook van collega's in vrijwel alle andere ruimten van het sorteercentrum op vrijwel alle tijden.

3.9 De bescherming van de gezondheid is een belang wat naar zijn aard spoedeisend is. Dit geldt in zijn algemeenheid. Voor [eiseres] geldt bovendien nog dat op basis van de overgelegde producties voldoende aannemelijk is dat zij behoort tot de extra kwetsbare groep die buiten-gewone gezondheidsklachten en hinder ondervindt door tabaksrook.

Spoedeisend belang bij een voorziening die uitvoering geeft aan de verplichting van de werkgever is daarom aanwezig.

3.10 De primaire vordering behelst een algeheel rookverbod op de vestiging van de PTT aan de Slingerweg 7 in Breda, met uitzondering van een daartoe aangewezen rokersruimte, waarvan niet-rokers geen last hebben.

De PTT heeft aangevoerd dat deze variant van een rookbeleid te ver gaat. De PTT heeft echter op geen enkele wijze aangegeven welke andere, op de bron gerichte organisatorische maatregelen voor deze bedrijfsruimte aan de Slingerweg te bedenken zijn die toch recht doen aan genoemd uitgangspunt voor de bescherming van de niet-rokers.

3.11 Uit de overgelegde foto's van de grote sorteerruimte, en de plattegrond van het gebouw, wordt duidelijk dat het hier gaat om een normaal kantoorgebouw van niet al te grote omvang. Aannemelijk is dat [eiseres] tijdens haar werk op alle plaatsen daarin weleens zal komen. Op sommige plaatsen vaak, op andere misschien minder, maar deze frequentie is niet van belang. Hetzelfde geldt voor al haar niet-rokende collega's.

Dit geeft voldoende rechtvaardiging om in dit geval de primair gevraagde voorziening als een proportionele en redelijke aan te merken. De PTT dient immers rekening te houden met het gezondheidsbelang van alle niet-rokende werknemers ook al treedt er slechts één naar voren als eisende partij in kort-geding.

3.12 De PTT heeft gesteld dat toewijzing van deze vordering haar ertoe zou verplichten in strijd met artikel 27 lid 1 van de Wet op de Ondernemingsraden te handelen. Zou er al enige verplichting voor haar bestaan dan zou deze beperkt moeten worden tot het voorleggen van een voorstel voor een regeling van een rookverbod aan de betrokken Ondernemingsraad.

Deze stellingname is niet juist. De Wet op de Ondernemingsraden laat onverlet de bevoegdheid van de burgerlijke rechter om een gebod als dit op te leggen aan een werkgever. Dit gebod is niet onderworpen aan de goedkeuringseis van de Ondernemingsraad.

De PTT en de bevoegde Ondernemingsraad zijn tot heden ruime tijd tekortgeschoten in hun rookbeleid in het pand aan de Slingerweg. Van [eiseres] kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij nog langer wacht op passende initiatieven van die zijde.

3.13 Anders dan de PTT mondeling ter zitting heeft aangevoerd is geen reden tot afwijzing van de vordering te vinden in de omstandigheid dat de wetgever thans heroverweegt hoever te gaan bij de bescherming van niet-rokers door aanscherping van de Tabakswet.

Het grondrecht op gezondheid kan langs privaatrechtelijke weg worden gewaarborgd, onafhankelijk van het mogelijke ontstaan (de wet is er immers nog niet) van eventuele (in het voorstel wordt immers slechts de mogelijkheid geschapen om bij AMvB een rookverbod op te leggen) publiekrechtelijke waarborgen.

3.14 De primaire vordering is op grond van het hiervoor overwogene toewijsbaar.

De dwangsom zal worden toegewezen als gevorderd tot een maximumbedrag van ¦.100.000,--.

De PTT zal worden veroordeeld in de kosten van het geding omdat zij in het ongelijk wordt gesteld.

4. De beslissing in kort geding.

De President

veroordeelt gedaagde tot invoering, binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis, van een algeheel rookverbod op de vestiging van gedaagde aan de Slingerweg 7 te Breda, met uitzondering van een daartoe aangewezen rokersruimte, waarvan niet-rokers geen last hebben;

bepaalt, dat gedaagde aan eiseres een dwangsom zal verbeuren van ¦.1.000,-- per dag dat gedaagde deze veroordeling niet nakomt, met bepaling dat niet meer dan ¦.100.000,-- aan dwangsommen zal worden verbeurd;

bepaalt dat de in dit vonnis genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de bodemrechter voorzover handhaving van de hiervoor gekozen dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

verwijst gedaagde in de kosten van het geding en veroordeelt haar tot betaling van die kosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot op heden begroot op ¦.2.022,56;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Leijten, fungerend president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van dinsdag, 25 april 2000, in tegenwoordigheid van W.J.M. de Haan, waarnemend-griffier.

w.g. W.J.M. de Haan w.g. J.P. Leijten