Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:1999:AA4823

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/469 WW44 JA
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99 / 469 WW44 JA

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Veertiende kamer

Uitgesproken d.d.:

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A en acht anderen, allen te B, eisers,

mr. M.P. Wolf te Breda, gemachtigde,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, gevestigd te Breda, verweerder.

1. Procesverloop:

Bij besluit van 15 december 1998 heeft verweerder bouwvergunning verleend aan de heer en mevrouw Z (hierna: Z) voor de bouw van twee dakkapellen op perceel […]straat 35, kadastraal bekend gemeente Breda, sectie […]. De bezwaren van eisers hiertegen zijn door verweerder bij besluit van 18 februari 1999 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens eisers is bij brief van 18 maart 1999 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft de op deze zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij brief van 20 mei 1999 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 8 november 1999.

Eisers C en D zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. M.P. Wolf.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden F.A.C. Kanters en W. Oomens.

Belanghebbenden Z-Y en Z zijn verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Schouten.

2. Beoordeling:

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.

Z heeft op 3 december 1996 schriftelijk zijn voornemen tot het bouwen van twee dakkapellen op perceel [..]straat 35 te Breda aan verweerder gemeld. Het perceel betreft een onderdeel van appartementencomplex […] aan de […]straat.

De commissie Welstand, Architectuur en Monumenten (hierna: commissie WAM) heeft op 15 januari 1997 advies aan verweerder uitgebracht, waarbij werd geconcludeerd dat het voorgelegde bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand, mits de dakpannen van de dakkapellen gewijzigd worden in een zinken dakbedekking.

Na een nieuwe melding op 13 februari 1997, heeft verweerder bij brief van 25 februari 1997 aan Z medegedeeld dat de commissie WAM het bouwplan op 28 januari 1997 positief heeft beoordeeld en dat voor de bouw van de dakkapellen geen bouwvergunning nodig is omdat het gaat om een bouwwerk als bedoeld in het Besluit meldingsplichtige bouwwerken.

Bij brief van 3 oktober 1997 heeft het hoofd van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht aan Z medegedeeld dat tijdens een gehouden controle is geconstateerd dat de dakkapellen groter en anders zijn uitgevoerd dan het ontwerp waarvoor toestemming is verleend. De dakkapellen vallen derhalve niet onder de categorie meldingsplichtige bouwwerken. Verzocht wordt een verzoek om bouwvergunning in te dienen voor de dakkapellen danwel de dakkapellen in overeenstemming te brengen met het ontwerp waarvoor bij brief van 25 februari 1997 toestemming is verleend.

Vervolgens heeft Z op 3 oktober 1997 een verzoek om bouwvergunning gedaan voor het oprichten van een dakterras en het vergroten van twee dakkapellen op perceel […]straat 35.

Bij brief van 8 december 1997 is de aangevraagde bouwvergunning geweigerd omdat het bouwplan volgens het advies van de commissie WAM van 19 november 1997 niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Op 19 januari 1998 heeft Z een schetsplan ingediend met betrekking tot de bouw van twee dakkapellen op perceel […]straat 35.

Bij brief van 10 maart 1998 heeft verweerder aan Z medegedeeld dat het schetsplan is beoordeeld door de commissie WAM en dat deze in het advies van 18 februari 1998 tot het oordeel is gekomen dat het schetsplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Bij brieven van 18 maart 1998 en van 21 april 1998 heeft het hoofd van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht aan Z kenbaar gemaakt dat hij verweerder gaat voorstellen Z formeel op grond van de Gemeentewet en de Woningwet aan te schrijven tot het verwijderen van de illegale dakkapellen en zo nodig bestuursdwang toe te passen.

Op 9 juli 1998 heeft Z opnieuw een verzoek om bouwvergunning gedaan voor de bouw van twee dakkapellen op perceel [...]straat 35.

Bij besluit van 21 augustus 1998 heeft verweerder aan Z medegedeeld dat de commissie WAM op 29 juli 1998 een positief welstandsadvies heeft uitgebracht en dat gelet hierop, bouwvergunning wordt verleend.

Bij brief van 9 september 1998 hebben eisers, medebewoners van het appartementencomplex aan de [...]straat en de Vereniging van Eigenaars […], bezwaar gemaakt tegen de verlening van bouwvergunning voor de twee dakkapellen.

Op 16 november 1998 heeft Z een nieuw verzoek om bouwvergunning gedaan.

Bij besluit van 15 december 1998 heeft verweerder vervolgens bouwvergunning verleend aan Z voor het plaatsen van twee dakkapellen op perceel [...]straat 35. Hierbij is de in de bouwvergunning van 21 augustus 1998 opgenomen voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de dakvoet vervallen. De commissie WAM heeft op 2 december 1998 positief geadviseerd met betrekking tot dit bouwplan.

Tevens is bij besluit van 15 december 1998 de bouwvergunning die bij besluit van 21 augustus 1998 was verleend, ingetrokken.

Bij brief van 22 december 1998 hebben eisers aan verweerder medegedeeld de bezwaren genoemd in de brieven van 9 september 1998 en 2 november 1998 onverkort te handhaven.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen het besluit van 15 december 1998 ongegrond verklaard. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd het bezwaarschrift van 9 september 1998 geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 15 december 1998.

Namens eisers is tegen het bestreden besluit, samengevat, aangevoerd dat het welstandsadvies zowel naar inhoud als naar wijze van totstandkoming dermate ernstige gebreken vertoont dat verweerder dat advies niet aan de bouwvergunning van

15 december 1998 ten grondslag had mogen leggen. Ter ondersteuning van hun standpunt verwijzen eisers naar de in de bezwaarprocedure overgelegde brief van architect Van Poppel van 27 oktober 1998, die van mening is dat de typologie van de dakkapellen waarvoor bouwvergunning is verleend, geheel afwijkend is van de bestaande dakkapellen. Eisers verzoeken de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, het besluit te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien en te gelasten dat verweerder het griffierecht aan eisers voldoet, met veroordeling van verweerder in de proceskosten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 44 van de Woningwet (hierna: Ww), voorzover thans van belang, moet een bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk naar het oordeel van verweerder niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 48 van de Ww legt verweerder alvorens te beslissen op een aanvraag om bouwvergunning, de aanvraag voor aan een commissie van onafhankelijke deskundigen die beziet of het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand.

In het bestreden besluit en ook in het besluit van 15 december 1998, wordt ten aanzien van het welstandsaspect verwezen naar het terzake uitgebrachte advies van de commissie WAM van 2 december 1998. De commissie WAM heeft op 2 december 1998 aan verweerder geadviseerd de betreffende dakkapellen niet in strijd met redelijke eisen van welstand te achten.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt bij de welstandstoets aan het advies van de daartoe aangewezen commissie van onafhankelijke deskundigen als regel een groot gewicht toegekend. De welstandsadvisering door deze commissie moet worden gezien als een waarborg voor een verantwoorde en geobjectiveerde beoordeling van welstandsaspecten. In beginsel mag verweerder aan het advies van de welstandscommissie doorslaggevende betekenis toekennen. Verweerder is gehouden nader te motiveren waarom een bouwplan naar zijn oordeel voldoet aan redelijke eisen van welstand indien een belanghebbende een tegenadvies overlegt van een deskundige. Ook indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming ernstige gebreken vertoont, mag verweerder dit advies niet zonder meer aan het oordeel omtrent de redelijke eisen van welstand ten grondslag leggen.

Ter zitting is komen vast te staan dat het thans in geding zijnde bouwplan overeenkomt met het bouwplan ten aanzien waarvan de commissie WAM in haar advies van 19 november 1997 tot de conclusie kwam dat dit plan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Wel was in dat laatste plan ook nog een terras met hekwerk voorzien; in het thans in geding zijnde bouwplan is het terras en hekwerk achterwege gelaten. Het negatieve advies van 19 november 1997 was als volgt gemotiveerd: "De dakkapellen zijn te groot en passen niet binnen het dakvlak. Ook de materialisering en detaillering wijkt in negatieve zin af van de bestaande architectuur. De commissie acht tevens het hekwerk buitengewoon storend. Zij blijft bij het oorspronkelijk aangevraagde plan.". Ook op 18 februari 1998 heeft de commissie WAM ten aanzien van een soortgelijk bouwplan een negatief welstandsadvies gegeven.

Het advies van de commissie WAM van 2 december 1998 betreft een zogenaamd 'stempeladvies'. Uit het besluit van 15 december 1998 waarbij de bouwvergunning is verleend, blijkt op geen enkele wijze waarom het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

In het bestreden besluit geeft verweerder aan dat de commissie WAM haar eerste positieve advisering stoelt op een uitgebreide plaatselijke beoordeling en contacten met architect Van Poppel omtrent zijn zienswijze terzake. Voorts wordt aangegeven dat de commissie WAM - blijkens de tijdens de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie afgelegde verklaring door de secretaris van de WAM - thans tot het oordeel is gekomen dat de bestaande, aan de achterzijde van het gebouw aangebrachte dakkapellen, een ruimtelijke verbetering betekenen en in hun verschijningsvorm als minst storend moeten worden aangemerkt.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de commissie WAM een opmerkelijke ommezwaai heeft gemaakt door het in geding zijnde bouwplan positief te beoordelen nadat zij ditzelfde bouwplan in een eerder stadium negatief beoordeelde. Voor verweerder hoeft, naar het oordeel van de rechtbank, een dergelijke wijziging van inzichten, geen reden te vormen een advies naast zich neer te leggen. Wel mag van verweerder onder die omstandigheden worden verwacht dat aan de commissie wordt gevraagd hoe een dergelijk advies tot stand is gekomen en de wijziging van inzichten nader te motiveren. Verweerder heeft dat bij het nemen van het primaire besluit nagelaten. In de bezwaarschriftenfase heeft verweerder dit gebrek proberen te herstellen. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt naar het oordeel van de rechtbank evenwel onvoldoende waarop de ommezwaai van de commissie WAM is gestoeld en waarom verweerder het advies tot het zijne heeft gemaakt. De rechtbank heeft daarbij nog het volgende in aanmerking genomen.

Eisers hebben in de bezwaarfase een brief van 27 oktober 1998 van architect Van Poppel overgelegd, waarin deze aangeeft dat de betreffende dakkapellen geheel afwijken van de bestaande architectuur. In een eerdere brief van 22 augustus 1997, gehecht aan het bezwaarschrift van 9 september 1998, had Van Poppel reeds te kennen gegeven dat de uitgevoerde dakkapellen niet tot de typologie van het gebouw behoren en dat dergelijke aantastingen van het gebouw een verloedering van de architectonische waarde veroorzaken.

Gezien de eerder genoemde brieven van Van Poppel en de ter zitting door eisers overgelegde brief van Van Poppel van 5 november 1999, waarin deze aangeeft dat ten onrechte gesuggereerd wordt dat hij kan instemmen met de dakkapellen in hun huidige verschijningsvorm, is niet duidelijk in hoeverre de zienswijze van Van Poppel ten grondslag kan liggen aan het gewijzigde standpunt van de commissie WAM. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met de hiervoor weergegeven motivering onvoldoende inzichtelijk is gemaakt op welke wijze de verandering in de waardering van de dakkapellen tot stand is gekomen. Ook de - tijdens de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie gegeven - inhoudelijke motivering van de commissie WAM dat de dakkapellen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, acht de rechtbank onvoldoende draagkrachtig. Het betreft een algemene beschouwing waarmee niet inzichtelijk wordt gemaakt waarom het feit dat de materialisering en detaillering van de dakkapellen afwijken van de bestaande architectuur, op grond van welke motivering eerder negatief advies ten aanzien van dezelfde dakkapellen werd uitgebracht, toch niet als storend moet worden aangemerkt.

Gezien het vorenstaande dient het beroep van eisers gegrond te worden verklaard en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:9 van de Awb dat bepaalt dat het bestuursorgaan zich ervan dient te vergewissen dat onderzoek dat door een adviseur is verricht op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en artikel 7:12 van de Awb dat bepaalt dat een beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering. Verweerder zal opnieuw op eisers bezwaren dienen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank acht de in het dictum op te nemen proceskostenveroordeling, begroot op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, redelijk.

Het griffierecht dient aan eisers te worden vergoed.

3. Beslissing:

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van

¦ 1.420,=, te vergoeden door de gemeente Breda;

gelast dat de gemeente Breda eisers het door hun betaalde griffierecht van ¦ 450,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Janssen, in tegenwoordigheid van Van Vliet als griffier, op 17 december 1999

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraak.

Afschrift verzonden d.d.:

ze