Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:1997:ZF2732

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-04-1997
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
94/3578 BELEI BA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betaling griffierecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

94 / 3578 BELEI BA

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

Zevendekamer

Uitgesproken d.d.:

1 april 1997

UITSPRAAK

in het geding tussen:

Stichting "Bloemenoord Festijn", gevestigd te Waalwijk, eiseres, H.J.W.

Rekkers te Waalwijk, gemachtigde,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk, te Waalwijk, verweerder.

1. Procesverloop:

Bij besluit van 13 september 1994 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder besloten om het bezwaar van eiseres, gericht tegen het besluit van 9 juni 1994 tot intrekking van een inzamelvergunning voor oud papier, ongegrond te verklaren.

Eiseres heeft bij schrijven van 24 oktober 1994 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank ingezonden en bij schrijven van 13 december 1994 een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 6 februari 1995 heeft deze rechtbank met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:

de Awb) het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het ingevolge artikel 8:41 van de Awb verschuldigde griffierecht niet was voldaan. Tegen deze uitspraak heeft eiseres bij schrijven van 18 maart 1995 verzet gedaan. Bij uitspraak van 25 juli 1995 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard. Daarmee is ingevolge artikel 8:55, zevende lid, van de Awb, de uitspraak van 6 februari 1995 komen te vervallen en is het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Het beroep is behandeld ter zitting van 19 februari 1997. Eiseres is verschenen bij gemachtigde H.J.W. Rekkers.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden M. van der Linden en N.J.

Pentinga.

2. Beoordeling:

Bij besluit van 4 februari 1994, verzonden 18 februari 1994, heeft verweerder op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening aan eiseres een vergunning verleend tot het inzamelen van oud papier in het jaar 1994 in de wijk Zanddonk. Deze vergunning is bij besluit van 9 juni 1994 met onmiddellijke ingang ingetrokken, omdat eiseres niet zou hebben voldaan aan voorwaarden welke aan de vergunning waren verbonden, onder meer inzake de op te halen minimum hoeveelheid oud papier.

Tegen deze intrekking is namens eiseres op 19 juli 1994 bezwaar ingesteld.

Het bestreden besluit betreft de ongegrondverklaring van deze bezwaren.

De rechtbank kan slechts aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit toekomen, indien het beroep van eiseres kan worden ontvangen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 8:41, tweede lid, van de Awb wordt het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard indien het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:41, derde lid, onder c, van de Awb geldt in het onderhavige geval een griffierecht van f 400,--.

Vaststaat dat eiseres het verschuldigde griffierecht niet heeft betaald.

Zij heeft de rechtbank meegedeeld dat zij niet bij machte is dat griffierecht te betalen en gevraagd om ontheffing daarvan.

Eiseres vindt het een vorm van onrecht, indien zij vanwege haar financiële situatie automatisch de verliezende partij zou zijn.

De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres aldus, dat de feitelijke onmogelijkheid om het griffierecht te betalen, niet mag betekenen dat zij van de toegang tot de rechter wordt afgehouden.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat onverkorte toepassing van artikel 8:41 van de Awb onder omstandigheden strijd op kan leveren met internationaal verdragsrecht, in het bijzonder artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM). Deze bepaling garandeert het recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Iemands financiële omstandigheden kunnen zodanig zijn, dat het onverkort vasthouden aan de wettelijke verplichting tot het betalen van griffierecht als een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht zou kunnen worden beschouwd.

Voor een geslaagd beroep op artikel 6 van het EVRM moet aan de formele toepassingscriteria van deze bepaling zijn voldaan en bovendien moet sprake zijn van de zojuist bedoelde bijzondere financiële omstandigheden.

Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank evenwel niet gebleken.

Eiseres is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om ter zitting aannemelijk te maken dat zij in het tijdvak van 24 oktober 1994 tot 28 december 1994 niet in staat was het verschuldigde griffierecht te voldoen.

Tot uiterlijk tien dagen voor de zitting heeft eiseres de gelegenheid gehad om terzake stukken in te dienen. In de oproep voor de zitting is eiseres op een en ander uitdrukkelijk gewezen.

Van de gelegenheid tot het indienen van stukken is door eiseres geen gebruik gemaakt. Ter zitting is door de gemachtigde van eiseres aan de hand van dagafschriften slechts ten aanzien van een tweetal data aangegeven dat het saldo op de bankrekening van eiseres ontoereikend was.

Desgevraagd is medegedeeld dat geen financile jaarstukken voorhanden zijn, omdat deze niet worden gemaakt.

Enig inzicht in de financiële huishouding van eiseres kon daarom niet op verifieerbare wijze worden geboden. Bewijsmiddelen, teneinde inzichtelijk te maken waaraan de via het inzamelen van oud papier gerealiseerde inkomsten zijn besteed, konden niet worden getoond.

De rechtbank kan niet anders concluderen, dan dat de stelling van eiseres dat zij gezien haar financiële omstandigheden niet in staat was het griffierecht te betalen, onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

Reeds hierom is er geen plaats voor de conclusie dat een onverkorte toepassing van artikel 8:41 van de Awb in dit concrete geval in strijd komt met artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Gezien het vorenoverwogene en gelet op het bepaalde in artikel 8:41, tweede lid, van de Awb, oordeelt de rechtbank dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het griffierecht niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen.

Daarom wordt beslist als volgt.

3. Beslissing:

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. Bakx, Van Viegen en Van der Beek, en uitgesproken in het openbaar door mr. Bakx, in tegenwoordigheid van mr.

Koenraad als griffier, op

1 april 1997

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de dag waarop het afschrift van de uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden d.d.:

ab