Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BZ4033

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
13-03-2013
Zaaknummer
19.830269-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1 meer subsidiair: poging tot zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummers: 19.830269-12 en 19.280481-11 (tul)

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 21 december 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 11 december 2012.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. R.J. de Boer, advocaat te Coevorden.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 03 september 2012 te Nieuw-Weerdinge, gemeente Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1/S1] van het leven te beroven, met dat opzet

- [S1] naar de grond heeft gewerkt en/of

- [S1] tegen de grond heeft gehouden en/of om zijn nek heeft vastgehouden en/of

- meermalen, met kracht, met geschoeide voet in het gezicht en/of hoofd, althans op het

lichaam heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 03 september 2012 te Nieuw-Weerdinge, gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [S1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken rechter bovenkaak en/of jukbeen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, met kracht in het gezicht, althans op het lichaam te slaan en/of meermalen, met kracht (met geschoeide voet) in het gezicht, althans op het lichaam te schoppen en/of te trappen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 03 september 2012 te Nieuw-Weerdinge, gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [S1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [S1] (meermalen), met kracht en geschoeide voet in het gezicht en/of hoofd, althans op het lichaam, heeft getrapt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 03 september 2012 te Nieuw-Weerdinge, gemeente Emmen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2/S2]), (meermalen) met kracht tegen het hoofd, althans tegen het bovenlichaam heeft geslagen en/of getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. G. Wilbrink acht hetgeen onder 1 primair en onder 2 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met aftrek van voorarrest en onder de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht zoals beschreven in het reclasseringsadvies. De vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie vraagt voorts dat de vordering tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Bewijsmotivering

Feit 1 meer subsidiair en feit 2:

Aan verdachte is onder 1 meer subsidiair tenlastegelegd dat hij -kort gezegd- geprobeerd heeft om [S1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem (meermalen) tegen het gezicht/hoofd en het lichaam te slaan en te schoppen. Onder 2 is tenlastegelegd -kort gezegd- dat verdachte [S2] heeft mishandeld door haar te trappen.

Met betrekking tot voornoemd feiten zijn door de direct betrokkenen, aangever [S1], aangeefster [S2], verdachte, medeverdachte [WK], [PK], [PA en [AB] verklaringen afgelegd. Deze verklaringen zijn niet eensluidend.

Uit de door de rechtbank, voorafgaand aan de terechtzitting, bekeken camerabeelden (opgenomen met de aan de woning van [WK] bevestigde beveiligingscamera’s), die overeenkomen met de beschrijving van die beelden zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van de politie , blijkt de volgende feitelijke gang van zaken.

- 16:53-15: [S2] en [S1] lopen de oprit van [WK] op; [S2] loopt voorop en loopt door richting de achterzijde van de woning; [S1] blijft staan bij de deur; [verdachte] komt naar buiten en praat met [S1]; [S2] komt er bij staan; [WK] komt er bij staan; [verdachte] gaat neus aan neus staan met [S2]; [WK] gaat er tussen staan; [S2] geeft een lichte duw tegen [verdachte]; [verdachte] maakt een felle duwbeweging terug; vervolgens lopen [S2] en [S1] weg; [verdachte] loopt achter [S2] en [S1] aan; [S1] wordt aan zijn broeksriem tegengehouden door [PK]; [WK] loopt vervolgens door, gevolgd door [PA], [PK] en [AB];

- 16:54-19: [verdachte] loop achter [S1] aan; [S1] draait zich om; [verdachte] geeft een karatetrap in de richting van de buik van [S1];vervolgens een worsteling achter een bospartij; [S1] valt door de worsteling met [verdachte]; verdachte [] slaat met drie felle korte krachtige bewegingen met zijn rechterarm richting de grond, waar [S1] ligt;

- 16:54-52: de worsteling gaat door en verplaatst zich; aangever [S1] staat weer en pakt een kliko; de kliko valt op de grond; medeverdachte [WK] heeft aangever [S1] van achteren om de nek vast; verdachte [] komt erbij; aangever [S1] en [WK] vallen;

- 16:54-58: [WK] zit boven op aangever [S1]; verdachte [] bevindt zich in gebukte positie en maakt met zijn rechtervoet krachtige schopbewegingen richting het hoofd/lichaam van aangever [S1]; te zien is dat hij meermalen schopt in de buurt van het hoofd en de schouder van aangever;

- verdachte [] loopt vervolgens naar [S2], die wordt tegengehouden door [PK]; verdachte [] maakt een krachtige trap/karatetrap naar aangeefster [S2];

- aangever [S1] staat op; verdachte [] maakt nog een krachtige trappende beweging naar de bovenbenen van [S1];

Uit voornoemde camerabeelden , de aangifte van [S1], de bij [S1] geconstateerde verwondingen , alsmede de verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting, blijkt dat verdachte [S1] meermalen hard in het gezicht heeft geslagen en dat hij [S1] tegen het lichaam heeft getrapt. Voorts blijkt dat hij in de richting van het hoofd en de schouders van aangever [S1] heeft getrapt, maar niet dat hij [S1] in het gezicht of tegen het hoofd heeft geraakt.

Uit voornoemde camerabeelden, de aangifte van [S2] en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting, blijkt voorts dat hij [S2] -eenmaal- tegen het lichaam heeft getrapt.

De rechtbank komt op grond van vorenstaande bewijsmiddelen tot de conclusie dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [S1] en mishandeling van [S2].

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman op dit punt vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. (meer subsidiair)

hij op 03 september 2012 te Nieuw-Weerdinge, gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [S1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [S1] (meermalen), met kracht en geschoeide voet op het lichaam heeft getrapt en met kracht in het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 03 september 2012 te Nieuw-Weerdinge, gemeente Emmen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [S2]), met kracht tegen het bovenlichaam heeft getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1 meer subsidiair: poging tot zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychologisch rapport d.d. 27 november 2012, opgemaakt door drs. A.N. Hoogland, GZ-psycholoog.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven – dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van misbruik van alcohol en kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis cluster B met forse agressie regulatie problematiek. Er is tevens sprake van kenmerken van een PTSS. Dit leidt ertoe dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt, aldus de deskundige.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de door haar aannemelijk geachte toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in enigszins verminderde mate.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte, de oriëntatiepunten voor de straftoemeting, de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 14 november 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van een soortgelijk misdrijf is veroordeeld, het psychologisch onderzoek d.d. 27 november 2012 zoals hiervoor weergegeven, alsmede het reclasseringsadvies d.d. 7 december 2012, opgemaakt door [].

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en aan mishandeling.

Mede op basis van de camerabeelden is de rechtbank van oordeel dat het gedrag van de slachtoffers geen aanleiding gaf voor het gewelddadige optreden van verdachte; zij liepen na de woordenwisseling bij de voordeur terug naar hun auto. Verdachte is vervolgens achter hen aangegaan en heeft eerst [S1] (meerdere keren) geslagen en geschopt en vervolgens [S2] een trap gegeven.

Verdachte heeft voornoemde feiten gepleegd terwijl hij onder invloed was van (een forse hoeveelheid) alcohol. Door de psycholoog is geconstateerd dat verdachte een alcoholprobleem heeft en dat hij voorts (onder meer) leidt aan een agressie regulatiestoornis. Ook uit de reclasseringsrapportage blijkt dat dit aandachtspunten zijn. Verdachte onderkent dit ook en is hiervoor al onder behandeling bij de AFPN. Hij heeft ter zitting aangegeven dat hij graag begeleiding van de reclassering wil om zijn leven op orde te krijgen, ook met het oog op zijn aanstaande vaderschap, en dat hij bereid is aan alle benodigde behandelingen mee te werken.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, alsmede een onvoorwaardelijke werkstraf, passend en geboden is.

Zij komt daarbij tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist omdat zij verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde zal vrijspreken. De rechtbank acht het voorts aangewezen dat verdachte zich laat behandelen voor (ondermeer) zijn agressie problematiek en alcoholgebruik om problemen in de toekomst te voorkomen en zal daartoe reclasseringstoezicht en een behandelverplichting opleggen.

Verdachte is recentelijk, op 2 juli 2012, veroordeeld in verband met een geweldsdelict en liep daarvan nog in de proeftijd. De vordering tenuitvoerlegging van de bij dit vonnis voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 60 uren zal de rechtbank toewijzen.

Benadeelde partij [S1] (feit 1 meer subsidiair)

De benadeelde partij heeft een (schriftelijke) vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade ten bedrage van in totaal 513,45 euro. Deze vordering bestaat uit 500,00euro immateriële schade en 13,45 euro materiële schade (parkeerkosten ziekenhuis en mondspoeling). Ter terechtzitting is door de benadeelde partij in aanvulling op zijn materiële vordering een bon van [] overgelegd ten bedrage van 299,00 euro (kosten nieuwe bril). De benadeelde partij heeft desgevraagd aangegeven dat hij zijn bril tijdens de mishandeling is kwijtgeraakt.

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij tot een bedrag van 513,45 euro voldoende aannemelijk gemaakt en niet onredelijk. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering, nu uit de stukken niet volgt dat bij de mishandeling een bril van aangever [S1] verloren is gegaan. Voor dit deel kan de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer [S1] naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36f, 45, 47, 300, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19.280481-11

De rechtbank acht de vordering van de officier van justitie toewijsbaar nu de verdachte, eerder veroordeeld tot een deels voorwaardelijke straf bij vonnis van de politierechter te Assen d.d. 2 juli 2012, zich tijdens de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

De rechtbank zal gelasten dat de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 meer subsidiair en onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven zijn vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan een gedeelte groot 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, alsmede

- een taakstraf bestaande uit 160 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd de hierna te vermelden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de reclassering van het Leger des Heils te Groningen ([adres]) Hierna moet hij zich gedurende bepaalde perioden blijven melden zo frequent de reclassering dat nodig acht;

- zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een cognitieve leefstijltraining (kort), aangeboden door de AFPN, of soortgelijke ambulante instelling, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzigen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven;

- zich zal laten behandelen voor zijn PTSS en agressie problematiek bij de AFPN of soortgelijke ambulante instelling, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzigen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

De rechtbank geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, ingevolge artikel 14d lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [S1] van de som van € 513,45 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [S1], een bedrag van € 513,45 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19.280481-11

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 2 juli 2012 door de politierechter te Assen gewezen voorwaardelijke werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mrs. O.J. Bosker en E.C.M. Wolfert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 21 december 2012, zijnde mr. Klaassens buiten staat dit vonnis binnen de daartoe bestemde termijn mede te ondertekenen.