Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BY7545

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
28-12-2012
Zaaknummer
19.810133-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op vrijdag 28 december 2012 vonnis gewezen in de zaken tegen zeven verdachten, die werden verdacht van het plegen van onder meer overvallen op supermarkten in Drenthe.

In een periode van een aantal maanden is verdachte niet alleen daadwerkelijk betrokken geweest bij het plegen van zeven overvallen en elf inbraken of autodiefstallen, maar heeft hij zich ook veelvuldig beziggehouden met het beramen van nog meer overvallen. Uit de getapte telefoongesprekken, de observaties en de afgeluisterde gesprekken blijkt dat verdachte een grote rol had bij het organiseren en voorbereiden van overvallen.

Op geen enkele wijze heeft verdachte zich bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers. Dat deze gevolgen ernstig kunnen zijn zal voor een ieder duidelijk zijn en ook verdachte heeft dat kunnen beseffen. Toch heeft verdachte zich hierdoor niet laten weerhouden.

Van omstandigheden op grond waarvan hem de feiten minder zwaar zouden kunnen worden toegerekend is niet gebleken, verdachte heeft geweigerd mee te werken aan nadere rapportage.

De officier van justitie heeft met toepassing van de samenloopregeling de maximaal mogelijke gevangenisstraf van 16 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd. Zij heeft dit gemotiveerd met een verwijzing naar de ernst van de gepleegde feiten en het grote aantal van de gepleegde feiten.

Hoewel ook de rechtbank van oordeel is dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is, zal de rechtbank een straf van kortere duur dan gevorderd opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

De rechtbank heeft op vrijdag 28 december 2012 vonnis gewezen in de zaken tegen zeven verdachten, die werden verdacht van het plegen van onder meer overvallen op supermarkten in Drenthe.

Hieronder volgt een samenvatting van de vonnissen.

De volgende feiten zijn ten laste gelegd:

-Verdachte S.A.: 7 overvallen waarvan 3 pogingen;

-Verdachte B.A.: 4 overvallen waarvan 1 poging;

-Verdachte J.K.: 5 overvallen waarvan 1 poging;

-Verdachte O.B.: 2 overvallen waarvan 1 poging;

-Verdachte K.K.: 2 pogingen tot een overval;

-Verdachte M.V.: 1 poging tot een overval;

-Verdachte D.K.: een inbraak en een brandstichting;

Verder is aan alle verdachten ten laste gelegd de deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank zal een aantal algemene opmerkingen maken over het bewijs en vervolgens per overval aangeven of er naar haar oordeel voldoende bewijs tegen de verschillende verdachten aanwezig is.

Voorts zal de rechtbank ingaan op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Tot slot zal de rechtbank per persoon aangeven tot welke straf zij heeft besloten.

Algemene opmerkingen ten aanzien van het bewijs

In het dossier wordt veelvuldig verwezen naar de beschrijvingen van de daders: de gedragen kleding, hun lichaamsbouw en de wijze van voortbewegen en de wijze waarop ze hun wapens vasthouden. Hieruit komt niet een eenduidig beeld van de daders naar voren in die zin dat deze gegevens onomstotelijk zijn te koppelen aan verdachten uit deze zaak. De rechtbank zal dit daarom buiten de bewijsvoering laten.

De rechtbank acht de modus operandi onvoldoende specifiek om als schakelbewijs te gebruiken. Dat leidt er toe dat van elk van de overval(len) afzonderlijk moet worden vastgesteld of deze wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Wel laat de rechtbank bij de weging van de bewijsmiddelen meewegen dat uit een aantal bronnen, met name de afgeluisterde gesprekken, observaties en tapgesprekken, blijkt van betrokkenheid in zijn algemeenheid van verdachten bij (de voorbereiding van) overvallen.

de poging tot overval in Sleen op 24 april 2012

verdachten verdachte S.A., verdachte B.A. en verdachte M.V..

De officier van justitie achtte dit feit ten aanzien van alle drie de verdachten bewezen.

De rechtbank acht bewezen dat deze drie verdachten hebben getracht de Albert Heijn supermarkt in Sleen op 24 april 2012 te overvallen. Zij zijn in de auto van één van hen naar Sleen gereden met de bedoeling deze overval te plegen. Ze waren voorzien van tape en messen en hadden bivakmutsen op. Zij wilden deze overval ’s ochtends vroeg bij de opening van de supermarkt plegen. Zij wachtten in de nabijheid van de supermarkt op een plek van waaruit zij uitzicht hadden op de supermarkt op het geschikte moment. Op het moment dat zij iemand tot twee keer toe zagen langslopen achtten ze het doorzetten van het plan te gevaarlijk en zijn ze vertrokken. De rechtbank is van oordeel dat het hier gaat om een voltooide poging, terwijl er geen sprake is van vrijwillige terugtred.

de overval op het casino in Ter Apel op 11 januari 2012

verdachte S.A., verdachte J.K. en verdachte O.B..

De officier van justitie achtte dit feit ten aanzien van verdachten verdachte S.A. en verdachte J.K. bewezen en vorderde vrijspraak ten aanzien van verdachte O.B..

De rechtbank acht bewezen dat verdachte S.A. samen met anderen het Casino in Ter Apel heeft overvallen. Zij hebben daar het aanwezige personeel onder bedreiging van een vuurwapen en een mes gedwongen geldbedragen af te geven. Om de bedreiging kracht bij te zetten zijn diverse ramen van de kassaruimte kapot geslagen met een moker en werd één van de casinomedewerksters hard in het gezicht gestompt. De daders hebben een aanzienlijk geldbedrag meegenomen.

Het bewijs ten aanzien van verdachte S.A. bestaat hieruit dat hij kort voor de overval op voorverkenning in het casino is geweest, zijn eigen verklaringen, zoals afgeluisterd en zoals afgelegd bij de politie, en de verklaring van een medeverdachte dat verdachte S.A. zelf tegen hem heeft gezegd dat hij erbij was.

De rechtbank acht onvoldoende bewijs aanwezig voor de deelname van verdachte J.K. en verdachte O.B. aan deze overval en spreekt hen van deze overval vrij

de overval op de supermarkt C1000 in Schoonebeek op 20 januari 2012.

verdachte S.A., Verdachte B.A. en verdachte J.K..

De officier van justitie achtte dit feit bewezen ten aanzien van alle drie verdachten.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte verdachte S.A. met anderen de supermarkt C1000 in Schoonebeek heeft overvallen. Na sluitingstijd zijn verdachte S.A. en twee anderen via de personeelsingang de winkel binnen gegaan op het moment dat één van de medewerkers het pand wilde verlaten via de personeelsingang. De drie overvallers waren gewapend met een vuurwapen, mes en een hamer. De personeelsleden werden bijeengebracht in de kantoorruimte. De bedrijfsleider en een caissière moesten kassaladen openen en het daarin aanwezige geld in een zwarte sporttas te doen. De armen van de bedrijfsleider en drie medewerkers werden vastgebonden met tie-rips. Tijdens de overval werden de medewerkers bedreigd met wapens. De overvallers verlieten de winkel met een geldbedrag van €12.500 en sieraden ter waarde van ongeveer € 3000.

De rechtbank acht voldoende bewijs aanwezig voor de betrokkenheid van verdachte S.A. bij deze overval. Zijn betrokkenheid blijkt uit de verklaring van een medeverdachte dat verdachte S.A. hem omstreeks de datum van de overval heeft gebeld en heeft verteld dat ze een dikke klapper hadden gemaakt en de verklaring van een andere medeverdachte dat verdachte S.A. hem zelf heeft verteld dat hij de man was die de overval in Schoonebeek had gepleegd. Voorts vond er een kasstorting plaats van € 500,- op 24 januari 2012 op de rekening van verdachte S.A., waarvoor hij geen verklaring kon geven.

De rechtbank acht onvoldoende bewijs aanwezig ten aanzien van verdachte B.A. en verdachte J.K. en spreekt hen van deze overval vrij.

De overval op de supermarkt Albert Heijn in Roden op 20 februari 2012.

verdachte S.A., verdachte B.A. en verdachte J.K.

De officier van justitie achtte dit feit ten aanzien van alle drie de verdachten bewezen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte S.A. en verdachte B.A. en nog een ander de supermarkt Albert Heijn in Roden hebben overvallen.

De overvallers zijn de supermarkt binnen gekomen door de personeelsingang op het moment dat medewerkers het magazijn verlieten. De 18 aanwezige medewerkers werden onder bedreiging van wapens naar het magazijn gebracht en getapet. De bedrijfsleider en later ook de assistent bedrijfsleider zijn naar het telkantoor gebracht om daar de kluizen te openen. Er is papiergeld meegenomen en een groot bedrag aan muntgeld.

De rechtbank acht de betrokkenheid van verdachte S.A. en verdachte B.A. bewezen op grond van de verklaringen van een medeverdachte en een afgeluisterd gesprek op 19 april 2012 tussen verdachte S.A. en verdachte B.A. en één van de andere verdachten. Voorts heeft er kort na de overval een geldstorting plaatsgevonden ten bedrage van € 800, - op de rekening van een bekende van verdachten via een muntwisselaar. Deze verklaart daarover dat dit geld van verdachte S.A. en verdachte B.A. was. Bovendien werd op 27 februari 2012 eveneens via een muntwisselaar een bedrag van € 746,17 op de rekening van verdachte S.A. gestort. Voor deze bedragen is geen verklaring gegeven. Door verdachte S.A. werd bovendien op 31 januari 2012 een auto gekocht, voor € 2650,- , terwijl hij in die periode een uitkering had. Dat de aankoop van deze auto zou zijn gefinancierd met drugsgelden, zoals door hem is verklaard, is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

De rechtbank acht onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig voor de betrokkenheid van verdachte J.K. bij deze overval en spreekt hem daarvan vrij.

De overval op de supermarkt C1000 in Dwingeloo op 06 maart 2012.

verdachte S.A., verdachte B.A., verdachte J.K.

De officier van justitie achtte dit feit ten aanzien van alle drie de verdachten bewezen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte S.A. en verdachte B.A. met nog een ander de overval op de C1000 in Dwingeloo op 6 maart 2012 hebben gepleegd.

Op het moment dat de bedrijfsleider de deur had afgesloten komen de overvallers aanrennen. Onder dreiging van een wapen moet de bedrijfsleider het alarm uitzetten en moet hij met de mannen meelopen naar het kantoor. In het kantoor dwingen ze de bedrijfsleider de kluis te openen. Uit de kluis moet hij de kassaladen halen en de laden van de pinautomaat. Uit de laden wordt alleen het briefgeld gehaald. In het magazijn binden ze de bedrijfsleider met duct tape vast aan een paal. Ze halen de portemonnee uit zijn zak en nemen nog zijn sleutels mee.

De rechtbank acht de betrokkenheid van verdachte S.A. en verdachte B.A. bewezen op grond van een afgeluisterd gesprek op 19 april 2012 waarin zij samen spreken over een overval die zij in Dwingeloo hebben gepleegd. Hetgeen ze zeggen komt overeen met hetgeen de aangever verklaart. Voorts heeft verdachte S.A. de dag na de overval een auto gekocht voor een bedrag van € 3750,- , terwijl hij dit bedrag contant heeft betaald. verdachte B.A. heeft twee dagen na de overval een bedrag aan boetes betaald ten bedrage van € 1700,- . Beiden beschikken niet over inkomsten die de herkomst van deze bedragen kunnen verklaren en beiden geven geen aannemelijke verklaring voor de herkomst van het geld.

De rechtbank acht onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig voor de betrokkenheid van verdachte J.K. bij deze overval en spreekt hem daarvan vrij.

De poging tot afpersing van een auto op 9 april 2012 te Kerkrade.

verdachten: verdachte S.A. en verdachte K.K.

De officier van justitie achtte dit feit ten aanzien van beide verdachten bewezen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte S.A. en verdachte K.K. hebben geprobeerd het slachtoffer onder dreiging met geweld zijn auto afhandig te maken. Verdachten zijn met het slachtoffer een proefrit gaan maken. Op enig moment hebben zij het slachtoffer willen bewegen de auto stil te zetten. Toen het slachtoffer dat niet wilde heeft verdachte S.A. een (vuurwerk)pistool gepakt en dat wapen tegen de keel van het slachtoffer gezet om hem alsnog te bewegen de auto te stoppen. Door kordaat optreden van het slachtoffer is het allemaal niet zover gekomen. Verdachte S.A. heeft de overval bekend, verdachte K.K. heeft de overval eveneens erkend doch ontkend dat hij opzet op het geweld zou hebben gehad. De rechtbank volgt hem hierin niet. Verdachte K.K. wist tevoren dat zijn medeverdachte een (vuurwerk)pistool bij zich had en dat hij daarvan eventueel gebruik zou maken.

De poging tot een overval op de C1000 in Winschoten op 11 april 2012.

verdachte S.A., verdachte O.B. en verdachte K.K.

De rechtbank acht evenals de officier van justitie bewezen dat verdachte S.A. deze overval met een ander heeft gepleegd en dat verdachte O.B. en verdachte K.K. hieraan medeplichtig zijn geweest.

Een medewerker van de C1000 zag rond 06.05 uur twee mannen met bivakmutsen die waren gewapend met een vuurwapen en een mes. De twee mannen wilden geld en dwongen de medewerker de kluis te openen. Deze medewerker beschikte echter niet over een sleutel of codes zodat de kluis ongeopend bleef. De daders gingen vervolgens weg en probeerden te vertrekken met een auto die de avond tevoren was gestolen en in de buurt van de supermarkt werd geparkeerd.

Dat verdachte S.A. deze overval heeft gepleegd blijkt uit de verklaringen van beide medeverdachten en uit het telefoongesprek van verdachte S.A. met één van de medeverdachten over deze overval.

Verdachte O.B. en verdachte K.K. zijn niet aanwezig geweest bij de daadwerkelijke overval, maar zijn wel behulpzaam geweest bij het stelen van de auto die gebruikt zou worden bij de overval, tevens waren ze bij de voorverkenning de avond tevoren. Ze wisten dat de overval gepleegd zou gaan worden. De rechtbank acht hen daarom medeplichtig aan deze overval.

de poging tot een overval bij een pinautomaat te Gramsbergen

verdachte J.K.

Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte deze overval heeft gepleegd.

deelname criminele organisatie

verdachte S.A., verdachte B.A., verdachte J.K., verdachte O.B., verdachte K.K., verdachte M.V., verdachte D.K.

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachten, met uitzondering van verdachte D.K., zich schuldig hebben gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie.

Naar het oordeel van de rechtbank was er sprake van een criminele organisatie. De rechtbank acht bewezen dat verdachte S.A. en verdachte B.A. zich gezamenlijk bezighielden met het voorbereiden en plegen van overvallen. Zij deden dit met enige regelmaat, zij namen deel aan voorverkenningen, schaften goederen aan ten behoeve van de overvallen (handschoenen, bivakmutsen, tape) en namen in een groot aantal gevallen daadwerkelijk deel aan de overvallen. Andere personen werden daarbij ingeschakeld, soms bij de voorverkenningen, soms bij de overvallen zelf en soms bij beide. Voorts werden auto’s gestolen ten behoeve van de overvallen. Ook werden er inbraken door dezelfde dadergroep gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een samenwerkingsverband dat duurzaam is en een zekere structuur heeft, zodanig dat sprake is van een criminele organisatie.

Van verdachte J.K. is weliswaar niet bewezen geacht dat hij daadwerkelijk heeft deelgenomen aan overvallen, maar uit observatieverslagen blijkt dat hij meerdere malen bij de voorverkenning van overvallen is betrokken en dat bij voorverkenningen zijn auto werd gebruikt.

De overige verdachten hebben aan één of meer overvallen daadwerkelijk deelgenomen en zijn eveneens betrokken geweest bij voorbereidingshandelingen, soms voor overvallen die daadwerkelijk plaatsvonden soms alleen bij voorbereidingen voor mogelijke overvallen die uiteindelijk niet plaatsvonden. Een aantal van de verdachten is betrokken geweest bij inbraken door dezelfde dadergroep en bij autodiefstallen ten behoeve van te plegen overvallen.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat alle verdachten, met uitzondering van verdachte D.K., lid waren van een criminele organisatie.

Benadeelde partijen

Er zijn door een groot aantal slachtoffers vorderingen ingediend. De verdachten zullen de schade die is veroorzaakt bij overvallen waarvoor zij worden veroordeeld, dienen te vergoeden. In de gevallen waarin de rechtbank verdachten veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding zal ook een schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd en zal de vordering hoofdelijk worden opgelegd.

Materiële schade

De rechtbank wijst de bedragen die worden gevorderd in verband met reiskosten voor doktersbezoek, bezoek aan slachtofferhulp, bezoek aan het politiebureau en soortgelijke toe. Hetzelfde geldt voor de kosten in verband met goederen die door de overvallers zijn weggenomen of bij de overval zijn beschadigd. Ook de kosten die zijn gemaakt in verband met professionele hulp voor psychische problemen ten gevolge van de overvallen wordt toegewezen, voor zover deze kosten met nota’s zijn onderbouwd. In een aantal gevallen is schade gesteld in verband met het niet kunnen voltooien van een opleiding. De rechtbank is van oordeel dat het bepalen van deze schade een onevenredig zware belasting oplevert voor het strafproces en zal de vorderingen op dit punt niet ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

In veel gevallen is naast vergoeding van materiële ook vergoeding van immateriële schade gevorderd. In de overgrote meerderheid van de gevallen is een bedrag van € 1750,- gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat in zijn algemeenheid voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partijen immateriële schade hebben geleden ten gevolge van de overval. De rechtbank zal echter niet in alle gevallen het volledige gevorderde bedrag toewijzen.

De rechtbank acht het aannemelijk dat de werknemers die geconfronteerd zijn geweest met een rechtstreekse bedreiging door de overvallers en daarbij bovendien werden gedwongen handelingen te verrichten onder bedreiging van een wapen, meer immateriële schade hebben ondervonden dan degenen die daarmee niet zijn geconfronteerd, maar die zijn vastgebonden. Uit de toelichting op de vorderingen van de verschillende slachtoffers komt dit verschil ook naar voren.

Voorts acht de rechtbank aannemelijk, en ook dat komt in de toelichting op de

vorderingen naar voren, dat degenen die verantwoordelijk waren voor de winkel en voor het grotendeels minderjarige personeel, meer last hebben ondervonden van de gevolgen van de overval dan de anderen.

Op grond hiervan zal de rechtbank in beginsel de immateriële schade tot de volgende bedragen toekennen.

• In de gevallen waarin het gaat om de bedrijfsleider/eigenaar van de overvallen supermarkt, waarbij deze werd gedwongen goederen af te geven aan de overvallers acht de rechtbank toewijzing van de gevorderde € 1750,- op zijn plaats.

• In die gevallen waarin de medewerkers niet alleen zijn vastgebonden maar ook onder bedreiging van een wapen mee handelingen moeten hebben verricht voor de overvallers acht de rechtbank een bedrag van € 750,- aannemelijk gemaakt.

• In die gevallen dat de medewerker van de supermarkt door de overvallers is vastgebonden een bedrag van € 500,-.

• In die gevallen dat de medewerker van de supermarkt na binnenkomst van de overvaller wisten te ontsnappen een bedrag van € 250,-

Met betrekking tot de vordering ingediend door mw. A, medewerkster van het Casino te Ter Apel is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de mate van het geweld dat jegens haar is gepleegd en de psychische schade die zij daardoor heeft geleden, vergoeding van immateriële schade tot een hoger bedrag toewijsbaar is en wel tot een bedrag van € 5000,=.

De rechtbank zal de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade voor het meerdere niet ontvankelijk verklaren. Niet is uitgesloten dat er meer immateriële schade dan thans wordt toegewezen is geleden of nog zal worden geleden, doch het bepalen van deze schade vormt een onevenredig zware belasting voor het strafproces.

De benadeelde partij Café De Bonte Koe zal niet ontvankelijk worden verklaard omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd. In de aangifte wordt geen melding gemaakt van ontvreemding van accuboormachines, geld of hoppers.

De benadeelde partij café De Pelikaan, zal niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering omdat de vordering betrekking heeft op een feit dat niet aan de verdachte is tenlastegelegd en ook niet als ad informandum gevoegd feit op de dagvaarding is vermeld.

strafmaat

Met betrekking tot de op te leggen straf overweegt de rechtbank als volgt:

Verdachte S.A.

Verdachte heeft zich, kort nadat hij een aanzienlijke gevangenisstraf in verband met het overvallen van een supermarkt heeft uitgezeten, weer opnieuw beziggehouden met het plegen van overvallen en inbraken en deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met het plegen van overvallen en inbraken.

In een periode van een aantal maanden is verdachte niet alleen daadwerkelijk betrokken geweest bij het plegen van zeven overvallen en elf inbraken of autodiefstallen, maar heeft hij zich ook veelvuldig beziggehouden met het beramen van nog meer overvallen. Uit de getapte telefoongesprekken, de observaties en de afgeluisterde gesprekken blijkt dat verdachte een grote rol had bij het organiseren en voorbereiden van overvallen.

Op geen enkele wijze heeft verdachte zich bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers. Dat deze gevolgen ernstig kunnen zijn zal voor een ieder duidelijk zijn en ook verdachte heeft dat kunnen beseffen. Toch heeft verdachte zich hierdoor niet laten weerhouden.

Van omstandigheden op grond waarvan hem de feiten minder zwaar zouden kunnen worden toegerekend is niet gebleken, verdachte heeft geweigerd mee te werken aan nadere rapportage.

De officier van justitie heeft met toepassing van de samenloopregeling de maximaal mogelijke gevangenisstraf van 16 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd. Zij heeft dit gemotiveerd met een verwijzing naar de ernst van de gepleegde feiten en het grote aantal van de gepleegde feiten.

Hoewel ook de rechtbank van oordeel is dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is, zal de rechtbank een straf van kortere duur dan gevorderd opleggen. In de duur van de op te leggen gevangenisstraf dienen naar het oordeel van de rechtbank de verschillende strafdoelen tot uiting te komen. Naast vergelding, normbevestiging en generale preventie dient de straftoemeting ook in het perspectief van gedragsbeïnvloeding en resocialisatie te staan, want op enig moment zal de tot vrijheidsstraf veroordeelde persoon als vrij mens weer deel uitmaken van de samenleving.

Vanwege het grote aantal, veelal minderjarige, slachtoffers en vanwege de realistisch gepresenteerde dreiging met (vuur)wapengeweld zal er in de strafmaat nadrukkelijk aandacht moeten zijn voor vergelding van het toegebrachte leed, waarbij de rechtbank zich realiseert, dat geen enkele straf, hoe zwaar ook, dat leed teniet kan doen.

Bij het toepassen van het vergeldingscriterium mag de rechtbank niet uit het oog verliezen, dat de thans voorliggende strafbare feiten ook in een breder verband gezien moeten worden. Hoewel met name voor de directe slachtoffers elke vergelijking met andere overvallen irrelevant is, zal de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat wel degelijk die vergelijking in gedachten moeten houden, al was het maar om recht te doen aan de relatieve ernst van de aard en de soort van de bewezen verklaarde bedreigingen en van het bewezen verklaarde geweld.

Uit oogpunt van generale preventie zal de strafmaat overduidelijk naar potentiële daders het signaal moeten bevatten, dat dit soort strafbare gedragingen uitsluitend met de zwaarste strafmodaliteit – gevangenisstraf – beantwoord zal worden.

De strafmaat zal de samenleving het vertrouwen moeten geven, dat de gestelde normen onveranderd zijn en dat inbreuk op die gestelde normen beantwoord wordt met een daarbij passende straf.

Voor de verdachte zal helder moeten zijn, dat de samenleving tot steeds zwaardere straffen zal overgaan als verdachte weigert uit eerdere veroordelingen de lering te trekken dat hij zijn gedrag moet veranderen en aan moet passen aan wat regel is in onze rechtsorde

In de straftoemeting dient gelet op de resocialisatiegedachte bovendien oog te zijn voor de persoon van de verdachte en zijn toekomst, zeker als het gaat om een - zoals in dit geval - jonge man van 21 jaar. Aan verdachte zal daarom enig uitzicht op terugkeer in die samenleving geboden moeten worden.

Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen jaar op zijn plaats.

Voorts dient de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden ten uitvoer te worden gelegd.

B. A.

Strafmotivering

Verdachte heeft zich, kort nadat hij een aanzienlijke gevangenisstraf in verband met het overvallen van een supermarkt heeft uitgezeten, weer opnieuw beziggehouden met het plegen van overvallen en inbraken en deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met het plegen van overvallen en inbraken.

In een periode van een aantal maanden is verdachte niet alleen daadwerkelijk betrokken geweest bij het plegen van vier overvallen, maar heeft hij zich ook veelvuldig beziggehouden met het beramen van nog meer overvallen. Uit de getapte telefoongesprekken, de observaties en de afgeluisterde gesprekken blijkt dat verdachte een grote rol had bij het organiseren en voorbereiden van overvallen.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 12 jaar onvoorwaardelijke gevorderd, zij heeft dit gemotiveerd met een verwijzing naar de ernst van de gepleegde feiten en het grote aantal gepleegde feiten.

Hoewel ook de rechtbank van oordeel is dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is, zal de rechtbank een straf van kortere duur dan gevorderd opleggen. Van belang hierbij is dat B.A. van één van de ten laste gelegde overvallen is vrijgesproken. De rechtbank verwijst voorts naar de algemene overwegingen over de strafmaat, zoals hiervoor opgenomen bij S.A..

Ook aan B. A., een nog jonge verdachte van 24 jaar zal enig uitzicht op terugkeer in de samenleving geboden moeten worden.

Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaar op zijn plaats.

Voorts dient de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden ten uitvoer te worden gelegd.

Verdachte J.K.

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met het plegen van overvallen en inbraken. Niet bewezen is geacht dat verdachte daadwerkelijk bij de uitvoering van de hem ten laste gelegde overvallen betrokken is geweest. Wel is hij direct betrokken geweest bij voorverkenningen en heeft hij daarvoor zijn auto ter beschikking gesteld.

De officier van justitie heeft tegen verdachte een gevangenisstraf gevorderd van negen jaar onvoorwaardelijk. De rechtbank komt tot een aanzienlijk lagere straf, omdat de rechtbank de daadwerkelijke betrokkenheid van verdachte bij geen van de ten laste gelegde overvallen bewezen acht. Voorts is uit de bewijsmiddelen niet gebleken dat verdachte een sturende of leidinggevende rol had binnen de criminele organisatie. Niet is gebleken van persoonlijke omstandigheden waarmee de rechtbank rekening moet houden noch van omstandigheden op grond waarvan hem de feiten minder zwaar zouden kunnen worden toegerekend nu verdachte heeft geweigerd mee te werken aan enige rapportage.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan vier voorwaardelijk op zijn plaats. De onvoorwaardelijke straf is gelijk aan het intussen opgelegde voorarrest.

Voorts dient de eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden ten uitvoer te worden gelegd.

Verdachte O.B.

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met het plegen van overvallen en inbraken. Voorts is bewezen verklaard dat verdachte daadwerkelijk bij de uitvoering van één van de hem ten laste gelegde overvallen betrokken is geweest. Hij was daaraan medeplichtig. Ook is bewezen geacht dat verdachte heeft deelgenomen aan drie ten laste gelegde autodiefstallen en een inbraak.

De officier van justitie heeft tegen verdachte een gevangenisstraf gevorderd van vijf jaar onvoorwaardelijk. De rechtbank komt tot een aanzienlijk lagere straf, omdat de rechtbank de daadwerkelijke betrokkenheid van verdachte bij de gewelddadige overval in Ter Apel niet bewezen acht. Hiervan uitgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan zes voorwaardelijk met een aantal bijzondere voorwaarden op zijn plaats.

Voorts dient de eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf van 25 uur taakstraf ten uitvoer te worden gelegd.

Verdachte K.K.

Bewezen wordt geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot een gewelddadige overval, waarbij het slachtoffer daadwerkelijk met een wapen is bedreigd en aan medeplichtigheid bij een gewapende overval op een supermarkt.

Verdachte heeft voorts deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met het plegen van overvallen en inbraken. Uit de afgeluisterde gesprekken blijkt dat verdachte een actieve rol speelde bij de planning van een nieuwe overval, voorts stelde verdachte zijn auto regelmatig ter beschikking.

Uit de over verdachte opgemaakte rapportage blijkt dat verdachte beïnvloedbaar en impulsief is en het spannend vond om met de voorbereidingen mee te doen. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte er nog steeds onvoldoende van doordrongen is dat hij heeft meegedaan aan zeer ernstige strafbare feiten en dat hij bij de overval te Kerkrade zelfs een initiërende rol heeft gespeeld. Mede daarom acht de rechtbank het opleggen van de bijzondere voorwaarden als bedoeld in het reclasseringsrapport noodzakelijk. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van de voorlopige hechtenis, zoals door de raadsman is bepleit, is niet op zijn plaats. De rechtbank komt uit op een iets lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd en veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een aantal bijzondere voorwaarden.

Verdachte M.V.

Bewezen wordt geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot een gewapende overval op een supermarkt en aan een aantal inbraken en autodiefstallen.

Verdachte heeft voorts deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met het plegen van overvallen en inbraken.

Uit de over verdachte opgemaakte rapportage blijkt dat verdachte te kampen heeft met psychische problemen en daarvoor onder behandeling stond. Daarmee zal de rechtbank rekening houden. Ook zal de rechtbank rekening houden met het feit dat verdachte slechts zeer kort, gedurende een periode van een aantal weken, heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. De rechtbank komt daarom tot een lagere straf dan door de officier van justitie werd gevorderd. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 14 maanden waarvan 6 voorwaardelijk, hetgeen betekent dat de op te leggen onvoorwaardelijke straf gelijk is aan het voorarrest. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte bijzondere voorwaarden met reclasseringstoezicht opleggen.

Verdachte D.K.

Niet bewezen wordt geacht dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Wel heeft verdachte een inbraak en een brandstichting gepleegd. Brandstichting is een ernstig gevaarzettend feit, terwijl bij inbraken in een bedrijf zoals in dit geval, vaak veel schade wordt aangericht. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Gelet op de minderjarigheid van verdachte is de rechtbank, evenals de officier van justitie, van oordeel dat kan worden volstaan met het opleggen van een vrijheidsstraf gelijk aan het voorarrest. De rechtbank ziet geen reden om daarnaast, zoals werd gevorderd, nog een taakstraf op te leggen. Aan verdachte zal toezicht door de jeugdreclassering worden opgelegd middels de maatregel hulp en steun. De rechtbank is van oordeel dat de prioriteit thans dient te liggen bij verdere hulpverlening en het naleven van de in dit kader gegeven aanwijzingen door de jeugdreclassering. Hierbij acht de rechtbank het van groot belang dat verdachte zijn school weer zal hervatten.

De rechtbank legt aan verdachte op een jeugddetentie ter grootte van 200 dagen waarvan 113 voorwaardelijk met toezicht van de jeugdreclassering.