Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BY7006

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
357582 / VV EXPL 12-93
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector kanton

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 357582 \ VV EXPL 12-93

Vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 4 Rv van 19 december 2012

in de zaak van

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. H.J.A. van Dijk,

tegen

de besloten vennootschap Ardagh Metal Packaging Netherlands B.V.,

hierna te noemen: Ardagh,

gevestigd te 7902 BZ Hoogeveen, Prins Hendrikstraat 24,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P. Hulsegge.

De procedure

Bij dagvaarding van 30 oktober 2012 heeft [eiser] gevorderd om bij wege van onmiddellijke voorziening, Ardagh te veroordelen tot betaling van achterstallige salaris vanaf 14 september 2012, de wettelijke verhogingen daarover en de wettelijke rente, kosten rechtens.

Nadat de zaak ter terechtzitting werd behandeld, gelijktijdig met het door Ardagh ingediende voorwaardelijke ontbindingsverzoek (bekend onder nummer 359131 / EJ VERZ 12-5264) en van welke behandeling aantekeningen werden gemaakt, werd vonnis op heden bepaald.

De inhoud van alle stukken geldt als hier herhaald.

De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist.

1. Ardagh is een onderneming die verpakkingsmateriaal, bestemd voor melkpoeders voor baby's, produceert.

2. [eiser] is sinds 14 september 1981 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Ardagh, laatstelijk in de functie van lijntechnicus, tegen een bruto salaris van € 2.579,56 per maand, exclusief emolumenten.

3. Binnen Ardagh gelden de regels en voorschriften zoals vastgelegd in het boekje met belangrijke uitgangspunten en startinformatie (het zogenoemde BUS-boekje). Daarin is in bijlage 1 ten aanzien van de hygiëne -voor zover hier relevant- bepaald dat:

"Onderstaande instructies gelden voor een ieder die Ardagh Hoogeveen betreedt en komen voort uit de eisen van BRC/OP en klanten:

(…)

Niet roken, eten, drinken, snoepen en medicijngebruik:

(…)

Eten, drinken, snoepen (inclusief kauwgom en pruimtabak) en het gebruik van medicijnen is alleen toegestaan in de kantines en kantoren."

4. Ardagh heeft de hygiëneregels ook door middel van bijeenkomsten (de zo te noemen kantinesessies) bij alle medewerkers onder de aandacht gebracht. Naar aanleiding van zo'n sessie heeft Ardagh op 17 december 2009 een brief doen uitgaan naar alle medewerkers waarin staat -voor zover hier relevant:

"(…)

alleen in de schaftruimtes mag worden gegeten en gedronken;

(…)

Zoals aangegeven tijdens de kantinesessies is de tijd van waarschuwingen voorbij; indien er ten aanzien van het rook-, eet en/of drinkgedrag een overtreding van de geldende regels door leidinggevenden wordt geconstateerd, zal dit leiden tot ontslag.

Om de ernst van bovenstaande te onderstrepen heeft de OR besloten om deze brief mede te ondertekenen."

De brief is ondertekend door Ardagh en door de ondernemingsraad.

5. Op 11 september 2012 heeft Ardagh tijdens een audit geconstateerd dat [eiser] in de zogenoemde productiezone twee aangebroken doosjes pepermunt in zijn gereedschapkist bewaarde.

6. Diezelfde dag heeft Ardagh [eiser] aangesproken op dat feit en hem gemeld dat het houden van de pepermuntjes in de productiezone in strijd is met de hygiënevoorschriften die zij hanteert. [eiser] is vervolgens op non-actief gesteld. Dit is bij brief van 12 september 2012 bevestigd. Ardagh meldt in die brief dat zij zich beraadt over nader te nemen stappen en sluit een ontslag op staande voet niet uit. Zij nodigt [eiser] uit voor een gesprek daarover op 14 september 2012.

7. Op 14 september 2012 heeft Ardagh [eiser] in dat vervolggesprek ontslag op staande voet aangezegd. Bij brief van 14 september 2012 heeft Ardagh dit besluit aan [eiser] bevestigd. De door Ardagh aangevoerde dringende reden is het overschrijden van de binnen haar onderneming geldende hygiënevoorschriften door in de productiezone etenswaar (in de vorm van pepermuntjes) bij zich te houden. Hiermee heeft [eiser] het voortbestaan van Ardagh op het spel gezet. [eiser] wist dat hij zich diende te conformeren aan de hygiënevoorschriften en hij wist dat overtreding van dat gebod tot ontslag op staande voet kon leiden. De voorschriften zijn aan hem bekend gemaakt middels het BUS-boekje, de kantinesessies en de brief van 17 december 2009.

8. [eiser] heeft bij brief, eveneens gedateerd 14 september 2012, de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich bereid en beschikbaar verklaard om de overeengekomen werkzaamheden te hervatten.

9. Ardagh heeft volhard in haar besluit en heeft tot 14 september 2012 het salaris aan [eiser] uitbetaald.

10. Op 24 september 2012 schrijft de ondernemingsraad van Ardagh naar aanleiding van het gegeven ontslag op staande voet een brief aan de directie. Hij vraagt Ardagh om het gegeven ontslag te heroverwegen. Daarbij voert hij aan dat Ardagh het -op papier bestaande- sanctioneringsbeleid niet consequent handhaaft, nu overtredingen van de etenswarenregel door anderen dan [eiser], zelfs nog een week voordat hij werd ontslagen, werden afgedaan met een mondelinge waarschuwing, daar waar een officiële waarschuwing, eventueel in combinatie met enkele dagen schorsing, meer op zijn plaats zou zijn. Een ontslag op staande voet kan niet de juiste sanctie zijn, volgens de ondernemingsraad.

11. [eiser] vordert thans loondoorbetaling vanaf 14 september 2012. Bij verzoekschrift van 13 november 2012 heeft Ardagh verzocht, voor zover vereist, de arbeidsovereenkomst met [eiser] te ontbinden.

De vordering en het verweer

11. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het gegeven ontslag op staande voet nietig is, nu het niet is gegrond op een dringende reden. De arbeidsovereenkomst duurt voort en hij maakt aanspraak op loondoorbetaling.

[eiser] heeft betwist dat hij de hygiënevoorschriften heeft overtreden. Hij hield snoep bij zich maar hij nuttigde het niet. De voorschriften van Ardagh verbieden slechts het nuttigen van snoep in de productiezone, niet ook het houden er van. In de kantinesessies en in de brief van 17 december 2009 is dit verbod ook beperkt tot het nuttigen. Dat blijkt ook wel uit de praktijk, waarin collegae met sigaretten op zak door de productieruimte lopen, waarin in dezelfde kleding wordt gewerkt als geluncht en waarin, in geval van overwerk, het gebrachte avondeten door de productiezone naar de schaftruimte wordt gebracht zonder dat dit in een afgesloten emmer zit. Zo al sprake is van overtreding van de voorschriften, is een ontslag op staande voet disproportioneel.

12. Ardagh voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering.

De beoordeling

13. Gelet op de aard van de vordering wordt het spoedeisende belang aanwezig geacht.

14. De kantonrechter overweegt dat voor toewijzing van de voorzieningen zoals door [eiser] gevorderd, het in hoge mate aannemelijk moet zijn dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat door [eiser] terecht een beroep op de vernietiging van het op 14 september 2012 gegeven ontslag is gedaan en dat geen rechtsgeldig einde aan het dienstverband is gekomen.

15. Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is onder meer een dringende reden vereist. Beoordeeld zal dus moeten worden of een bodemrechter tot de slotsom zal komen dat [eiser] de hygiënevoorschriften heeft overtreden zodat aan hem terecht een ontslag op staande voet kon worden gegeven. Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen.

16. Daarbij merkt de kantonrechter op dat Ardagh niet schriftelijk heeft vastgelegd dat het houden van etenswaar in de productiezone verboden is. Zowel uit het BUS-boekje als uit de brief van 17 december 2009 blijkt dat het (actief) nuttigen van eten, snoep daaronder begrepen, in de productiezone verboden is. Nu [eiser] niet is verweten dat hij in de productiezone snoep heeft genuttigd, is voorshands niet aannemelijk geworden dat hij de hygiënevoorschriften, voor zover die op papier zijn vastgelegd, heeft overtreden.

17. Ook acht de kantonrechter voorshands niet aannemelijk geworden dat [eiser] een niet-schriftelijk vastgelegde hygiëneregel heeft overtreden. Ardagh heeft, hoewel dit wel op haar weg lag, geen nadere invulling gegeven aan haar door [eiser] weersproken stelling dat in de kantinesessies is meegedeeld dat het houden van snoep in de productiezone verboden is. Ook in de hand-outs, powerpointpresentaties en flyers waarin het hygiënebeleid wordt uitgedragen, door Ardagh bij die kantinesessies aan [eiser] uitgereikt en als productie overgelegd, staat niet vermeld dat het houden van etenswaar in de productiezone verboden is.

18. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Ardagh aangevoerd dat het onderscheid tussen 'nuttigen' en 'houden' irrelevant is. Het had [eiser] simpelweg duidelijk behoren te zijn dat het bedrijfsbelang van Ardagh door mogelijke contaminatie onder druk komt te staan, en dat dientengevolge geen etenswaar de productiezone in mocht.

19. Door [eiser] is gemotiveerd weersproken dat het hem duidelijk was dat nuttigen enerzijds en houden anderzijds gelijkgesteld werden door Ardagh.

20. Hierover overweegt de kantonrechter dat het belang dat Ardagh heeft bij naleving van de hygiëneregels tijdens de kantinesessies aan de orde is gekomen, zodat het voor [eiser] bekend was. Het belang is alleszins te rechtvaardigen en dientengevolge zou overtreding van de hygiënevoorschriften door een werknemer -in zijn algemeenheid- kunnen leiden tot een ontslag op staande voet. Het moet dan echter klip en klaar zijn hoe ver die hygiënevoorschriften strekken. De kantonrechter kan, gelet op de betwisting door [eiser], het verweer van Ardagh niet rijmen met de door [eiser] gestelde en door Ardagh niet weersproken dagelijkse praktijk. Uit die praktijk blijkt naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter dat de door Ardagh aangevoerde (geschreven en ongeschreven) hygiëneregels niet strikt en consequent worden nageleefd. De kantonrechter betrekt daarbij de brief van de ondernemingsraad van 24 september 2012, waaruit blijkt dat ook de sanctionering op een overtreding niet consequent wordt uitgevoerd. Ook betrekt de kantonrechter bij zijn beoordeling dat de gelijkstelling tussen nuttigen en houden die de leiding van Ardagh vanzelfsprekend acht, door het lager geschoolde personeel niet als zodanig wordt begrepen. In dat licht bezien is niet aannemelijk geworden dat het [eiser] duidelijk moest zijn dat zijn gedrag niet acceptabel was. Nu hij bovendien een lange en onberispelijke staat van dienst heeft, een eenzijdige en eenvoudige opleiding heeft genoten en zijn kansen op de arbeidsmarkt gelet op zijn leeftijd niet rooskleurig zijn, lag een minder vergaande maatregel veeleer voor de hand.

21. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter bestaat er gelet op het voorgaande een gerede kans dat de bodemrechter in een eventuele bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat de vernietiging van de opzegging terecht is ingeroepen. [eiser] heeft dan ook recht op doorbetaling van zijn loon vanaf 14 september 2012, alsmede op goede grond aanspraak gemaakt op vergoeding van wettelijke rente en de wettelijke verhoging. De wettelijke verhoging zal ambtshalve worden gematigd tot 25%.

De beslissing

De kantonrechter recht doende als voorzieningenrechter:

A. veroordeelt Ardagh om aan [eiser] te betalen het salaris na 14 september 2012 tot de dag waarop rechtsgeldig een einde komt aan het dienstverband, te vermeerderen met de wettelijke verhogingen ex artikel 7:625 BW tot een maximum van 25%,

B. veroordeelt Ardagh om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over het onder A. bedoelde vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd,

C. veroordeelt Ardagh tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 103,17 aan dagvaardingskosten, € 73,00 aan vast recht en € 400,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. G.J.J. Smits en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.

typ/conc: 217/EJ

coll: