Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BY0927

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
23-10-2012
Zaaknummer
89352 FA RK 11-2817
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1892, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Misbruik van omstandigheden, wat leidt tot vernietiging van de erkenning van de minderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2012-0094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Civiel

Beschikking d.d. 4 juli 2012

Zaaknummer 89352 / FA RK 11-2817

Beschikking van de tweede enkelvoudige kamer in de zaak van:

[de man],

wonende te [adres],

verzoeker, hierna te noemen de man,

toegevoegd advocaat mr. W.J.P. Suringar,

-- en --

1. [de vrouw],

wonende te [adres],

gerekwestreerde, hierna te noemen de vrouw,

2. de heer [X],

wonende te [adres],

belanghebbende, hierna te noemen de heer [X],

beiden advocaat mr. P.L. Verhulst,

3. mr. H.Q.N. Renon, advocaat, kantoorhoudende te 9401 HN [plaats], Torenlaan 5, Postbus 399, 9400 AJ Assen, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [de minderjarige] (hierna te noemen: de minderjarige), geboren op [geboortedatum].

Verloop van de procedure

De man heeft een verzoekschrift ingediend, binnengekomen ter griffie van de rechtbank d.d. 19 oktober 2011, met het verzoek:

I. aan hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van genoemde minderjarige;

II. te bepalen dat er een omgangsregeling tussen de minderjarige en de man zal zijn van één weekend per veertien dagen, met een nader te bepalen opbouw.

Bij beschikking van deze rechtbank d.d.14 maart 2012 is mr. H.Q.N. Renon, advocaat te Assen, als bijzonder curator benoemd over genoemde minderjarige.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- de brief van mr. P.L. Verhulst d.d. 7 maart 2012;

- de brief van mr. H.Q.N. Renon d.d. 29 mei 2012;

- de brief van mr. W.J.P. Suringar d.d. 30 mei 2012.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 31 mei 2012, alwaar zijn verschenen:

- [de man], bijgestaan door mr. W.J.P. Suringar;

- [de vrouw] en de heer [X], beiden bijgestaan door mr. P.L. Verhulst;

- mr. H.Q.N. Renon, bijzondere curator van de minderjarige;

- de heer J. Zijlstra, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).

Gronden van de beslissing

Vaststaande feiten

- partijen hebben een affectieve relatie gehad;

- uit deze relatie is genoemd minderjarig kind geboren;

- de minderjarige is op 30 augustus 2011 erkend door de heer [X], gewezen levenspartner van de vrouw. Daarbij heeft de minderjarige de geslachtsnaam [X] gekregen;

- de vrouw en de heer [X] hebben beiden het gezag over de minderjarige;

- de minderjarige verblijft bij de vrouw.

Standpunten van de man

De man heeft aangevoerd dat de vrouw hem niet in de gelegenheid heeft willen stellen om de minderjarige te erkennen. Volgens de man heeft hij de vrouw vlak na de geboorte van de minderjarige en ook daarna aangegeven dat hij de minderjarige wenst te erkennen. De man betwist dat de vrouw ongewild zwanger is geworden. Volgens de man gunt de vrouw hem geen rol in het leven van de minderjarige. De man vindt dit een onwenselijke situatie en is niet bereid om zich daar bij neer te leggen. De man wenst de minderjarige te erkennen en vindt het in het belang van de minderjarige dat er een familierechtelijke band tot stand komt tussen hem en de minderjarige. Ook acht de man het in het belang van de minderjarige dat zij weet wie haar vader is en dat de minderjarige een goede relatie met hem kan opbouwen. De man realiseert zich dat een omgangsregeling voorzichtig moet worden opgebouwd en stelt voor om te beginnen met een omgangsregeling van maximaal twee uren op zaterdag of zondag en de omgangsregeling na enige tijd uit te breiden naar één dag in het weekend en uiteindelijk naar een omgangsregeling van één weekend per veertien dagen.

De man heeft ter zitting (na schriftelijke aankondigen bij brief van mr. W.J.P. Suringar d.d. 30 mei 2012) een aanvullend verzoek ingediend, met het verzoek om de erkenning van de minderjarige door de heer [X] te vernietigen. Volgens de man is hij ernstig ziek geweest waardoor hij, mede vanwege de lange revalidatietijd, niet in staat is geweest om eerder een verzoek tot erkenning van de minderjarige bij de rechtbank in te dienen.

Standpunt van de vrouw en de heer [X]

De vrouw en de heer [X] ontgaat de ratio van benoeming van een bijzondere curator over de minderjarige, aangezien de heer [X] met het gezag over de minderjarige is belast en de belangen van de minderjarige optimaal door de vrouw en de heer [X] worden behartigd. De heer [X] heeft langdurig samengewoond met de vrouw, uit welke relatie een dochter is geboren. De vrouw heeft een kortstondige en instabiele relatie gehad met de man, van februari 2009 tot augustus 2009. Deze relatie is tussentijds vier keer is verbroken. Na het verbreken van de relatie bleek de vrouw (ongepland) zwanger. Vanaf de geboorte van de minderjarige tot aan het diende verzoekschrift is nimmer iets van de man vernomen, behalve de vier keer dat hij de minderjarige vlak na de geboorte gezien heeft.

De vrouw en de heer [X] maken geen bezwaar tegen het aanvullend verzoek tot vernietiging van de erkenning door de man.

De vrouw voert aan dat de man één keer met haar heeft gesproken over de erkenning van de minderjarige. Zij wilde als alleenstaande ouder een goede zorgregeling voor haar kind voor het geval haar iets zou overkomen. De heer [X] vervulde volgens de vrouw de vaderrol in het leven van de minderjarige en daarom heeft zij ingestemd met erkenning van de minderjarige door de heer [X] en met het feit dat hij met het gezag is belast. Het gaat haar alleen maar om het belang van de minderjarige en is haar op geen enkele manier gebleken dat de man een band met zijn kind wil. De vrouw ontkent dat zij bij het verlenen van toestemming tot erkenning en het gezag te kwader trouw is geweest jegens de man. De vrouw betwist dat de man niet eerder in de gelegenheid is geweest om een verzoek tot erkenning in te dienen. Uitgaande van de minderjarige dient volgens de vrouw uiterst zorgvuldig met een eventuele contactregeling te worden omgegaan. De vrouw vraagt zich af of er een soort band tussen de man en de minderjarige opgebouwd moet gaan worden, aangezien de man voor de minderjarige niet alleen een compleet vreemde is, maar ook iemand is die haar gaat ontvallen vanwege de vreselijke ziekte van de man.

De heer [X] voert aan dat hij samenwoont met de zus van de vrouw, als waren zij gehuwd, en dat uit die relatie twee kinderen zijn geboren. De heer [X] is van mening dat hij ook als vader van de minderjarige moet worden gezien. De man heeft de minderjarige vlak na de geboorte slechts viermaal gezien. Een erkenning van de minderjarige door de man draagt er volgens de heer [X] niet aan bij dat hij opeens als de vader wordt gezien. De man moet zijn vaderschap volgens de heer [X] eerst waar maken.

Standpunt van mr. Renon

Mr. Renon heeft in haar hoedanigheid van bijzondere curator van de minderjarige meegedeeld dat circa anderhalve week na beëindiging van de relatie tussen de man en de vrouw bekend is geworden dat de vrouw (ongepland) zwanger was. Niet ontkend of betwist wordt dat de man de verwekker van de minderjarige is. In de eerste vier maanden heeft de man de minderjarige viermaal gezien gedurende circa een half uur in het huis van de vrouw. Vanwege de ziekte van de man (maag- darmkanker) is het contact abrupt afgebroken. Er bestaat geen band tussen de man en de minderjarige. De vrouw heeft circa 10 jaar een relatie gehad met de heer [X], uit deze relatie is in 1997 een dochter geboren. Na beëindiging van de relatie is de zorg voor de dochter op gelijke verdeling tussen de vrouw en de heer [X] voortgezet. De heer [X] woont nu samen met de zus van de vrouw. Uit deze relatie is in 2001 en 2004 een kind kinderen geboren. De vrouw en haar kinderen en het gezin van de heer [X] gaan veel met elkaar om en de minderjarige verblijft één of twee dagen in het gezin van de heer [X]. De minderjarige heeft een band met haar halfzusje en de zonen van de heer [X]. Juridisch gezien is de heer [X] de vader van de minderjarige en uit het gezagsregister blijkt dat de vrouw en de heer [X] gezamenlijk het gezag hebben, zodat sprake is van een familierechtelijke betrekking. De minderjarige is derhalve ook een halfzusje van de zonen van de heer [X]. Het verzoek van de man houdt in dat de erkenning door de heer [X] zou moeten worden vernietigd. Een verzoek tot vernietiging kan niet door de biologische vader worden gedaan, tenzij sprake is van misbruik van bevoegdheid. Ruim veertien maanden na de geboorte van de minderjarige is de minderjarige door de heer [X] erkend. Uit niets is volgens mr. Renon gebleken dat in de voorafgaande periode sprake is geweest van misbruik van bevoegdheden door de vrouw. Gelet op de gegeven feiten en omstandigheden, is het in het belang van de minderjarige om de keuzemogelijkheid (om het vaderschap wel of niet te ontkennen) open te laten totdat de minderjarige een zodanige leeftijd heeft bereikt dat zij hierover zelf kan beslissen. De minderjarige heeft het recht heeft om te weten wie haar vader is, maar wel op een leeftijd waarop zij de rijpheid heeft om hiermee om te kunnen gaan. Op dit moment zijn de ouders degenen die dit voor haar kunnen bepalen. Mr. Renon adviseert om de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken.

Standpunt van de Raad

De Raad heeft meegedeeld dat het vertrouwen tussen de man en de vrouw hersteld zou moeten worden. De heer [X] zal in de ogen van de minderjarige haar vader zijn. De vraag is volgens de Raad of het in het belang van de minderjarige is om die realiteit te veranderen. Voor een kind is het van belang dat zij weet van wie zij afstamt. Daarin ligt een taak voor de de vrouw en de heer [X] om de minderjarige daarover te informeren. De jeugdhulpverlening zou daar eventueel bij kunnen helpen. Wellicht dat de man en de vrouw middels mediation het vertrouwen in elkaar kunnen herwinnen. Ook ten aanzien van de omgang tussen de man en de minderjarige zou mediation een rol kunnen spelen. Ingeval de ouders daar geen heil in zien, dan is wellicht een opbouw van de omgang met hulp van het Omgangscentrum Drenthe mogelijk. De Raad is bereid om een onderzoek te doen.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank staan de eisen van een goede procesorde er niet aan in de weg dat het verzoek op 30 mei 2012 is aangevuld met een verzoek tot vernietiging van de erkenning. De belanghebbenden hebben hier geen bezwaar tegen gemaakt en het verzoek hangt zozeer samen met het verzoek strekkende tot vervangende toestemming, dat belanghebbenden voldoende in staat geacht moeten worden om zich te kunnen verweren tegen het aanvullende verzoek.

De rechtbank heeft het aanvullende verzoek dan ook bij de behandeling betrokken en zal ook hierover oordelen.

De rechtbank overweegt dat een moeder een door haar ongewenste erkenning van haar kind behalve door het weigeren van toestemming, ook kan tegengaan door een andere man het kind te laten erkennen.

De minderjarige is op 30 augustus 2011 door de heer [X] erkend. De moeder heeft hiervoor haar toestemming verleend. Er is dan ook een rechtsgeldige erkenning tot stand gekomen. In artikel 1:205 BW zijn limitatief opgenoemd de personen die vernietiging van de erkenning kunnen verzoeken, alsmede de gronden waarop zij dit kunnen doen. De man, zijnde de verwekker van de minderjarige, behoort niet tot deze limitatief opgesomde groep van personen. Uit de parlementaire geschiedenis en de jurisprudentie (Kamerstukken II 1996/1997, 24 649, nr. 6, p. 40 en onder meer HR 12 november 2004, LJN AQ7386) kan evenwel worden afgeleid dat onder omstandigheden aan de verwekker van een kind, dat door een ander dan de verwekker is erkend, evengoed de mogelijkheid wordt verleend om vernietiging van de erkenning te verzoeken.

Daarbij zijn twee situaties te onderscheiden:

1. de situatie waarin de verwekker vervangende toestemming tot de erkenning heeft kunnen vragen maar zulks heeft nagelaten: uit de parlementaire geschiedenis vloeit voort dat de wetgever het mogelijk heeft geacht dat de verwekker in deze situatie met een beroep op misbruik van bevoegdheid de met toestemming van de moeder gedane erkenning van het kind aantast, indien door de moeder toestemming tot erkenning door de niet-verwekker is gegeven met slechts het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden. Indien zulks niet kan worden gezegd, en indien derhalve evenmin sprake is van het gebruiken van een bevoegdheid met een ander doel dan waarvoor zij is verleend noch van het ontbreken van een rechtens te respecteren belang bij het geven van die toestemming, heeft de wetgever blijkbaar aanvaard dat dan alleen het kind de erkenning moet kunnen vernietigen.

2. de gevallen waarin de verwekker niet of niet tijdig om vervangende toestemming heeft kunnen vragen, bijvoorbeeld omdat hem niet bekend was dat hij de verwekker van het betrokken kind is: het strookt met de parlementaire geschiedenis alsdan een minder strikte maatstaf te hanteren, te weten: of de moeder, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de verwekker bij erkenning en de daartegenover staande belangen van de moeder — telkens in verband met de belangen van het kind —, in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan de andere man heeft kunnen komen.

Voldoende staat vast dat de erkenning in de eerste week van de zwangerschap onderwerp van gesprek is geweest tussen de man en de moeder. Verder staat vast dat de man ernstig ziek is geweest. Verzoeker stelt dat hij dientengevolge niet in staat is geweest, er ook op vertrouwende dat de erkenning in orde zou komen, om het verzoek strekkende tot vervangende toestemming bij de rechter in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat niet staande gehouden kan worden dat de weliswaar ernstig ziek zijnde en revaliderende man niet vóór 30 augustus 2011 (de datum van erkenning door de heer [X]) om vervangende toestemming had kunnen vragen aan de rechter. De minderjarige is geboren op [geboortedatum]. Dit is zo’n veertien maanden voor de erkenning door de heer [X]. Vaststaat dat de erkenning onderwerp van gesprek is geweest aan het begin van de zwangerschap. Opgemerkt wordt dat erkenning reeds voor de geboorte mogelijk is. Dit betekent dat de man ruimschoots de tijd heeft gehad om tot erkenning, danwel het verzoeken om vervangende toestemming daarvoor, over te gaan. De ziekte van de man zal hier mogelijkerwijs enigszins aan in de weg hebben gestaan maar er hebben zich ook viermaal momenten van contact voorgedaan in het huis van de moeder van de vrouw, zodat niet ingezien kan worden dat in genoemd tijdsbestek niet tot actie had kunnen worden overgegaan. Onvoldoende gesteld danwel gebleken is dat dit niet had gekund. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen aanleiding om van de hiervoor genoemde minder strikte maatstaf –genoemd onder 2- uit te gaan.

Er zal dan ook uitgegaan worden van de situatie waarin de man vervangende toestemming tot de erkenning heeft kunnen vragen maar zulks heeft nagelaten (onder 1 genoemd). De genoemde strikte maatstaf is dan ook aan de orde.

In dat verband rijst de vraag of de vrouw met het geven van toestemming tot erkenning aan de heer [X] misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt. Dit is het geval indien de vrouw haar bevoegdheid om toestemming te verlenen misbruikt door toestemming te verlenen aan een andere man tot erkenning van het kind, met geen ander doel dan om aan de biologische vader verwezenlijking van diens uit artikel 8 lid 1 EVRM voortvloeiende aanspraak op erkenning te onthouden. Het recht op familie- en gezinsleven (8 lid 1 EVRM) staat er alsdan aan in de weg om die toestemming als rechtsgeldig aan te merken.

Onderkend moet worden dat met het geven van toestemming van de vrouw aan de heer [X] tot erkenning, de vrouw de man, die niet in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige, diens uit artikel 8 lid 1 EVRM (het recht op gezins – en familieleven) voortvloeiende aanspraak op erkenning onthoudt. Het belang van de man is evident. Het gaat hierbij met name om het omgangsrecht ex 1:377a BW. Zonder erkenning is de man geen juridische ouder en, nu geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking met de minderjarige, lijkt omgang niet door de man te kunnen worden afgedwongen. Gelet op de opstelling van de vrouw ziet het er ook niet naar uit dat de man een nauwe persoonlijke betrekking gaat krijgen met de minderjarige. Voor het recht op omgang alsmede de aanspraak op het rechtens erkennen van de relatie tussen de man en de minderjarige als een familierechtelijke rechtsbetrekking is de erkenning cruciaal.

De vrouw, zo staat onbetwist vast, heeft langdurig samengewoond met de heer [X] met wie zij nog een dochter, [naam dochter], heeft. Tegenwoordig woont de heer [X] samen met de zuster van de moeder. Zij hebben twee zonen. De heer [X] heeft de minderjarige erkend, heeft gezag over haar tezamen met de vrouw en de geslachtsnaam van de minderjarige is [X]. Onweersproken is komen vast te staan dat de heer [X] deelneemt aan de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het oogmerk van de erkenning door de heer [X] zou zijn, het creëren van een “stevige ouderschapsband” voor de minderjarige. De rechtbank overweegt dienaangaande dat de door de man gewenste erkenning daar niet aan in de weg staat.

Genoegzaam staat vast dat de advocaat van de man op 12 augustus 2011 de gemeente [plaats] verzocht heeft om het verstrekken van uitreksels in verband met de beoogde erkenning. De gemeente berichtte hierop op 18 augustus 2011 dat de GBA-gegevens van de vrouw voorzien waren van een geheimhoudingscode. Dit leidde ertoe, hoewel de vrouw geen bezwaar maakte tegen verstrekking van de uitreksels, dat de advocaat de gegevens eerst na ommekomst van zes weken kon tegemoet zien. De bezwaartermijn van de vrouw tegen verstrekking is zes weken. De gevraagde gegevens werden op 18 oktober 2011 verstrekt.

Op 30 augustus 2011, twee weken na indiening van het verzoek om verstrekking van gegevens door de advocaat van de man, heeft de heer [X] de minderjarige erkend en hiervoor, blijkens de akte van erkenning, toestemming voor gekregen van de vrouw. Op die

dag is ook in het gezagsregister aangetekend dat de vrouw en de heer [X] gezamenlijk het gezag over de minderjarige hebben.

De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw op de hoogte is geweest van het verzoek van de advocaat van de man aan de gemeente. De samenloop van de met de kort daaropvolgende erkenning door de heer [X] doet zij af als “toeval”.

De rechtbank overweegt dat de vrouw, gelet op genoemd chronologisch verloop, de schijn tegen heeft. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat de vrouw “toevallig” pas na ommekomst van veertien maanden na de geboorte toestemming aan de heer [X] verleent terwijl zij op dat moment reeds wist dat de man tot erkenning wenste over te gaan. De stelling van de vrouw, extra lang gewacht te hebben om de (nagenoeg van contact uitgesloten zijnde) man de kans tot erkenning te geven valt met de (toestemming tot) erkenning door de heer [X] op 30 augustus 2011, in het licht van de haar bekend zijnde wens tot erkenning van de man, evenmin te rijmen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aan de heer [X] verleende toestemming geen ander doel diende dan aan de man verwezenlijking van diens uit artikel 8 lid 1 EVRM voortvloeiende aanspraak op erkenning te onthouden. Van een rechtens te respecteren belang is met het geven van toestemming tot erkenning aan de heer [X] geen sprake. Zoals de rechtbank al overwoog staat de erkenning door de man er niet aan in de weg dat de heer [X], concubine van de zuster van de vrouw, een stevige (ouderschaps)band opbouwt.

Dit leidt ertoe dat de rechtbank ervan uitgaat dat met het geven van toestemming tot erkenning aan de heer [X] de vrouw misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid. Dit betekent dat het verzoek, ertoe strekkende dat erkenning door de heer [X] vernietigd wordt, zal worden toegewezen.

De vraagt ligt vervolgens voor of aan de man vervangende toestemming tot erkenning moet worden verleend.

Voor erkenning is de toestemming van de moeder vereist, maar deze kan worden vervangen door toestemming van de rechter, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden en de man de verwekker is (art 1:204 leden 3-4 BW).

In een procedure tot verkrijging "vervangende toestemming" (art. 1:204 lid 3 BW stelt niet de eis dat tussen de verwekker die wil erkennen en het kind "family life" als bedoeld in art. 8 EVRM bestaat) komt het aan op een afweging van de belangen van betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Het belang van de verwekker bij totstandkoming van de familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder of die van het kind bij een ongestoorde verhouding met het kind geschaad zouden worden als de toestemming zou worden vervangen. Door de rechter zullen het belang en de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de vrouw (het belang bij een ongestoorde verhouding met het kind) en van het kind bij niet-erkenning; van schade aan de belangen van het kind in de zin art. 1:204 BW is slechts sprake indien er tengevolge van de erkenning voor het kind reële risico's zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling.

Genoegzaam is komen vast te staan dat de man en de minderjarige nauwelijks contact hebben gehad met elkaar. Dit heeft zich beperkt tot een keer of vier, kort na de geboorte. Verder zijn zij, de rechtbank begrijpt tegen de zin van de man, van contact met elkaar verstoken gebleven.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft ter zitting te kennen gegeven aanleiding te zien om in het kader van voornoemde belangen van de vrouw en de minderjarige onderzoek te willen gaan doen en hierover dan te rapporteren. Dit geldt eveneens voor de door de man verzochte omgangsregeling. De rechtbank zal aan de Raad voor de kinderbescherming de vraag voorleggen of

- de ongestoorde verhouding tussen de vrouw en de minderjarige in het gedrang zou komen door de erkenning door de man;

- er tengevolge van de erkenning door de man voor de minderjarige reële risico's zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling;

- er sprake is van een of meer gronden om aan de man de omgang te ontzeggen (uitgaande van het verlenen van vervangende toestemming).

De rechtbank zal elke verdere beslissing aanhouden in afwachting van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. Gelet op de terugwerkende kracht van de vernietiging van de erkenning wordt de heer [X] geacht nimmer de juridische ouder van de minderjarige te zijn geweest. Ambtshalve zal de rechtbank dan ook bevelen dat de aantekening, ziend op het gezamenlijk, mede door hem uitgeoefende, gezag zal worden doorgehaald in het gezagsregister.

Beslissing

De rechtbank:

vernietigt de erkenning door [de heer X], geboren op [geboortedatum], van de minderjarige, geboren op [geboortedatum];

beveelt dat de aantekening in het gezagsregister, ziend op het gezag over genoemde minderjarige, door wordt gehaald;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te onderzoeken of:

- de ongestoorde verhouding tussen de vrouw en de minderjarige in het gedrang zou komen door de erkenning door de man;

- er tengevolge van de erkenning door de man, voor de minderjarige reële risico's zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling;

- er sprake is van een of meer gronden om aan de man de omgang te ontzeggen (uitgaande van het verlenen van vervangende toestemming);

verzoekt de Raad de rechtbank daarover vóór 3 oktober 2012 te rapporteren en te adviseren.

houdt iedere verdere uitspraak aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.R. de Locht, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2012 in tegenwoordigheid van M.J. Botter, griffier.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.