Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BY0783

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
22-10-2012
Zaaknummer
91247 - HA ZA 12-40
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Onbehoorlijke taakvervulling. Bestuurder van een vennootschap is persoonlijk aansprakelijk voor het onbetaald en onverhaald blijven van een vordering die is ontstaan doordat de vennootschap zich schuldig heeft gemaakt aan het fabriceren van "spookfacturen".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2012-0282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

91247 / HA ZA 12-405 september 2012

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 91247 / HA ZA 12-40

Vonnis van 5 september 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap

[eisende partij] ,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

zaakdoende te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J. Brakke te Zeewolde,

tegen

[gedaagde partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.Y. van der Pol te Assen.

Partijen zullen hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties van 30 januari 2012;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties van 1 april 2012;

  • -

    de conclusie van repliek van 20 juni 2012;

  • -

    de conclusie van dupliek van 1 augustus 2012.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de navolgende feiten die vaststaan omdat ze enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of niet voldoende zijn betwist, of omdat ze blijken uit de in zoverre onweersproken inhoud van de in het geding gebrachte producties.

2.2.

[eisende partij] betreft een factoormaatschappij; tegen vergoeding financiert zij de vorderingen van andere ondernemingen op derden voor en zij neemt in samenhang daarmee de vorderingen van die ondernemingen op die derden over.

2.3.

[bedrijf 1] handelend onder de naam [bedrijf 2], betreft een onderneming die het tijdschrift "[naam]" uitgaf. [bedrijf 1] sloot in dat verband advertentieovereenkomsten met derden.

2.4.

[eisende partij] heeft op 6 november 2008 een financieringsovereenkomst overeenkomst met [bedrijf 1] gesloten.

2.5.

Op grond van die overeenkomst heeft [bedrijf 1] aan [eisende partij] facturen toegezonden en de daaraan te ontlenen vorderingen van [bedrijf 1] op derden aan [eisende partij] overgedragen. [eisende partij] heeft op grond daarvan in totaal € 28.518,07 aan

[bedrijf 1] betaald.

2.6.

[eisende partij] heeft [bedrijf 1] aangesproken dit bedrag aan haar terug te betalen, daartoe stellende dat aan de aan haar toegezonden facturen "spookfacturen" zijn omdat daar geen overeenkomsten tussen [bedrijf 1] en derden aan ten grondslag hebben gelegen op grond waarvan [bedrijf 1] aanspraak zou kunnen maken op betaling van de door haar aan die derden gefactureerde bedragen.

2.7.

Korte tijd daarna is [bedrijf 1] failliet gegaan. Het faillissement van [bedrijf 1] is bij gebrek aan baten opgeheven.

2.8.

In zijn faillissementverslag stelt de curator in het faillissement van [bedrijf 1] dat een deugdelijke boekhouding bij [bedrijf 1] ontbreekt en dat sprake is van onbehoorlijk bestuur.

2.9.

Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tussen [eisende partij] en [bedrijf 1] werd laatstgenoemde vennootschap bestuurd door [gedaagde partij] .

2.10.

Op 8 juni 2009 heeft [gedaagde partij] zich met terugwerkende kracht per 26 maart 2009, de datum waarop volgens [eisende partij] nagenoeg alle spookfacturen zijn gedateerd, als bestuurder uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

[gedaagde partij] heeft met ingang van die datum de Stichting [naam stichting] in haar plaats als bestuurder ingeschreven in het handelsregister.

2.11.

De Stichting [naam stichting] is eerst op 7 april 2009 opgericht en op 8 april 2009 ingeschreven in het handelsregister.

2.12.

De Kamer van Koophandel heeft deze inschrijving doorgehaald.

3 Het geschil

3.1.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten vordert [eisende partij] , verkort weergegeven, veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 28.518,07 vermeerderd met rente en kosten.

Daartoe stelt [eisende partij] , samengevat weergegeven, dat zij

[gedaagde partij] kan aanspreken tot betaling van haar onbetaald en onverhaalbaar gebleven vordering op [bedrijf 1] [eisende partij] houdt [gedaagde partij] aansprakelijk voor de betaling van haar vordering op [bedrijf 1] , omdat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met [bedrijf 1] de bestuurder was van deze vennootschap en zij toen wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [bedrijf 1] haar verplichtingen jegens [eisende partij] niet zou kunnen nakomen of geen verhaal zou bieden. Bovendien blijkt volgens [eisende partij] dat een deugdelijke boekhouding door [bedrijf 1] niet werd gevoerd. Volgens [eisende partij] kan

[gedaagde partij] een ernstig en persoonlijk verwijt worden gemaakt dat [bedrijf 1] haar verplichtingen jegens [eisende partij] niet is nagekomen.

3.2.

Het verweer van [gedaagde partij] strekt tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] althans afwijzing van haar vordering en veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. Daartoe betwist [gedaagde partij] dat door [bedrijf 1] bewust zou zijn gefraudeerd en dat spookfacturen zijn verzonden. Volgens [gedaagde partij] ligt aan iedere factuur een overeenkomst ten grondslag die de debiteur verplicht de factuur te betalen. Verder voert [gedaagde partij] aan, samengevat weergegeven, dat zij tot 26 maart 2009 officieel en feitelijk werkzaam was als bestuurder van [bedrijf 1] Haar echtgenoot was binnen de onderneming van [bedrijf 1] de enige feitelijk werkzame persoon die haar globaal op de hoogte stelde van zijn feitelijke handelen. Vanaf 26 maart 2009 heeft een ander officieel de touwtjes in handen genomen en beslist over het reilen en zeilen van de onderneming van [bedrijf 1] [gedaagde partij] wijst in dit verband naar een akte levering aandelen die zij in het geding brengt. Daaruit blijkt volgens haar dat

[naam bestuurder] bestuurder van de vennootschap is geworden en zij feitelijk handelt en kennelijk facturen afsluiten waarvoor (kennelijk geen overeenkomst) ten grondslag ligt. [gedaagde partij] stelt dat niet zij maar [naam bestuurder] de verantwoordelijke bestuurder is die vanaf 26 maart 2009 officieel en feitelijk als bestuurder optrad.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven met het oog op een doelmatige bespreking, om het volgende. Op grond van een daartoe strekkende overeenkomst financiert [eisende partij] de debiteuren van [bedrijf 1] Die financiering wordt verstrekt op basis van de facturen die [bedrijf 1] aan haar opdrachtgevers verzend. De daaraan te ontlenen vordering wordt aan [eisende partij] overgedragen. [eisende partij] ervaart op een gegeven moment dat

[bedrijf 1] haar heeft opgelicht, omdat aan haar verzonden facturen niet zijn gebaseerd op een onderliggende overeenkomsten tussen [bedrijf 1] en in de facturen genoemde debiteuren. Haar hieraan te ontlenen vordering op [bedrijf 1] wordt niet betaald en blijkt als gevolg van het faillissement van [bedrijf 1] bovendien onverhaalbaar. [eisende partij] spreekt daarom [gedaagde partij] tot betaling aan. Volgens [eisende partij] treft haar als bestuurder van [bedrijf 1] persoonlijk een ernstig verwijt van het onbetaald en overhaalbaar blijven van de vordering van [eisende partij] op [bedrijf 1] [gedaagde partij] wijst iedere aansprakelijkheid af. Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de rechtbank als volgt.

4.2.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 december 2006 (NJ 2006, 659) voor de benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering, de maatstaf ontwikkeld dat naast de aansprakelijkheid van de vennootschap er ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond kan zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank zal aan de hand van deze maatstaf beoordelen of [gedaagde partij] al dan niet aansprakelijk is voor de schade die [eisende partij] lijdt doordat haar vordering op [bedrijf 1] onbetaald is gelaten en overhaalbaar blijkt te zijn.

4.3.

[eisende partij] stelt niet dat [gedaagde partij] bij de totstandkoming of bij de facturering heeft gehandeld namens de vennootschap. Het komt er daarom op aan of [gedaagde partij] heeft bewerkstelligdof toegelaten dat [bedrijf 1] haar verplichtingen ten opzichte van [eisende partij] niet is nagekomen. Als dat het geval is, staat te beoordelen of het handelen of het nalaten te handelen van [gedaagde partij] ten opzichte van [eisende partij] in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat [gedaagde partij] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Alleen dan is [gedaagde partij] aansprakelijk voor de schade die [eisende partij] lijdt doordat haar vordering op [bedrijf 1] onbetaald is gelaten en overhaalbaar blijkt te zijn.

4.4.

De beoordeling van een en ander hangt nauw samen met de vraag of [bedrijf 1] daadwerkelijk "spookfacturen" heeft verzonden in die zin dat [bedrijf 1] betaling van [eisende partij] heeft verkregen door facturen te fabriceren waaraan geen overeenkomst met een opdrachtgever ten grondslag liggen.

4.5.

Het daartegen bij conclusie van antwoord gerichte verweer van [gedaagde partij] heeft [eisende partij] aanleiding gegeven om bij repliek een uitvoerige toelichting te geven op iedere afzonderlijke factuur door haar als "spookfactuur" geduide factuur. Die toelichting vormt een concrete en specifieke onderbouwing van de bij dagvaarding betrokken stelling dat aan de facturen van [bedrijf 1] geen overeenkomsten ten grondslag hebben gelegen. [eisende partij] heeft haar stellingen onderbouwd met bewijsmiddelen.

4.6.

Gelet op deze toelichting lag het op de weg van [gedaagde partij] om een op iedere factuur toegesneden verweer te voeren en zicht te geven op voor bewijs vatbare feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de facturen gebaseerd zijn op met opdrachtgevers gesloten overeenkomsten.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [eisende partij] haar stellingen met bewijsmiddelen heeft onderbouwd (e-mailcorrespondentie waaruit volgt dat de betrokken bedrijven zich op het standpunt stellen geen opdracht aan [bedrijf 1] te hebben verstrekt) en [gedaagde partij] tot haar verweer niet toelicht waarom het door [eisende partij] overgelegde bewijsmateriaal ondeugdelijk is. De rechtbank oordeelt dat één en ander met zich brengt dat ten aanzien van de door [eisende partij] betrokken stelling dat [bedrijf 1] betaling van haar heeft verkregen door "spookfacturen" te fabriceren, van een deugdelijk verweer geen sprake is. Aldus gaat de rechtbank ervan uit dat [bedrijf 1] spookfacturen aan [eisende partij] heeft verzonden en daarmee en ten onrechte van [eisende partij] betaling heeft verkregen.

4.7.

De rechtbank oordeelt verder dat ervan moet worden uitgegaan dat

[gedaagde partij] dit heeft toegelaten. [gedaagde partij] was bestuurder van [bedrijf 1] , een vennootschap waarin zij actief was, samen haar echtgenoot. Er was daarom sprake van een kleine en voor [gedaagde partij] als echtgenote van de feitelijk leidinggevende, overzichtelijke organisatie. Het mag er daarom voor worden gehouden dat [gedaagde partij] wist van het reilen en zeilen van de onderneming, dan wel dat zij het heeft laten geworden dat zij als bestuurder niet over de voor een bestuurder relevante informatie de beschikte en zij zichzelf zo op afstand heeft gehouden van het reilen en zeilen van de onderneming dat het daardoor mogelijk werd dat [bedrijf 1] betalingen van [eisende partij] verkreeg door spookfacturen te fabriceren. In beide gevallen is sprake van een onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder. Door [gedaagde partij] zijn geen verontschuldigende omstandigheden aangevoerd die met zich brengen dat haar niet van haar handelen of haar nalaten te handelen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus houdt de rechtbank [gedaagde partij] aansprakelijk voor de schade die [eisende partij] lijdt als gevolg van het onbetaald en onverhaald blijven van haar vordering op [bedrijf 1]

4.8.

In het licht van de in rov. 2.7. tot en met 2.11. als vaststaande aangenomen feiten gaat de rechtbank voorbij aan het verweer dat [gedaagde partij] met ingang van de datum van verzending van de spookfacturen, 26 maart 2009, niet langer bestuurder van

[bedrijf 1] was.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verweer van [gedaagde partij] faalt, zodat de rechtbank de vordering in hoofdsom zal toewijzen.

4.10.

Tegen de bijkomende vordering tot vergoeding van wettelijke rente is geen op zichzelf staand verweer gevoerd. De vordering tot vergoeding van wettelijke rente is op de wet gegrond en zal worden toegewezen.

4.11.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal de rechtbank afwijzen. Daarvoor is redengevend dat [eisende partij] weliswaar stelt dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier maar zij nalaat zicht te geven op de concrete handelingen die zij heeft verricht en de tijd en kosten die met die handelingen gemoeid zijn geweest. Aldus is wat [eisende partij] stelt niet toereikend om de buitengerechtelijke incassokosten - voor zover gemaakt - te kunnen beoordelen op de redelijkheid daarvan.

4.12.

De rechtbank zal [gedaagde partij] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de op de gebruikelijke wijze te begroten kosten. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

- dagvaarding € 83,57

- griffierecht 1.789,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.030,57.

BESLISSING

De rechtbank

1. veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 28.518,07 (achtentwintig duizendvijfhonderdachttien euro en zeven eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 8 mei 2009 tot de dag van volledige betaling,

2. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij] tot op heden begroot op € 3.030,57,

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R. Tromp, bijgestaan door H. Takens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2012.L.B.