Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BY0778

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
22-10-2012
Zaaknummer
343277 CV EXPL 12-2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering bij betwiste ziekte. Als werknemer zichzelf ziek acht, maar de werkgever betwist de ziekte, zal de werknemer een deskundigenverklaring moeten overleggen waaruit volgt dat hij door ziekte niet in staat was de bedongen arbeid te verrichten. Als die verklaring niet wordt bijgevoegd, leidt dit tot afwijzing van de vordering tot doorbetaling van het loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0962
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Assen

Sector kanton

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 343277 \ CV EXPL 12-2014

vonnis van de kantonrechter van 4 september 2012

in de zaak van

[Eiser],

die woont in [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: FNV Bondgenoten,

tegen

De besloten vennootschap Energiewacht B.V.,

die gevestigd is Assen,

gedaagde,

gemachtigde: mr. L.H. Haarsma.

Partijen worden hierna [eiser] en De Energiewacht genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 2 april 2012;

- de conclusie van antwoord van 15 mei 2012;

- de conclusie van repliek van 10 juli 2012;

- de conclusie van dupliek van 7 augustus 2012.

Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag het vonnis wordt uitgesproken.

De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

[eiser] is op grond van een drietal opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, in dienst geweest bij De Energiewacht in de functie van servicemonteur.

Tijdens en ten behoeve van zijn dienstverband heeft [eiser] een opleiding tot servicemonteur gevolgd. Partijen hebben een studieovereenkomst gesloten waarin een financiële wordt regeling wordt getroffen ten aanzien van de studiekosten die ten behoeve van [eiser] zullen worden gemaakt. Op grond van die studieovereenkomst heeft De Energiewacht de studiekosten voor [eiser] betaald.

De studieovereenkomst biedt een regeling die De Energiewacht in de in die overeenkomst geregelde gevallen recht geeft op (gedeeltelijke) vergoeding van studiekosten.

[eiser] heeft zich vier dagen voor het einde van zijn dienstverband ziek gemeld. De Energiewacht heeft die ziekmelding niet geaccepteerd en heeft [eiser] thuis bezocht en hem meegedeeld dat hij contact moet opnemen met de bedrijfsarts en dat als hij dat niet doet De Energiewacht vier dagen zou afboeken op het vakantiedagensaldo van [eiser].

De Energiewacht heeft op het loon van [eiser] een deel van studiekosten en het met vier verlofdagen overeenkomende brutoloon ingehouden.

De vordering en het verweer

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten vordert [eiser], verkort weergegeven, veroordeling van De Energiewacht tot betaling van € 1.312,42 vermeerderd met de in art. 7:625 BW geregelde verhoging en vermeerderd met rente en kosten. Daartoe stelt [eiser], samengevat weergegeven, dat De Energiewacht bij hem de verwachting heeft gewekt dat na voltooiing van zijn opleiding zijn contract voor bepaalde tijd zou worden omgezet in een contract voor onbepaalde tijd en dat in weerwil van die verwachting De Energiewacht het initiatief heeft genomen het dienstverband niet voort te zetten. Volgens [eiser] volgt uit rechtspraak van de Hoge Raad dat als de werkgever het initiatief neemt tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als een vergoeding wordt verlangd van studiekosten. [eiser] voert verder aan dat hij zich ziek heeft gemeld, omdat hij door zijn rug was gegaan en dat De Energiewacht die ziekmelding niet wilde accepteren. Volgens [eiser] heeft De Energiewacht tijdens een huisbezoek gesteld dat hij contact moet opnemen met de bedrijfsarts en dat als hij dat niet doet vier vakantiedagen worden afgeboekt op zijn vakantiedagensaldo. Toen [eiser] vervolgens aangaf dat hij contact zou opnemen met de bedrijfsarts, heeft De Energiewacht gesteld dat een controle gelet op het einde van het dienstverband niet meer mogelijk zou zijn. [eiser] stelt dat gelet op een en ander ten onrechte loon is ingehouden. [eiser] stelt verder dat De Energiewacht ten onrechte € 25,-- op zijn salaris heeft ingehouden in verband met een IRIS-cheque die hij in verband met bewezen diensten heeft gekregen.

Het verweer van De Energiewacht strekt tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] althans afwijzing van zijn vordering en veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Daartoe voert De Energiewacht aan, samengevat weergegeven, dat zij op grond van de studieovereenkomst bij iedere wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht heeft op vergoeding van studiekosten die zij voor een werknemer heeft gemaakt. De Energiewacht voert tot haar verweer verder aan dat zij direct heeft gereageerd op de ziekmelding en dat zij de ziekmelding niet heeft geaccepteerd en dat het aan [eiser] is om te bewijzen dat hij ziek was. De Energiewacht betwist dat zij de IRIS-cheque als nettobedrag heeft ingehouden op het loon van [eiser].

De beoordeling

Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven met het oog op een doelmatige bespreking om het volgende. [eiser] is op grond van een drietal opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, in dienst geweest bij De Energiewacht in de functie van servicemonteur. Om dat werk te kunnen doen, heeft [eiser] een opleiding gevolgd tot servicemonteur.

De kosten van die opleiding heeft De Energiewacht voor [eiser] betaald, maar (gedeeltelijk) ingehouden op het loon. Het houdt partijen verdeeld of De Energiewacht die kosten wel op het loon mocht inhouden. Ook houdt het partijen verdeeld of De Energiewacht loon mocht inhouden in verband met de ziekmelding van [eiser]. Tot slot is tussen partijen in geschil of een inhouding op het loon van [eiser] heeft plaatsgevonden in verband met een aan [eiser] verstrekte IRIS-cheque. Ten aanzien van de tegen deze achtergrond tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de kantonrechter als volgt.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten het volgende voorop. Partijen hebben met hun studieovereenkomst een financiële regeling getroffen ten aanzien van de studiekosten die ten behoeve van [eiser] zullen worden gemaakt. Die studieovereenkomst regelt onder meer wanneer studiekosten door [eiser] aan De Energiewacht moeten worden terugbetaald. Een van de in die overeenkomst geregelde gevallen doet zich voor; de arbeidsovereenkomst is beëindigd binnen twee jaar nadat [eiser] zijn diploma heeft behaald. Daarmee is de contractuele grondslag gegeven die De Energiewacht, in beginsel, recht geeft op vergoeding van de voor [eiser] gemaakte studiekosten.

Te beoordelen staat echter of de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen vergoeding van de studiekosten, zodat aan het in de studieovereenkomst geregelde recht op vergoeding van studiekosten voorbij moet worden gegaan.

De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat de omstandigheid dat een werkgever het initiatief neemt tot beëindiging van een arbeidsovereenkomst er op zichzelf genomen niet aan in de weg staat dat die werkgever aanspraak maakt op een overeengekomen vergoeding van studiekosten. Het komt er daarom op aan of er bijkomende feiten en omstandigheden zijn gesteld die met zich brengen dat de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen een vergoeding van die studiekosten aan de werkgever.

Een bijkomend feit of een bijkomende omstandigheid kan zijn dat de werkgever bij een werknemer de verwachting heeft gewekt dat zijn dienstverband wordt voortgezet. Dit zal in het bijzonder een rol van betekenis kunnen spelen als de werknemer daardoor er in redelijkheid geen rekening mee hoefde te houden dat hij tot vergoeding van studiekosten wordt aangesproken.

In deze zaak blijkt echter niet dat bij [eiser] de gerechtvaardigde verwachting kan hebben geleefd dat zijn dienstverband hoe dan ook zou worden voortgezet. Het bestaan van een door De Energiewacht bij [eiser] gewekte verwachting die aan een vergoeding van studiekosten in de weg zou kunnen staan, kan daarom niet worden aangenomen.

Vervolgens staat te beoordelen of De Energiewacht gehouden is het loon door te betalen vanaf het moment dat [eiser] zichzelf ziek heeft gemeld. Partijen verschillen in dit verband van mening over de vraag of [eiser] gedurende de laatste dagen van zijn dienstverband ziek was. De Energiewacht die van aanvang af de ziekmelding van [eiser] niet heeft geaccepteerd, weigert voor die ziektedagen loon te betalen. Tegen deze achtergrond lag het op de weg van [eiser] om bij zijn loonvordering, die immers is gegrond op 7:629 BW, een deskundigenverklaring te voegen waaruit blijkt dat [eiser] door zijn ziekte niet in staat was te werken zodat daarmee zou blijken dat een recht op doorbetaling van het loon bestond. Het niet bijvoegen van die verklaring brengt met zich dat loonvordering van [eiser] moet worden afgewezen.

Rest de vraag of De Energiewacht € 25,-- heeft ingehouden op het loon in verband met een aan [eiser] verstrekte IRIS-cheque. Het is de kantonrechter niet gebleken dat De Energiewacht de waarde van de verstrekte bon op een andere wijze heeft verwerkt in de loonstrook van [eiser] dan ter berekening van de daarover in te houden loonbelasting. Een onterechte inhouding op het loon blijkt daarom niet.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

De kantonrechter zal [eiser] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de op gebruikelijke wijze te begroten kosten van deze procedure.

De beslissing

De kantonrechter

wijst de vordering af,

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van De Energiewacht begroot op € 300,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2012.

typ/conc: 216/BRT

coll: