Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BY0261

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
16-10-2012
Zaaknummer
19.830067-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De voorvragen

Met betrekking tot het tweede ten laste gelegde rijst de vraag of het openbaar ministerie ontvankelijk is gelet op artikel 319 juncto artikel 316 Wetboek van Strafrecht (Sr) en het feit dat er door aangever geen klacht tegen zijn (half)broer is ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat voor vervolging van verdachte op grond van artikel 317 Sr in casu een klacht niet is vereist. Artikel 316 lid 2 is van overeenkomstige toepassing verklaard op artikel 317 Sr en bepaalt dat indien een dader een bloed- of aanverwant is in de rechte linie of in de tweede graad van de zijlinie, vervolging voor wat betreft deze dader alleen plaats heeft op klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. Echter, zoals in geval van diefstal daarvoor alleen in aanmerking kan komen degene aan wie het ontvreemde toebehoort (zie HR 25 juni 1974 NJ 1974, 454), zal met betrekking tot het misdrijf afpersing alleen in aanmerking komen degene aan wie hetgeen wordt afgeperst toebehoort. De in discussie zijnde hoeveelheid hennep in onderhavige zaak behoorde niet toe aan aangever. Verdachte kan derhalve ook zonder klacht van zijn broer worden vervolgd voor de ten laste gelegde afpersing.

Kwalificatie

Het bewezen geachte levert op:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht, en

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, strafbaar gesteld bij artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830067-12

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 25 september 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [adres],

thans gedetineerd [detentieadres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 19 juni 2012 en 11 september 2012.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

De tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2012 tot en met 11 maart 2012, te Emmen in de gemeente Emmen en/of Kiel-Windeweer, althans in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, in elk geval in het arrondissement Assen en/of Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten de bekendmaking van de verblijfplaats en/of de afgifte van een

(grote) hoeveelheid hennep en/of geld, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- met die [slachtoffer] een afspraak over een ontmoetingsplek gemaakt en/of (vervolgens) die [slachtoffer] met een auto uit Emmen opgehaald en/of overgebracht naar een woning in Kiel-Windeweer en/of

- (in de/die woning) die [slachtoffer] vastgetapet/gebonden en/of (meermalen) geslagen/gestompt en/of bedreigd met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of

- (in die woning) die [slachtoffer] gedreigd/bedreigd met het afknippen van diens penis en/of het (onder dwang) laten drinken van chloor, althans een schadelijke vloeistof;

art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2012 tot en met 11 maart 2012, te Kiel-Windeweer, althans in de gemeente Hoogezand-Sappemeer en/of te Emmen in de gemeente Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen

- tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of een hoeveelheid hennep, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

- tot het tenietdoen van een inschuld, te weten het aan verdachte en/of zijn mededader(s) afgeven van (de (geldelijke) opbrengst van) een hoeveelheid hennep,

met een of meer van zijn, verdachte's mededader(s)

- met die [slachtoffer] een ontmoetingsplaats heeft afgesproken en/of (vervolgens) die [slachtoffer] met een auto uit Emmen heeft opgehaald en/of overgebracht naar een woning in Kiel-Windeweer en/of

- (in de/die woning) die [slachtoffer] heeft vastgetapet/gebonden en/of (meermalen) heeft geslagen/gestompt en/of heeft bedreigd met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of

- (in die woning) die [slachtoffer] heeft gedreigd/bedreigd met het afknippen van diens penis en/of het (onder dwang) laten drinken van chloor, althans een schadelijke vloeistof,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2012 tot en met 11 maart 2012, te Emmen in de gemeente Emmen en/of te Kiel-Windeweer, althans in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, althans in het arrondissement Assen en/of Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- die [slachtoffer] met een auto uit Emmen opgehaald en/of overgebracht naar een woning in Kiel-Windeweer en/of

- (in de/die woning) die [slachtoffer] vastgetapet/gebonden en/of vastgehouden;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. N. Stahlmecke-Mook acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.

De voorvragen

Met betrekking tot het tweede ten laste gelegde rijst de vraag of het openbaar ministerie ontvankelijk is gelet op artikel 319 juncto artikel 316 Wetboek van Strafrecht (Sr) en het feit dat er door aangever geen klacht tegen zijn (half)broer is ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat voor vervolging van verdachte op grond van artikel 317 Sr in casu een klacht niet is vereist. Artikel 316 lid 2 is van overeenkomstige toepassing verklaard op artikel 317 Sr en bepaalt dat indien een dader een bloed- of aanverwant is in de rechte linie of in de tweede graad van de zijlinie, vervolging voor wat betreft deze dader alleen plaats heeft op klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. Echter, zoals in geval van diefstal daarvoor alleen in aanmerking kan komen degene aan wie het ontvreemde toebehoort (zie HR 25 juni 1974 NJ 1974, 454), zal met betrekking tot het misdrijf afpersing alleen in aanmerking komen degene aan wie hetgeen wordt afgeperst toebehoort. De in discussie zijnde hoeveelheid hennep in onderhavige zaak behoorde niet toe aan aangever. Verdachte kan derhalve ook zonder klacht van zijn broer worden vervolgd voor de ten laste gelegde afpersing.

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

- de aangifte van [slachtoffer] d.d. 11 maart 2012 , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik had op zaterdag 10 maart 2012 een afspraak met mijn neef [TM] om te gaan chillen in Emmen. We hadden afgesproken bij het benzinestation [] in Emmen. Ik ben er met [MK] in een rode fiat heengereden. [TM] kwam aanrijden in een auto van mijn broer [WA]. Het betreft de Volkswagen Fox. Op het moment dat ik naar [TM] toeliep, kwam ook mijn broer aanrijden. Hij was samen met een neger. [TM] stapte uit de Volkswagen Fox en mijn broer en de neger stapten in. De neger ging achter het stuur zitten. Mijn broer gaf mij direct een klap op het moment dat hij in de auto stapte. Mijn broer zei dat hij spullen miste en dat ik daar meer van zou weten. Mijn broer begon te schreeuwen, te slaan en hij vertelde dat het ging om 16 kilo wiet die ik zou hebben gestolen. Op dat moment reden wij in over de N34 in de richting van Groningen.

We kwamen toen [] in Kiel-Windeweer. Ik ken dit adres omdat mijn broer daar wiet bewaard. Je zou het een safehouse kunnen noemen. De man die daar woont heet [PP]. In de woning van [PP] werd ik op een stoel gezet en vervolgens werden mijn benen met zwarte ducktape vastgebonden. Ook werden mijn handen op mijn rug vastgebonden met die zwarte ducktape en kreeg ik ducktape om mijn hals. Ik werd hierbij door die neger van achteren vastgehouden om mijn nek. Deze neger heeft mij met zijn rechterarm in een klem gezet en achterover getrokken. Die neger heeft ook tape om mijn armen, benen en hals gelegd. Mijn broer [WA] en [PP] stonden erbij en keken ernaar. Vervolgens heeft mijn broer [WA] mij volledig gesloopt. Hij bleef maar timmeren met zijn handen en vuisten en schoppen met zijn benen. Vervolgens hebben [TM], die neger en mijn broer mij naar boven gebracht naar een kamer. Ik werd weer op een stoel gezet en geslagen door mijn broer. Die neger heeft mij alleen bedreigd met woorden. Deze jongen had wel een vuurwapen, een zwart pistool. [TM] stond erbij en keek ernaar. Ik heb dus tegen [WA] gezegd dat ik die 16 kilo wiet had gestolen en dat ik hem wilde terugbetalen. Ik heb gezegd dat ik het geld in Emmen had. Intussen bleef [WA] slaan, schoppen en schelden. Ik zat de hele tijd in mijn nakie op de stoel. Nadat ik had bekend werd de tape verwijderd en mocht ik mijn kleren weer aan. Vervolgens heeft mijn broer [WA] mij meegenomen in de auto, de Volkswagen Fox. We zijn eerst naar Groningen gereden om daar een meisje op te halen en daarna zijn we naar Emmen gereden. [TM] en de neger zijn in de andere auto teruggereden naar Emmen. Bij terugkomst in Emmen heeft mijn broer [WA] mij afgezet bij [een café]. Hier werd ik in de andere auto, die van [TM] en de neger gezet. Hierbij heeft [WA] heel duidelijk tegen [TM] en die neger gezegd “hou hem maar onder schot en één verkeerde beweging en schiet hem maar dood”. Toen ben ik samen met die neger en [TM] naar mijn huis gereden aan de [adres]. We stopten aan de achterzijde van de woning. [TM] stapte als eerste uit en daarna die neger en daarna ik. We zijn gezamenlijk naar mijn huis gelopen. Ik heb toen onder de mat naar de huissleutel gezocht maar die lag er niet. Ik zag dat de lampen in huis aan waren en daarop heb ik op het raam geklopt. Mijn broer [SA] heeft de voordeur voor mij open gedaan. Ik ben snel naar binnen gerend en heb de deur achter mij dicht kunnen doen zonder dat [TM] en die neger naar binnen konden komen. Vervolgens heeft mijn broertje [SA] 112 gebeld en heb ik de telefoon overgenomen en verteld wat er gebeurd was.

- de aanvullende verklaring van aangever [slachtoffer] d.d. 12 maart 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

[TM] belde mij om te vragen of ik zin had om uit te gaan. Dat was tussen 19:00 en 20:00 uur. Hij belde en smsde daar heel vaak over die dag. Ik heb gezegd dat ik wel zin had om mee te gaan. Hij wilde eerst afspreken in Groningen. Toen zouden we afspreken bij [een café] in Emmen. Uiteindelijk hebben we afgesproken bij het benzinestation [] in Emmen. Ik zat eerst met mijn vriendin [R] in [een café]. Zij moest toen weg en ik zat met haar in de auto. Ik belde mijn vriend [MK] dat ik naar hem toe kwam. Hij zei dat hij net onderweg was. We hebben elkaar getroffen op de doorgaande weg []. [MK] seinde met de lichten en [R] is toen gestopt en ik ben overgestapt in de auto van [MK], een rode Fiat Punto. Dat was zo rond 18:45 uur.

We zaten gewoon joints te roken. Ik zei mijn neefje komt chillen, wil je mee chillen. [MK] zei dat hij wel mee wilde. Er was nog een andere jongen bij die [MK] kende van school. We zijn naar de benzinepomp gereden. Toen we er een paar minuten stonden, kwam [TM] aanrijden in de Volkswagen Fox. Ik dacht “fok wat doet hij in de auto van mijn broer”. Ik dacht dat omdat ik niets met mijn broer te maken wil hebben omdat hij mij altijd timmert en slaat. [TM] parkeerde de auto tegenover ons. Ik ben naar [TM] toegegaan en in de auto gestapt. [MK] bleef in zijn eigen auto zitten. Toen kwam de andere auto met mijn broer en die neger er aan. Zij stapten uit. Mijn broer zei tegen mij dat ik achterin moest gaan zitten. Die neger ging achter het stuur zitten. Mijn broer ging naast hem zitten. Mijn broer zei “hoerenzoon ga achterin zitten, geen beweging anders maak ik je dood”. Ik vroeg wat er aan de hand was en kreeg gelijk een klap in mijn gezicht.

We reden toen weg in de Volkswagen Fox. [TM] reed achter ons aan. [MK] is blijven staan tot we weg waren. We zijn naar Kiel-Windeweer gereden naar het huis van [PP]. Onderweg in de auto werd er tegen mij geschreeuwd. “Ik laat jou zien, vandaag is jouw dag”. Dat zei mijn broer tegen mij. Die neger zei ook tegen mij “het is jouw dag”.

Ik ken die neger uit Hoogezand. Hij was vroeger de beste kameraad van mijn broer. Ik weet niet hoe hij heet. Mijn broer heeft mijn telefoon afgepakt in de auto. Dat was nadat [MK] mij belde om te vragen hoe het ging. (…)

Bij de woning van [PP] moest ik uitstappen en meelopen naar binnen. [PP] deed de deur open. Ik zei dat ik niet wilde. Hij zei “meekomen anders maak ik je af”. Ik moest wel meegaan anders werd ik gesloopt. Dat weet ik omdat hij zo ziek is die man. Ik bedoel mijn broer [WA]. Ik moest naar de keuken lopen en aan tafel gaan zitten. Op tafel lag een rode snoeischaar, zwarte ducktape, een gasbrander en een lege whiskyfles.

Ik werd geslagen door mijn broer omdat hij dacht dat ik zijn wiet had gestolen. Hij sloeg mij meerdere keren op mijn borst en op mijn gezicht. Ik moest zeggen dat ik het gedaan had. Ik wist dat hij zijn wiet voor de coffeeshop bij [PP] opslaat. Vroeger werkte ik in die coffeeshop. Ik weet precies waar het ligt. Het ligt boven, verstopt achter de muur in de kamer recht voor de trap. Hij heeft daar planken voor getimmerd waar boeken opstaan. Daarachter ligt de wiet.

In de keuken zijn mijn armen achter mijn rug getapet. Die neger heeft mij getapet, hij moest alles uitvoeren. Mijn broer gaf de opdracht. [PP] had een pistool in zijn zak en die neger had een pistool in zijn hand.

Ik bleef zeggen dat ik niets gedaan had. Toen zei mijn broer tegen [TM] dat hij mee moest komen en tegen die neger en [PP] dat zij het maar even moesten afhandelen. Mijn broer en [TM] zijn een half uur tot drie kwartier weggeweest. Mijn handen zijn toen losgemaakt en ik moest op een andere plaats, bij de voordeur, op een stoel gaan zitten. Die neger stond de hele tijd naast mij en hield mij onder schot. [PP] had ook een pistool en liep steeds heen en weer. Zij moesten het afhandelen en mij laten praten maar zij deden niets. Toen kwam mijn broer weer terug met [TM]. Hij vroeg weer of ik het gedaan had. Ik zei van niet. Toen zei hij “tapen, weer tapen die handel”. “Nu ga je het echt zien”. Ik moest naar boven lopen. Mijn broer, [TM] en die neger kwamen achter mij aan. [PP] bleef beneden. Ik moest naar de kamer waar de wiet lag opgeslagen. Ik werd vast getapet. Mijn armen achter op mijn rug. Mijn broer heeft toen samen met de neger mijn broek en boxershort uitgedaan. Ik had alleen nog een zwart hemd aan, verder was ik naakt. Ik moest op een stoel gaan zitten. Mijn broer begon weer te slaan. Ik moest praten. Hij sloeg met beide vuisten op mijn borst en met de vlakke hand in mijn gezicht en met zijn telefoon tegen mijn mond. Hij had een fles meegenomen. Hij wilde mij op die fles laten zitten. Hij kon geen olie vinden. Hij liet toen die neef van mij, [TM], bleekmiddel ophalen. Hij wilde mij bleekwater laten drinken. Dat zei hij tegen mij.

Mijn armen, benen en nek waren getapet. Toen pakte die neger een schaar en ze wilden mijn pik eraf knippen. Het was die schoeischaar van beneden. Dat moest hij doen van mijn broer. Hij begon een beetje naar mij toe te komen met die schaar, bij mijn piemel in de buurt. Ik heb toen gezegd dat ik de wiet had gepakt. Het ging om 16 kilo met een waarde van ongeveer 50 a 60 duizend euro. Ik heb gezegd dat ik het had verkocht aan []. Ik zei dat ik het geld had verstopt bij mijn moeder in de woning op zolder. Mijn broer zei dat we het geld gingen ophalen. De neger en [TM] hebben de tape losgeknipt. Ik kreeg mijn kleren weer aan. (…)

[WA] vroeg of mijn moeder of [SA] of [NA] thuis waren. Ik moest van [WA] met [NA] bellen. [NA] had geen bereik. Hij stuurde later nog wel een sms. Mijn moeder en [SA] namen niet op.

Ik ben met mijn broer in de auto gegaan. Eerst naar Groningen om een meisje op te halen waar [WA] mee had afgesproken. [TM] is met de neger meegereden richting Emmen. [WA] had onderweg nog telefonisch contact met [TM]. In Emmen, op de parkeerplaats bij coffeeshop [], ben ik overgestapt in de auto van [TM] en de neger. [WA] is samen met het meisje weggegaan om iets te gaan drinken. Ik ben met [TM] en die neger naar het huis van mijn moeder gegaan. Ik zei dat ik nog 49.000 euro had. Dat had ik al tegen hen gezegd bij die [PP] thuis.

Ik zei parkeer de auto maar achter, ik ga via de achterdeur. Toen zijn zij meegelopen tot aan de achterdeur. Ik klopte op het raam. Mijn broertje [SA] deed de deur open. Ik ben snel naar binnen gegaan en heb snel de deur op de haken gedaan. Ze trokken heel hard aan de deur. De deurklink vloog er nog af. Ik riep heel hard bel 112. Mijn broertje belde. Ik heb een groot broodmes gepakt voor als zij binnen zouden komen.

De deurklink hebben zij op de grond gegooid. Ze bleven eerst staan. De buurjongen kwam later naar mij toe om te vragen wat er was.

- de verklaring van de getuige [NA] d.d. 11 maart 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Op 11 maart 2012 omstreeks 00:31 uur had ik mijn eerste oproep van [slachtoffer]. Toen ik opnam hoorde ik geschreeuw van mensen. Ik hoorde wel de stem van [slachtoffer] maar ik verstond hem niet en heb hem weg geklikt. Hierna heeft hij nog 3 a 4 keer gebeld maar steeds hoorde ik op de achtergrond mensen praten en kon ik [slachtoffer] niet goed verstaan. Ik heb hem toen ge-sms’t dat hij niet moest bellen maar sms’en en dat hij mij moest ophalen. (…)

Ik ben naar huis gefietst en toen ik bijna bij huis was zag ik dat uit onze achtertuin een man kwam lopen. Ik zag dat het een neger was. Ik ben naar de voordeur gegaan en op de deur geklopt. Toen er geen reactie kwam keek ik door de brievenbus in de voordeur en zag [slachtoffer] met een mes in de woning rond lopen. Ik riep [slachtoffer] en vroeg hem mij binnen te laten. Hij vroeg eerst of ik alleen was en heeft mij toen binnen gelaten. Ik zag dat [slachtoffer] striemen op zijn polsen had.

- de verklaring van de getuige [SA] d.d. 11 maart 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik was uitgeweest en kwam alleen op de fiets thuis. De sleutel lag onder de mat bij de achterdeur. Plotseling hoorde ik stemmen bij de achterdeur. Ik zag dat [slachtoffer] bij de achterdeur stond met nog twee personen. De achterdeur was op slot en [slachtoffer] vroeg of ik de deur open wilde doen. Ik herkende een van de twee personen die achter [slachtoffer] stond als mijn neef [TM]. De andere man kende ik niet. Ik zag dat het een neger was. Toen ik de deur open deed zag ik dat [slachtoffer] zo snel als hij kon naar binnen liep en de achterdeur dicht trok voordat de andere mannen mee naar binnen konden lopen. [slachtoffer] deed de haken op de achterdeur en deed de deur op slot. Ik zag toen dat de twee mannen die buiten stonden probeerden om de deur open te trekken maar dat lukte niet. Ik hoorde dat zij [slachtoffer] riepen. [slachtoffer] zei tegen mij dat ik de politie moest bellen en dat heb ik gedaan.

Net nadat [slachtoffer] naar binnen was gevlucht hoorde ik dat er geklopt werd aan de voordeur. Ik hoorde [NA] roepen dat hij naar binnen wilde. Even later kwam de politie.

Ik ben met de politie naar buiten gelopen en zag twee mannen bij de politie staan. Ik herkende deze mannen als de mannen die bij [slachtoffer] waren bij de achterdeur.

- de verklaring van de getuige [MK] d.d. 12 maart 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Op zaterdag 10 maart 2012 werd ik gebeld door [slachtoffer]. Hij vroeg mij of ik hem wilde ophalen want zijn neef kwam. Toen [slachtoffer] belde was ik samen met [S], een vriend van mij die in [] woont. Ik rijd in een rode Fiat Punto. [slachtoffer] had eerst afgesproken met zijn neef bij het station in Emmen. Omdat hij daar nog niet was heeft [slachtoffer] met zijn neef gebeld en afgesproken bij het benzinestation. Na een paar minuten kwam er een auto aanrijden. Ik zag dat [slachtoffer] uitstapte en naar de auto toeliep. Ik zag dat er een man achter het stuur van de auto zat. Ik ging er van uit dat het de neef van [slachtoffer] was. Ik wachtte met [S] in de auto op [slachtoffer]. Op een gegeven moment kwam er nog een auto aan. Die auto ging naast ons staan. In die auto zaten twee mannen. Er stapte een Marokkaan met een petje uit de auto. [S] wilde uitstappen omdat we wilden weten wat er aan de hand was, waarna die Marokkaan zei “dat is mijn broertje, er is niets aan de hand”. Ik zag dat zijn broer in de richting liep van de Volkswagen Polo. Ik zag dat [slachtoffer] uitstapte en vervolgens achterin de Polo ging zitten. Ik zag dat zijn broer de plaats waar [slachtoffer] had gezeten innam, rechts voorin. Hierna ben ik met [S] weggegaan. Later die avond heb ik nog telefonisch contact gehad met [slachtoffer]. Hij zei dat alles goed was.

- de verklaring van de getuige [PB] d.d. 19 maart 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik woon op het adres [] te Emmen. In de nacht van 10 op 11 maart 2012 omstreeks 02:00 uur zag ik drie mannen lopen. Ik ben de voordeur uit gegaan en zag toen dat het drietal achter in de tuin stond van een buitenlands gezin. De mannen maakten lawaai en ik heb gevraagd of het ook normaal kon. Het lawaai bestond uit schoppen en bonken tegen deuren en ramen. Op het moment dat ik hen aansprak waren er nog twee mannen, een lange iets getinte jongen en een kleinere donkere jongen. De mannen zijn toen weggegaan. Toen ik later lampen zag en politieauto’s hoorde en naar buiten keek zag ik dat deze twee mannen waren aangehouden.

- de verklaring van de getuige [CB] d.d. 22 maart 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik heb een relatie met [GM]. Hij is de vader van mijn kinderen. Ik ken [WA] van de coffeeshop. [GM] kent [WA] al heel lang. [slachtoffer] en [TM] ken ik niet.

[GM] heeft 10 maart 2012 mijn auto, een blauwe Mazda, meegenomen. Hij zei dat hij met een vriend naar Emmen moest.

- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [V1] en [V2] d.d. 11 maart 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Dat zij zich op 11 maart 2012 omstreeks 01:56 uur na een 112 melding begaven naar het adres [] te Emmen, dat zij in de buurt van genoemd adres twee mannen uit een blauwe Mazda zien stappen, dat het een licht getinte man en een negroïde man betreft, dat zij informatie ontvingen dat voornoemde mannen verdachte werden van bedreiging, dat zij deze mannen hebben aangehouden en aan fouillering hebben onderworpen en de blauwe Mazda in beslag hebben genomen.

Door verbalisant [V1] is voorts in de achtertuin van perceel [] in het gazon een deurklink aangetroffen.

- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [V3] d.d.11 maart 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Dat hij verdachte [GM] hoorde zeggen dat hij de bestuurder van de blauwe Mazda was.

- de verklaring van de getuige [CD] d.d. 24 juli 2012 bij de rechter-commissaris, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik ben de vriendin van [WA]. WA] en [slachtoffer] hebben mij in de nacht van 10 op 11 maart 2012 opgehaald rond 00:30 uur. We zijn toen met de auto naar Emmen gegaan. In Emmen is [slachtoffer] afgezet bij het station. [WA] en ik zijn daarna naar een café gegaan.

- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [V4] d.d. 16 maart 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Dat hij aangever op 11 maart 2012 heeft gevraagd naar het adres waar hij die nacht is vastgehouden en dat aangever toen aangaf dat het om een [bedrijfsadres] in Kiel-Windeweer zou gaan. Aangever gaf aan dat de eigenaar [PP] heette. Verbalisant heeft via internet naar een dergelijk bedrijf in Kiel-Windeweer gezocht en kwam naar voren dat het betreft [], gevestigd aan [adres] te Kiel-Windeweer.

- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [V5] d.d.19 maart 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Dat aangever hem op 11 maart 2012 tijdens het opnemen van de aangifte zijn verwondingen heeft laten zien en dat hij er foto’s van heeft gemaakt die bij het proces-verbaal zijn gevoegd. Op deze foto’s zijn striemen op armen, nek en benen zichtbaar.

- de verklaring van [TM] d.d. 19 maart 2012 en 27 maart 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik zat in coffeeshop []. Ik had om 19:00 uur met [slachtoffer] afgesproken in Groningen. Ik kreeg omstreeks 16:00 uur een telefoontje van [slachtoffer] zijn broer [WA]. Hij vroeg waar ik was want hij wilde met mij praten. Hij kwam rond 17:30 uur in de coffeeshop samen met die bruine meneer. Hij vroeg of ik [slachtoffer] nog wel eens sprak. Ik zei dat ik met hem had afgesproken in Groningen om 19:00 uur. [WA] en die bruine meneer wilden mee om met [slachtoffer] te praten. Ik kreeg een kleine Polo mee van die bruine meneer. [WA] en die bruine meneer reden achter mij aan naar Groningen. Ik was rond 19:00 uur bij [café] waar ik met [slachtoffer] had afgesproken. Toen [slachtoffer] niet kwam opdagen heb ik hem gebeld. Hij zei toen dat hij in Emmen was met twee vrienden en dat ik ook maar naar Emmen moest komen. Ik ben toen met [WA] en die bruine meneer naar Emmen gegaan. Eerst hadden we afgesproken bij het centraal station in Emmen. Later belde hij mij en zei dat ik naar het benzinestation moest komen. Ik ben daar in de Polo van die bruine meneer heengereden. [WA] en de bruine meneer reden in de auto van [WA] achter mij aan. Toen ik bij het benzinestation kwam stapte [slachtoffer] bij mij in de auto. [WA] parkeerde zijn auto opzij van onze auto. [WA] vroeg of ik wilde uitstappen. Ik stapte uit. [WA] zei dat ik zijn auto maar moest pakken. De bruine meneer is ook uitgestapt en achter het stuur van de Polo gaan zitten. [slachtoffer] ging achterin zitten en [WA] ging naast de bruine meneer zitten. De vriend van [slachtoffer] stapte uit en vroeg wat er aan de hand was. [WA] zei toen dat [slachtoffer] zijn broertje was en dat hij met hem wilde praten. (…)

Voordat we bij het benzinestation waren zei [WA] tegen mij “zeg alsjeblieft niet dat wij samen zijn”. Ik vroeg toen waarom ik dat niet mocht zeggen. [WA] zei “omdat hij bang is voor mij”.

[WA] en de bruine meneer reden met [slachtoffer] in de Polo weg. Ik ben achter hen aangereden naar Kiel-Windeweer. We kwamen bij []. We zijn naar binnen gegaan, naar de keuken. Toen zei [WA] tegen de eigenaar van de woning: “kijk, ik heb de dief”. Ik vroeg toen wat er aan de hand was. Toen zeiden zij dat er 15 kilo wiet en 2 kilo hasj was gestolen.

[GM] gaf [slachtoffer] een klap tegen het achterhoofd. [WA] gaf [slachtoffer] een klap in het gezicht. Eerst met de vuist en toen met de vlakke hand. Op de tafel zag ik tape en bleekmiddel. [WA] en [GM] waren aan het schreeuwen tegen [slachtoffer]. Zij stelden hem vragen over de gestolen wiet. Toen nam [WA] mij mee naar een barretje in Hoogezand.

We gingen een biertje drinken. Na een half uurtje gingen we weer naar het huis. [WA] ging toen naar boven. Ik hoorde [slachtoffer] schreeuwen. Ik ben toen naar boven gelopen. Ik zag dat [slachtoffer] was vastgebonden op een stoel. Zijn armen waren op de rug gebonden om de stoelleuning heen en zijn benen waren vastgebonden. Hij was vastgebonden met tape. Hij kon zich niet bewegen. [slachtoffer] was toen al naakt. (…)

[WA] was agressief. Hij was heel dreigend tegenover [slachtoffer]. Hij schreeuwde heel hard tegen hem. Ik ben toen weer naar beneden gegaan. Ze hebben mij gevraagd om bleekmiddel op te halen maar dat heb ik niet gedaan. (…)

[GM] kwam beneden en pakte toen bleekmiddel. Ik vroeg wat hij er mee ging doen. [GM] zei dat hij [slachtoffer] niet wilde praten. Hij zei dat hij hem bang wilde maken. Toen liep hij naar zijn jas en uit de binnenzak pakte hij een blauwe plasticzak met daarin een wapen.

Hij had het bleekmiddel in zijn linkerhand en het wapen in zijn rechterhand. Ik heb gezien dat [GM] het wapen op het hoofd van [slachtoffer] heeft gericht. [slachtoffer] heeft toen bekend dat hij de wiet had gestolen. Hij had het verkocht voor 47.000 euro en het geld had hij in Emmen in het huis van zijn moeder in een doos bij de CV ketel verstopt. (…)

[WA] en [GM] hebben beiden gezegd dat ik mee moest naar het huis van de moeder van [slachtoffer] toe om het geld op te halen. [WA] zei dat hij een dame op ging halen. [slachtoffer] ging met [WA] mee. Ik heb met [GM] het Polootje omgewisseld voor de gezinsauto. Dit was bij zijn vrouw en kinderen thuis. Hij heeft de Polo bij een huis neergezet en heeft toen de gezinsauto voor mij open gedaan. Vervolgens is [GM] naar huis gegaan en ik heb tien minuten in de auto gewacht. Toen [GM] terugkwam had hij het wapen niet meer bij zich. (…)

Ik ben met [GM] via Groningen naar Emmen gereden. In Groningen hebben we eten gehaald bij []. In Emmen troffen we [WA], zijn vriendin en [slachtoffer]. [slachtoffer] is bij [GM] ingestapt. [WA] zei dat hij zou wachten in een bar in Emmen. We reden naar het huis van de moeder van [slachtoffer]. We stapten uit de auto en liepen naar de achterkant van het huis. Daar riep [slachtoffer] zijn broertje [SA]. Zijn broertje deed de deur open. Op dat moment duwde [slachtoffer] mij weg en ik had mijn hand op de deurkruk en die schoot los. Die heb ik op het gras gegooid. Ik liep met [GM] naar de voordeur. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen: “geef mij de mes” en “ik bel de politie”. Toen kwam er een buurman en die vroeg of het wat rustiger kon. Ik ben weggegaan in de auto met [GM]. Na vijf minuten kwam er een VW Golf 5 aanrijden en de inzittenden keken naar ons. [GM] zei dat het politie was en dat hij geen papieren bij zich had en dat hij de auto aan de kant ging zetten. We zijn uitgestapt en rondjes gaan lopen. De Golf kwam weer voorbij en ik zag nog meer politie. Toen werden we gearresteerd.

- de verklaring van [GM] d.d. 15 maart 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Die zaterdag 10 maart 2012 kreeg ik een belletje van [WA] of ik bij hem langs kon komen. Hij vertelde dat zijn broertje [slachtoffer] goederen van hem had ontvreemd. Het ging om 14 of 15 kilo wiet en wat hasj. [TM] was ook bij ons. [TM] heeft [slachtoffer] gebeld. [TM] heeft met [slachtoffer] in Groningen afgesproken en wij zijn naar Groningen gegaan. [slachtoffer] kwam niet, hij was in Emmen en vroeg [TM] naar Emmen te komen. (…)

We kwamen in Emmen aan met twee auto’s. Ik reed met [TM] in de Polo. En [WA] reed alleen in de Fox. Vervolgens gaat [TM] alleen in de Polo naar [slachtoffer] toe.

Toen we in Emmen waren zei [slachtoffer] dat hij bij het pompstation was. Toen is eerst [TM] daar heen gereden en daarna kwamen [WA] en ik. Toen WA] en ik aankwamen zat [slachtoffer] bij [TM] in de auto. Er stond nog een andere auto waar twee jongens in zaten. [WA] parkeerde de auto naast die jongens en toen zijn we naar de auto gelopen waar [TM] en [slachtoffer] in zaten. [TM] is uitgestapt en [WA] en ik zijn ingestapt. Toen zijn we naar Kiel-Windeweer gereden. [WA] en ik reden voorop. [slachtoffer] zat bij ons in de auto, achterin. [TM] reed achter ons aan. We gingen naar het huis van een man die [PP] heet. (…)

Daar aangekomen zijn we naar binnen gegaan door de voordeur. [slachtoffer] ontkende dat hij iets met de diefstal te maken had. Toen is [TM] even met [WA] weggegaan. Ik heb met [slachtoffer] gezeten en gepraat. Daarna kwamen [WA] en [TM] terug en gingen weer met [slachtoffer] praten en op een gegeven moment bekende [slachtoffer]. (…)

Toen heeft [WA] gezegd dat we naar Emmen zouden gaan om het te regelen. [slachtoffer] heeft toen nog geprobeerd te bellen naar zijn familie omdat hij geen sleutel had. Volgens mij heeft hij geen contact gekregen. Toen zijn we weg gegaan. [slachtoffer] ging bij [WA] in de auto zitten. Ik heb de auto terug gebracht naar mijn zwager en ben vervolgens met de auto van mijn vriendin gaan rijden. Toen is [TM] bij mij in de auto gegaan. [WA] en [slachtoffer] zijn via Groningen naar Emmen gegaan. [TM] en ik zijn ook eerst naar Groningen gegaan. We hebben getankt en we hebben eten besteld bij [] en zijn toen doorgereden naar Emmen.

[WA] en [slachtoffer] waren al in Emmen en hebben op ons gewacht bij het tankstation. Toen zijn [TM], [slachtoffer] en ik in mijn auto gestapt en naar de woning van de moeder van [slachtoffer] gereden. We hebben de auto geparkeerd aan de achterkant van de woning. [TM] en [slachtoffer] liepen voorop. Ik liep er achter. [TM] en [slachtoffer] gingen via de achtertuin naar de deur. Ik bleef bij het hek staan. [slachtoffer] klopte aan en er werd voor hem opengedaan. Toen ging [slachtoffer] snel naar binnen en deed de deur op de haak. En toen hoorde ik hem al de politie bellen.

Vervolgens stond er een man bij het hek waarvan ik dacht dat het de buurman was en die zei: “maak niet zoveel lawaai, het is al hartstikke laat”. Toen zijn [TM] en ik weggelopen en naar de auto gegaan. [TM] heeft nog met [WA] gebeld. Toen zijn we een rondje gaan rijden met de auto. (…)

Toen reden we een grijze auto tegemoet. Volgens mij waren het politiemensen. Ik parkeerde de auto. Toen liepen we een stukje. Toen zagen we allemaal politie met zaklantaarns naar ons schijnen. Toen zei de politie dat we onze handen omhoog moesten doen en tegen de hekken moesten gaan staan.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank de volgende feitelijke gang van zaken bewezen.

[TM] heeft op verzoek van zijn neef [WA] een afspraak gemaakt met [slachtoffer]. [WA] en [slachtoffer] zijn (half)broers. [WA] wilde met [slachtoffer] spreken over een gestolen partij wiet omdat [slachtoffer] volgens [WA] iets met die diefstal te maken had. [GM] was bij het maken van deze afspraak aanwezig. [TM] zou [slachtoffer] eerst treffen in Groningen. Toen [slachtoffer] daar niet kwam opdagen is afgesproken om elkaar in Emmen te treffen bij het tankstation []. [TM], [WA] en [GM] zijn met twee auto’s naar Emmen gereden. [slachtoffer] stond samen met twee anderen ([MK] en [S]) in de auto van [MK] bij het tankstation te wachten op [TM]. [TM] arriveerde enkele minuten later. Nadat [slachtoffer] bij [TM] in de auto was gestapt, kwamen [WA] en [GM] aan. [WA] en [GM] liepen naar de auto waarin [TM] en [slachtoffer] zaten toe. [slachtoffer] moest van [WA] achterin gaan zitten, [GM] nam plaats achter het stuur en [WA] nam plaats naast [GM]. [GM] is met [WA] en [slachtoffer] naar Kiel-Windeweer gereden naar de boerderij van [PP]. [TM] is achter hen aangereden.

In de boerderij in Kiel-Windeweer is [slachtoffer] door [WA] en [GM] geslagen, naakt op een stoel gezet en vastgetaped, bedreigd met een vuurwapen, met het moeten drinken van bleekwater en met het afknippen van zijn penis.

[slachtoffer] heeft naar aanleiding van voornoemde handelingen gezegd dat hij de wiet heeft gestolen en heeft doorverkocht en dat hij het geld heeft verstopt in de woning van zijn moeder aan de [adres] in Emmen. Vervolgens zijn [WA] en [slachtoffer] via Groningen naar Emmen gereden in de VW Fox van [WA]. [GM] heeft met [TM] de VW Polo omgewisseld voor de Mazda en is ook naar Emmen gereden. In Emmen is [slachtoffer] bij [GM] en [TM] in de auto gestapt en naar de woning van zijn moeder gereden om het geld op te halen. [WA] zou op hen wachten in een café. Bij de woning aangekomen is [slachtoffer] snel naar binnen gevlucht, heeft de deur dicht getrokken en de politie gebeld. [GM] en [TM] zijn korte tijd later in de nabijheid van de woning door de politie aangehouden.

De rechtbank baseert zich hierbij op de aangifte en de aanvullende verklaring van [slachtoffer] die in detail overeenkomen met de verklaringen die [TM] heeft afgelegd bij de politie en worden ondersteund door de verklaringen van [GM], [NA] en [SA], [MK], [PB], [CB], [CD], en de processen-verbaal van bevindingen van de politie, het door de politie bij aangever geconstateerde letsel en de bij de huiszoeking in de woning in Kiel-Windeweer aangetroffen zaken waaronder tape, bleekmiddel en een snoeischaar.

De verklaring van aangever bij de rechter-commissaris dat het allemaal toch anders is gegaan, acht de rechtbank, gelet op het vorenstaande, volstrekt ongeloofwaardig.

Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten [WA], [GM] en TM] en daarmee staat tevens vast dat sprake is van medeplegen. Verdachte is derhalve ook voor die daden die niet feitelijk door hemzelf, maar die door (een van) zijn medeverdachten (is) zijn verricht, aansprakelijk.

Door verdachte is ter terechtzitting verklaard dat hij door zijn (half)broer [slachtoffer] werd gebeld omdat hij problemen had. [slachtoffer] werd ervan beschuldigd dat hij wiet zou hebben gestolen. Verdachte heeft zich met de zaak bemoeid ter bescherming van zijn (half)broer zodat het niet uit de hand zou lopen. Het ging niet om zijn (verdachtes) wiet maar om de wiet van [GM]. Hij heeft [slachtoffer] weliswaar geduwd en een klap gegeven, maar hij heeft hem niet mishandeld of van zijn vrijheid beroofd. [GM] heeft [slachtoffer] mishandeld, getapet en bedreigd. Dat het niet om zijn wiet ging mag ook blijken uit het feit dat hij niet meeging naar de woning in Emmen. Er dient daarom vrijspraak te volgen ter zake van de afpersing en de vrijheidsberoving, volgens de advocaat van verdachte.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat verdachtes verklaring afwijkt van de hierboven genoemde verklaringen, die in detail met elkaar overeenstemmen, en ziet in verdachtes, eerst ter terechtzitting afgelegde verklaring, geen aanleiding uit te gaan van een andere gang van zaken dan hiervoor geschetst. Verdachte heeft actief meegewerkt aan zowel de vrijheidsbeneming als poging afpersing van zijn (half)broer [slachtoffer] en zijn rol in het geheel was niet kleiner dan die van [GM].

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 10 maart 2012 tot en met 11 maart 2012 te Kiel-Windeweer, en te Emmen in de gemeente Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen

- tot het tenietdoen van een inschuld, te weten het aan verdachte en/of zijn mededaders afgeven van (de (geldelijke) opbrengst van) een hoeveelheid hennep,

met verdachte's mededader(s)

- met die [slachtoffer] een ontmoetingsplaats heeft afgesproken en (vervolgens) die [slachtoffer] met een auto uit Emmen heeft opgehaald en overgebracht naar een woning in Kiel-Windeweer en

- (in die woning) die [slachtoffer] heeft vastgetapet en (meermalen) heeft geslagen en heeft bedreigd met een vuurwapen, en

- (in die woning) die [slachtoffer] heeft gedreigd met het afknippen van diens penis en het laten drinken van chloor,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

hij in de periode van 10 maart 2012 tot en met 11 maart 2012, te Emmen in de gemeente Emmen en te Kiel-Windeweer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn mededaders met dat opzet

- die [slachtoffer] met een auto uit Emmen opgehaald en overgebracht naar een woning in Kiel-Windeweer en

- (in die woning) die [slachtoffer] vastgetapet en vastgehouden.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen geachte levert op:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht, en

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, strafbaar gesteld bij artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte, de oriëntatiepunten voor de straftoemeting, de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 24 mei 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van (gewelds-)misdrijven is veroordeeld, alsmede het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies (beknopt) d.d. 10 april 2012.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing en vrijheidsberoving, gepleegd tegen het slachtoffer [], zijn (half)broer. Het slachtoffer werd niet alleen tegen zijn wil vastgehouden, maar ook geslagen en bedreigd gedurende meerdere uren en vernederd door hem naakt op een stoel te zetten en vast te tapen. Het toegepaste geweld en dreigen met geweld is aanzienlijk geweest en het hoeft geen nader betoog dat dergelijk handelen verstrekkende (psychische) gevolgen voor een slachtoffer kan hebben. De rechtbank overweegt ten aanzien van de rol van de verschillende betrokken verdachten in deze zaak dat [WA] en [GM] beiden een aanzienlijke rol hebben gehad in het bedenken van het plan, de uitvoering ervan en het toepassen van het geweld. De rol van (de volgens de psychologische rapportage zwakbegaafde) [TM] was beduidend geringer. Dit dient in de straftoemeting tot uitdrukking te komen.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden is. Uit de rapportage van de reclassering blijkt dat verdachte niet wilde meewerken aan de rapportage en geen inzicht in zijn persoonlijke omstandigheden wilde geven zodat er voor de rechtbank geen aanleiding bestaat eventueel ten voordele van verdachte strekkende persoonlijke omstandigheden te betrekken bij de straftoemeting.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 45, 47, 57, 282 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven zijn vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mrs. O.J. Bosker en E.C.M. Wolfert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 25 september 2012.