Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BX8885

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
19.605794-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer]. In de tenlastelegging is dit geweld -kort gezegd- uitgesplitst in geweld gepleegd op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten de partytent (eerste confrontatie), en geweld gepleegd op de openbare weg (tweede en derde confrontatie).

Met betrekking tot het geweld gepleegd in de partytent (eerste confrontatie) overweegt de rechtbank dat dit geweld niet ‘openlijk’ plaatsvond zoals artikel 141 vereist, nu uit de stukken en uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de carport/partytent door middel van zeilen was afgeschermd van de openbare weg en voor derden (publiek) niet zichtbaar was wat zich in de partytent afspeelde. Van dit deel van het tenlastegelegde dient verdachte derhalve te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het geweld gepleegd op de openbare weg (tweede confrontatie) overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij buiten stond en dat aangever zich aan hem vastgreep toen hij uit de partytent kwam. Hierbij is verdachtes shirt gescheurd. Verdachte heeft aangever van zich afgeduwd en hij is naar binnen gegaan. Verdachte zegt dat hij geen geweld heeft gebruikt tegen aangever en dat hij niet heeft gezien wat zich buiten verder heeft afgespeeld.

De rechtbank acht deze verklaringen niet geloofwaardig gelet op de aangifte en de hiervoor weergegeven verklaring van [verdachte EW], waaruit blijkt dat verdachte wel buiten de partytent was bij de tweede confrontatie en dat verdachte bij de groep stond die aangever heeft geslagen en geschopt.

Met betrekking tot het gebeuren bij de auto (derde confrontatie) heeft alleen aangever [slachtoffer] verklaard dat er geweld tegen hem is gebruikt. Nu deze verklaring niet wordt ondersteund door andere verklaringen is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor (openlijke) geweldpleging tijdens de derde confrontatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.605794-11

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 18 september 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 4 september 2012.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. R.J.J. Bosma, advocaat te Spier.

De tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 01 oktober 2011 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, met een ander of anderen,

- op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten een feest-/partytent aan/nabij de Iepenlaan en/of

- (vervolgens) op of aan de openbare weg, te weten (een grasveld aan/nabij) de Iepenlaan,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het schoppen en/of stompen en/of slaan van die [slachtoffer] en/of het geven van een knietje in het gezicht/tegen het hoofd van die [slachtoffer], waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen, welk door hem gepleegd geweld, enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten

gevolge heeft gehad;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. B. van der Burg acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij acht de officier van justitie voor toewijzing vatbaar en zij verzoekt de rechtbank deze -hoofdelijk- toe te wijzen tot een bedrag van 10.049,97 euro onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

- de aangifte van [slachtoffer], d.d. 4 oktober 2011 en 26 oktober 2011 , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Op zaterdag 1 oktober 2011, omstreeks 21.00 uur vetrok ik samen met [getuige PB] naar een verjaardagsfeest van [getuige SV] in Zuidlaren. Zij woont aan de [adres]. Het feest vond plaats in de partytent naast het huis. Voor mij en [getuige PB] waren het bijna allemaal onbekende mensen.

Omstreeks 23.00 uur wilde ik via de laptop die daar stond een muziekplaatje afspelen.

Opeens werd ik door een jongen aangesproken. Hij vroeg waar ik mee bezig was. Opeens voelde ik dat ik een duw kreeg van voren. Uit een natuurlijke reactie heb ik een duw teruggegeven. [verdachte EW] heeft mij een klap op het hoofd gegeven nadat ik een duw terug had gegeven. Hij heeft mij op dat moment meerdere klappen tegen mijn hoofd gegeven. Dit werd met kracht gedaan en hij sloeg mij met zijn vuisten. Ik werd op meerdere plaatsen geraakt. Aan de rechterkant van mijn gezicht en op mijn achterhoofd. Ik zag daarna direct dat de vrienden van [verdachte EW] opsprongen en op mij af kwamen. Daarop ben ik direct de tent uit gevlucht. Maar dat is niet gelukt omdat ik van die jongens uit Zuidlaren ook nog de volle lading kreeg. Ik weet dat [verdachten BK, EW en RK] daar bij waren.

[verdachte BK] sloeg mij met zijn vuisten. Op mijn hoofd voor en achter maar het meeste aan de voorkant. Ik heb dat daadwerkelijk gezien.

[verdachte EW] sloeg mij ook met zijn vuisten op de voorkant en achterkant. Ik heb dat daadwerkelijk gezien.

[verdachte RK] sloeg mij met zijn vuisten tegen mijn hoofd aan. Ik ben meerdere keren geraakt. Ik heb daadwerkelijk gezien dat hij mij meerdere keren sloeg.

Tijdens de vlucht heb ik nog meerdere klappen op mijn hoofd gekregen van [verdachten EW, BK en RK].

Op het grasveld werd ik door een groep personen ingehaald en vastgepakt. Het waren er minimaal 10. Onder andere [BK, EW en RK]. Daarvan weet ik zeker dat deze er bij waren. Dit was de tweede keer dat zij mij klappen gaven. Maar ik werd door meerdere personen geslagen met de vuisten.

[verdachte BK] pakte mij bij mijn hoofd vast en hij trok mij naar voren en bracht zijn knie in mijn gezicht waardoor mijn jukbeen en oogkas en kaak gebroken zijn. Met twee handen. Hij vouwde zijn handen om mijn achterhoofd, trok mijn hoofd naar voren en naar beneden richting zijn knieën en gaf mij een knietje in mijn gezicht.

Samen met [getuige PB] rende ik verder weg over het grasveld. Nadat we een stuk hadden gerend konden we weer rustig lopen omdat de groep ons niet achtervolgde.

[getuige PB] en ik hebben vervolgens een rondje gelopen, waarbij [getuige PB] het bloed van mijn hoofd heeft geveegd. Ik voelde dat mijn hoofd heel veel pijn deed.

Terwijl [getuige PB] naar het huis van [getuige SV] liep om onze spullen op te halen, wachtte ik zijn terugkomst af bij de auto van [getuige PB]. Dit was dus op het grasveld waar ik kort daarvoor ook mishandeld was. Er was op dat moment niemand meer in de buurt.

Opeens zag ik vijf of zes personen op mij af komen lopen. Deze kwamen uit de richting van het huis van [getuige SV] lopen. Ik had de moed niet meer om weg te rennen. Ik zag dat het om vier jongens ging en in elk geval een blonde meid. Ik hoorde dat de blonde meid riep dat ik hier zat. Ik hoorde dat deze blonde meid tegen de jongens riep dat zij mij snel moesten pakken, voordat ik weer weg was.

Voordat ik het in de gaten had waren de jongens al bij mij. Onmiddellijk kreeg ik weer verschillende klappen tegen mijn hoofd.

Opeens was [getuige PB] er ook weer. Samen zijn we weer gevlucht en bij een bankje hebben we gewacht op de komst van de politie.

- de medische verklaring d.d. 12 oktober 2011 , opgemaakt door D. van Hinnen, chirurg, UMCG, inhoudende het bij aangever geconstateerde letsel, te weten: een breuk van het rechter jukbeen, een breuk van de rechter bodem oogkas en een hersenschudding.

- de letselrapportage d.d. 21 december 2011 van de GGd Drenthe, opgemaakt door forensisch arts S.P.H. Letmaath.

- de verklaring van [getuige PB] d.d. 25 oktober 2011 , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Op een gegeven moment ging [slachtoffer] achter de laptop zitten om een nummer te draaien. Twee meisjes vonden dat niet leuk. Dit zeiden ze ook tegen hem. [slachtoffer] ging grapjes maken en liet hun toen muziek draaien. Toen kwam [verdachte EW] erbij. Hij was het er niet mee eens en begon kwaad te worden en te schreeuwen. Ik zag [verdachte EW] met beide handen en met veel kracht [slachtoffer] een duw geven. Ik zag dat [slachtoffer] naar achteren vloog. Daarna zag ik dat [slachtoffer] [verdachte EW] terugduwen.

Op dat moment stond ik op om mijn vriend te verdedigen en ruzies te voorkomen. Op dat moment zag ik de groep van Zuidlaren opstaan en in de richting van [slachtoffer] en mij komen met de intentie van we gaan [slachtoffer] slaan. Daarbij was [verdachte RK] ook. Hij heeft [slachtoffer] ook een paar keer recht in zijn gezicht geslagen.

Ik hoorde ze gezamenlijk roepen: 'We pakken hem'. Ze liepen naar ons toe met gebalde vuisten. Ik zag kwade ogen. Ik voelde op dat moment dat ik [slachtoffer] moest helpen omdat dit niet goed ging. (…)

Ik zag dat [verdachte EW] met veel kracht [slachtoffer] vol in zijn gezicht sloeg. Dat deed hij met zijn rechter vuist. Ook zag ik dat de rest van de groep meerdere malen [slachtoffer] sloeg op zijn hoofd met volle kracht. Ik stond midden in de groep [slachtoffer] te helpen en mensen aan de kant te duwen om een uitweg te maken voor [slachtoffer] en mij. Ik ben ook meerdere malen door dezelfde groep op mijn hoofd en op mijn rug geslagen. Dat deed op dat moment heel veel pijn. Ik zag [slachtoffer] op de grond vallen. Ik zag dat ongeveer vier a vijf mensen bovenop hem zaten (sowieso de drie hoofddaders). Hij werd meerdere malen geslagen en geschopt in zijn zij, eigenlijk over zijn hele lichaam. Ik zag op het moment dat wij wilden vluchten dat [slachtoffer] door een jonge man vast gehouden werd ter hoogte van zijn nek. Dit was vermoedelijk [verdachte EW]. Hij werd naar beneden getrokken en kreeg toen een volle rechter knie van [verdachte BK] in zijn gezicht ter hoogte van zijn oog aan de rechter kant. Op dat moment zag ik dat [slachtoffer] bijna nokkie ging. [slachtoffer] rende naar het einde van de straat. Ik zag na het knietje van [verdachte BK] meteen bloed op het gezicht van [slachtoffer] en snee. Ook werd het helemaal blauw. Het bloed stroomde eruit en hij had een bloedneus.

[getuige SV] is die avond daarna nog uitgeweest en fietst altijd met [verdachte BK] naar huis. Hij heeft toen met een smile op zijn gezicht gezegd dat hij het knietje heeft gegeven.

- de verklaring van [getuige SV] d.d 19 oktober 2011 , inhoudende , kort en zakelijk weergegeven:

[verdachte BK] heb ik thuis nog gesproken samen met [verdachte EW]. Ze hadden geen letsel. Ze vonden het slecht dat ze met z’n allen op [slachtoffer] in zijn gegaan. Daar hadden ze spijt van.

- de verklaring van [getuige SV] d.d 7 november 2011 , inhoudende , kort en zakelijk weergegeven:

Nadat het feest was afgelopen zijn wij nog met een groepje uit geweest in Zuidlaren. Wij waren in de Beuk geweest. Nadat we op stap waren geweest ben ik naar huis gefietst. Bij mij was onder andere [verdachte BK]. Ik hoorde dat hij tegen mij zei dat hij [slachtoffer] een knietje in het gezicht had gegeven. Overigens heeft [verdachte BK] dit aan meerdere mensen verteld. Dit was nog op het feest zelf.

- de verklaring van de getuige [getuige WV] d.d. 3 november 2011 , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik zag [verdachte BK] op [slachtoffer] af lopen. Toen had ik zoiets dat het verkeerd kon gaan. Ik ben toen op gestaan en ik zag [slachtoffer] weg rennen. [slachtoffer] liep richting de straat. [verdachte BK] was op dat moment nog in de tuin. Ik hield hem tegen. Ik stond voor [verdachte BK] en hij probeerde langs mij heen te lopen maar met mijn armen hield ik hem tegen.

Ik heb hem dus laten gaan op een gegeven moment. [verdachte BK] liep ook richting de straat. Onder tussen waren er ook al anderen die naar de straat waren gegaan. [verdachte BK] zijn vrienden waren daar ook.

- de verklaring van [getuige MD] d.d. 25 oktober 2011 , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Rond kwart over elf begon de ruzie omdat er een meningsverschil/discussie kwam tussen mij, [getuige MR] en [slachtoffer] over het draaien van de muziek. Ik zag [slachtoffer] opstaan. Wij stonden ook op en toen stonden we tegen over elkaar bij de laptop. Voor ons was het een meningsverschil. Ik had het gevoel dat er een ruzie door zou kunnen ontstaan omdat toen wij opstonden [verdachte BK] opstond en agressief reageerde.

[getuige MR] en ik zijn naar de picknick tafel gelopen. We zijn daar gaan zitten. Toen kwamen [getuige PB] en [slachtoffer] langslopen. Ik denk dat [slachtoffer] snel weg wou. Toen hij weg wilde heeft hij waarschijnlijk [getuige MR] omgeduwd. Ik zag dat [verdachten EW en BK] er aan kwamen. [slachtoffer] rende weg en heeft het shirt van [verdachte RK] kapot getrokken omdat hij in de weg stond. Ik ben toen met [getuige MR] naar het bankje bij de laptop gelopen. Op dat moment was de partytent al bijna leeg omdat iedereen naar buiten ging.

- de verklaring van [verdachte EW] d.d. 23 november 2011 , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

(…) Ik heb [slachtoffer] nog wel een duw in de rug gegeven. Ik gaf hem die duw in de rug om hem weg te duwen uit de partytent in de richting van de straat. Net buiten de partytent op het gras zag ik dat [slachtoffer] kwam te vallen over een bloempot die daar stond. Toen [slachtoffer] daar op de grond lag zag ik dat er naar [slachtoffer] getrapt werd. Ik zag meerdere voeten die [slachtoffer] trapten. In een flits zag ik om [slachtoffer] een groep jongens staan. [getuige TS], mijn broer [getuige RW], [getuige MB] en [verdachte RK] stonden daar bij. [verdachte BK] heb ik ook buiten gezien op dat moment. Ik zag [verdachte HS] bovenop [slachtoffer] liggen. Ik zag dat [getuige HS] per ongeluk ook wel getrapt werd.

(…) Bij de eerste confrontatie in de partytent heb ik [slachtoffer] twee vuistslagen in zijn zij gegeven.

(…) Het is uit de hand gelopen. Er is door teveel mensen teveel geweld gebruikt tegen die ene persoon.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

Verdachte was op 1 oktober 2011 aanwezig op het verjaardagsfeestje van [getuige SV] aan de Iepenlaan in Zuidlaren. Het feest vond buiten de woning plaats onder de carport die met neerhangende zeilen was afgeschermd van de tuin en de oprit en aldus dienst deed als “partytent”. Er waren 32 mensen op het feest. Op enig moment is er een ruzie ontstaan in de partytent tussen een aantal aanwezige gasten en het latere slachtoffer []. Deze ruzie liep uit op een vechtpartij waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, onder meer een gebroken oogkasbodem en een gebroken jukbeen, heeft opgelopen. Het gebeuren die avond kan worden onderscheiden in fases. De eerste confrontatie tussen [slachtoffer] en de groep vindt plaats in de partytent. Deze eerste confrontatie verplaatst zich van de partytent naar buiten en loopt in de tijd gezien over in de tweede confrontatie. De tweede confrontatie vindt plaats direct buiten de partytent en op het grasveld voor de woning. De tweede confrontatie stopt als [slachtoffer] kans ziet om weg te vluchten van de groep. Als [slachtoffer] korte tijd later bij de auto van [getuige PB] staat te wachten op [getuige PB] omdat zij naar huis willen gaan, verzamelt zich weer een groepje mensen bij [slachtoffer] (derde confrontatie).

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer]. In de tenlastelegging is dit geweld -kort gezegd- uitgesplitst in geweld gepleegd op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten de partytent (eerste confrontatie), en geweld gepleegd op de openbare weg (tweede en derde confrontatie).

Met betrekking tot het geweld gepleegd in de partytent (eerste confrontatie) overweegt de rechtbank dat dit geweld niet ‘openlijk’ plaatsvond zoals artikel 141 vereist, nu uit de stukken en uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de carport/partytent door middel van zeilen was afgeschermd van de openbare weg en voor derden (publiek) niet zichtbaar was wat zich in de partytent afspeelde. Van dit deel van het tenlastegelegde dient verdachte derhalve te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het geweld gepleegd op de openbare weg (tweede confrontatie) overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij buiten stond en dat aangever zich aan hem vastgreep toen hij uit de partytent kwam. Hierbij is verdachtes shirt gescheurd. Verdachte heeft aangever van zich afgeduwd en hij is naar binnen gegaan. Verdachte zegt dat hij geen geweld heeft gebruikt tegen aangever en dat hij niet heeft gezien wat zich buiten verder heeft afgespeeld.

De rechtbank acht deze verklaringen niet geloofwaardig gelet op de aangifte en de hiervoor weergegeven verklaring van [verdachte EW], waaruit blijkt dat verdachte wel buiten de partytent was bij de tweede confrontatie en dat verdachte bij de groep stond die aangever heeft geslagen en geschopt.

Met betrekking tot het gebeuren bij de auto (derde confrontatie) heeft alleen aangever [slachtoffer] verklaard dat er geweld tegen hem is gebruikt. Nu deze verklaring niet wordt ondersteund door andere verklaringen is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor (openlijke) geweldpleging tijdens de derde confrontatie.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 01 oktober 2011 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, met anderen,

- aan de openbare weg, te weten de Iepenlaan,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het schoppen en stompen en slaan van die [slachtoffer] en het geven van een knietje in het gezicht van die [slachtoffer], waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer] heeft gestompt en geslagen, welk door hem gepleegd geweld, enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen geachte levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft,

strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen in aanmerking: de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsvrouwe van de verdachte, de oriëntatiepunten voor de straftoemeting, de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 13 augustus 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een misdrijf is veroordeeld.

Verdachte heeft zich met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen het slachtoffer []. Het slachtoffer werd door een grote groep personen belaagd, mishandeld en achtervolgd. Aangever is daarbij meerdere keren geslagen, gestompt en geschopt, ook terwijl aangever op de grond lag. Aangever heeft daarbij voorts een knietje in zijn gezicht gekregen. Dit openlijk geweld heeft zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer veroorzaakt waarvan hij, zo blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting, nog steeds veel last ondervindt. Het handelen van verdachte en zijn medeverdachten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden betiteld dan als zinloos geweld. Verdachte heeft zich niet gedistantieerd van het geweld. Verdachte neemt vervolgens niet de verantwoordelijkheid voor zijn handelen maar bagatelliseert zijn aandeel in het geweld en schuift de schuld deels op het slachtoffer. De rechtbank rekent hem dit aan.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval

een werkstraf zoals door de officier van justitie gevorderd passend en geboden is.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de gevorderde materiële schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat zij het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de immateriële schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade deels bewezen acht. De vordering acht zij tot een bedrag van 2.000 euro, in verband met de ziekenhuisopname, de operatie en geleden pijn, voldoende aannemelijk gemaakt en niet onredelijk. De rechtbank laat daarbij buiten beschouwing de eventuele thans nog voortdurende psychische schade omdat het vaststellen van deze schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot een bedrag van 2.000 euro voor toewijzing vatbaar. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn -immateriële- vordering, voor dit deel kan de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer [] naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit 120 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van de som van € 3.049,97 (€ 1.049,97 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade) en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil, met dien verstande dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door één of meer mededaders is betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat hij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [], een bedrag van € 3.049,97 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 45 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, en dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door één of meer mededaders is betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mrs. E.C.M. Wolfert en M. van der Veen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 18 september 2012, zijnde mr. Van der Veen buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.