Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BX6097

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
19/830236-12 rdknr 12/319
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 14fa Sr, voorlopige tenuitvoerlegging door rechter-commissaris. Overgangsrecht. Consultatierecht. Aanvulling vordering door rechter-commissaris?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer : 19/830236-12

RC-nummer : 12/319

BEVEL VOORLOPIGE TENUITVOERLEGGING

De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank;

Overweegt:

Gezien de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement van 28 augustus 2012, strekkende tot het verlenen van een bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging van een door de politierechter 11 november 2011 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 115 dagen jegens:

Naam : [veroordeelde],

Voornamen : [voornaam]

geboren op : [datum] 1973 te gemeente [naam]

z.v.w.o.v.h.t.l.

thans verblijvende op het bureau van politie te Assen.

Gehoord de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. H.J. Pellinkhof.

Bij onherroepelijk vonnis van 11 november 2011 is veroordeelde door de politierechter van de rechtbank Assen veroordeeld tot onder meer 115 dagen voorwaardelijke gevangenisstraf. Naast de algemene voorwaarde, heeft de politierechter een aantal bijzondere voorwaarden opgelegd. Deze zijn dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd van twee jaren, welke proeftijd nog niet is beëindigd, moet gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland of van de VNN. Ook dient de veroordeelde zich te laten opnemen in Beschermde Woonvorm Nieuw Amsterdam, of een soortgelijke instelling, en veroordeelde dient zich te houden aan het dagprogramma van deze voorziening. Met betrekking tot de vordering van de officier van justitie overweegt de rechter-commissaris het volgende. De officier van justitie heeft op 28 augustus 2012 de hiervoor genoemde vordering ingediend omdat de officier van justitie van oordeel is dat er ernstige reden bestaan voor het vermoeden dat veroordeelde enig gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd, te weten: het volgen van aanwijzingen van de VNN.

De rechter-commissaris stelt, gelet op het ontbreken van een overgangsregeling, ambtshalve de vraag of in het geval van een vóór 1 april 2012 opgelegde voorwaardelijke veroordeling, de regeling van artikel 14fa Sr al dan niet buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het legaliteitsbeginsel zoals dat is neergelegd in onder meer artikel 1 Sr en artikel 7 EVRM. Voor de beantwoording van de hiervoor gestelde vraag is van belang om vast te stellen dat de regeling zoals omschreven in artikel 14fa Sr ziet op de versnelling van de tenuitvoerlegging van een destijds door de rechter opgelegde voorwaardelijke sanctie. Artikel 14fa Sr is derhalve, naar het oordeel van de rechter-commissaris, een bepaling die in de sfeer van de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf ligt en daardoor deel uitmaakt van het executierecht. De rechter-commissaris neemt in overweging dat artikel 1 Sr ziet op de verdachte ten aanzien van wie door de rechter moet worden beslist of hem een straf zal worden opgelegd. Voormelde bepaling heeft geen betrekking op de reeds veroordeelde. Op het executierecht heeft artikel 1 Sr dan ook geen betrekking (zie HR 12 juli 2011, NJ 2012, 78). Voor de vraag of de toepassing van artikel 14fa Sr met artikel 7 EVRM strijdt, indien en voor zover het een veroordeling betreft die vóór 1 april 2012 is uitgesproken, geldt dat het EHRM van oordeel is dat veranderingen die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de straf niet onder artikel 7 EVRM vallen, voor zover de tenuitvoerlegging van de straf deze niet zwaarder maakt dan de opgelegde straf (zie EHRM 12 februari 2008, NJ 2009, 90, Kafkaris v. Cyprus). Nu in het onderhavige geval de veroordeelde - indien de rechter-commissaris de vordering van de officier van justitie tot de voorlopige tenuitvoerlegging van de destijds opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf toewijst - geen zwaardere straf zal ondergaan dan eertijds door de rechter is opgelegd, is de rechter-commissaris van oordeel dat zich geen strijd met artikel 7 EVRM voordoet noch dat de veroordeelde in dat geval in een andere, meer of minder gunstige, positie is gekomen. De rechter-commissaris is dan ook van oordeel dat het legaliteitsbeginsel daarom niet in het geding is en dat er ook verder geen beletsel is om de regeling van artikel 14fa Sr in de voorliggende zaak toe te passen.

Uit het proces-verbaal van aanhouding ter zake van art. 14fa Sr en gedateerd op 28 augustus 2012 blijkt dat veroordeelde niet gewezen is op het recht op consultatiebijstand vooraf aan het eerste verhoor, omdat veroordeelde geen verklaring hoeft af te leggen. De rechter-commissaris overweegt hieromtrent ambtshalve het volgende. Art. 14fa lid 4 Sr verklaart onder meer art. 40 Wetboek van Strafvordering "van overeenkomstige toepassing". Laatstgenoemde bepaling ziet op rechtsbijstand aan de verdachte die in verzekering is gesteld. De ratio van die bepaling is de verdachte te waarborgen dat hij rechtsgeleerde bijstand heeft. Meer in het bijzonder is van belang dat de verdachte zijn eigen proceshouding kan bepalen, waarbij hij vaak rechtsgeleerde bijstand behoeft. Het geval van art. 14fa Sr is een andere, namelijk dat een reeds veroordeelde, ter fine van voorlopige tenuitvoerlegging wordt aangehouden. Zo gezien is er in het licht van de onschuldpresumptie geen behoefte aan onmiddellijk consultatierecht. Evenwel is de grond om de veroordeelde aan te houden gelegen in het vermoeden dat er ernstige redenen bestaan dat veroordeelde enig voorwaarde niet heeft nageleefd. Dat vermoeden is niet onweerlegbaar; de veroordeelde moet op elk moment in de gelegenheid in de gelegenheid worden gesteld om dat vermoeden te betwisten teneinde aan te geven dat zijn vrijheidsbeneming onterecht is. Daarbij moet hij verzekerd zijn van rechtsgeleerde bijstand, althans moet hij de mogelijkheid hebben om vanaf het moment van de aanhouding een advocaat te raadplegen. Zo gezien kan art. 14fa lid 4 Sr (jo art. 40 Sv) in de sleutel worden gezet van de vigerende rechtsregel met betrekking tot de rechtshulpverlening in de fase van de eerste strafvorderlijke vrijheidsberoving: de aanhouding. Een redelijke wetsuitleg van art. 14fa lid 4 Sr brengt naar het oordeel van de rechter-commissaris met zich mee dat aan de veroordeelde ten aanzien van wie een ernstig vermoeden bestaat dat enig gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd, rechtsbijstand wordt verleend vanaf het moment dat hij van zijn vrijheid is beroofd ter fine van voorgeleiding aan de rechter-commissaris. Hieruit vloeit voort dat de veroordeelde onmiddellijk na zijn aanhouding ex art. 14fa lid 1 Sr gewezen moet worden op zijn consultatierecht, hetgeen in het onderhavige geval verzuimd is. De rechter-commissaris zal er evenwel geen sancties aan verbinden. Niet gezegd kan worden dat de termijn waarin veroordeelde geen rechtsbijstand in het onderhavige geval onaanvaardbaar lang is geweest. Veroordeelde is op 28 augustus 2012 om 12.10 uur aangehouden; op 28 augustus 2012 heeft hij voor het eerst met zijn raadsman kunnen overleggen. De rechter-commissaris is derhalve van oordeel dat veroordeelde in zijn belang om tijdig rechtsbijstand te krijgen is geschaad, doch niet in die mate dat daardoor het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden dan wel dat de vordering zou moeten worden afgewezen.

Uit het verhandelde ter zitting, in het bijzonder uit datgene wat de ter zitting aanwezige vertegenwoordiger van de VNN als getuige en als deskundige heeft verklaard, leidt de rechter-commissaris af dat veroordeelde de aanwijzingen die hem door en namens de VNN zijn gegeven, onvoldoende heeft nageleefd. Veroordeelde heeft ter zitting bevestigd dat hij deze aanwijzingen onvoldoende heeft nageleefd. De rechter-commissaris is dan ook van oordeel dat aan de voorwaarde om tot een voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf op de voet van art. 14fa lid 5 Sr over te gaan, is voldaan en dat deze derhalve kan worden bevolen. De rechter-commissaris merkt hierbij op dat er, op grond van het feit dat uit het dossier blijkt dat er ten aanzien van de veroordeelde een verdenking van een strafbaar feit bestaat, tevens ernstige redenen bestaan te vermoeden dat veroordeelde zich niet aan de algemene voorwaarden heeft gehouden. De rechter-commissaris is echter van oordeel dat de vordering van de officier van justitie slechts door hem kan worden aangevuld. Gelet op de verschillende bevoegdheden ziet de rechter-commissaris geen ruimte om de vordering ambtshalve uit te breiden met de grond van het niet naleven van de algemene voorwaarden.

De rechter-commissaris merkt het volgende op. Tot het dossier behoorde niet een schriftelijke rapportage van de VNN waaruit blijkt dat, hoe en met welke frequentie de veroordeelde de aanwijzingen van de VNN onvoldoende heeft nageleefd. Hoewel de rechter-commissaris zich in het onderhavige geval in voldoende mate heeft kunnen laten voorlichten door de ter zitting aanwezige vertegenwoordigster van de VNN, is hij van oordeel dat de afwezigheid van een schriftelijke rapportage niet wenselijk is. Het moet voor alle partijen in het geding bij de aanvang van de procedure, vanaf het moment dat de veroordeelde ter fine van de voorgeleiding aan de rechter-commissaris ex art. 14fa lid 1 Sr, duidelijk zijn welke feiten ten grondslag liggen aan de vordering tot onmiddellijke vrijheidsbeneming van de veroordeelde.

De rechter-commissaris beslist als volgt:

beveelt de voorlopige tenuitvoerlegging van de rechtbank opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen. De rechter-commissaris draagt de VNN op om ten behoeve van de behandeling van de definitieve tenuitvoerlegging door de rechter van deze rechtbank te onderzoeken of veroordeelde in staat zal zijn de eertijds opgelegde voorwaarden na te komen, en daarover aan de Raadkamer te rapporteren. Tevens draagt de rechter-commissaris de VNN op om ten behoeve van de behandeling van de definitieve vordering tenuitvoerlegging een schriftelijk verslag op te maken over de gang van zaken die hebben geleid tot de aanhouding van veroordeelde ex art. 14fa lid 1 Sr. In het bijzonder dient de VNN in dit verslag gedetailleerd te rapporteren over de wijze en frequentie van het onvoldoende naleven van de door de VNN opgelegde aanwijzingen.

Assen, 28 augustus 2012

(mr. A.L.J.M.A. Janssens)

De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van aangehecht bevel en brengt deze ter kennis van verdachte.

Assen, 28 augustus 2012

De officier van justitie,

Parketnummer : 19/830236-12

RC-nummer : 12/319

2

R6013692

beschikking

R6013692