Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BX5879

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
12/111
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:375, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de voorgeschiedenis acht de rechtbank het niet zonder meer uitgesloten dat het bouwplan verwezenlijkt kan worden. Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij voornemens is een civiele procedure te gaan voeren. De uitkomst daarvan staat naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand vast. Hoewel partijen thans ver van elkaar af lijken te staan waar het gaat om de bereidheid de in het verleden gevoerde gespreken over de verwezenlijking van het bouwplan te hervatten, is het niet ondenkbaar dat partijen hiertoe alsnog (wellicht na civielrechtelijke interventie) alsnog overgaan. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiser belanghebbende is bij de aanvraag omdat thans (nog) niet aannemelijk is dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2012 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.J.G.G. Sluyter),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Snel).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2012 heeft verweerder de bezwaren van [belanghebbende]. tegen het besluit van 8 augustus 2011 gegrond verklaard en de aanvraag van eiser ten behoeve van een omgevingsvergunning tweede fase niet-ontvankelijk verklaard.

Namens eiser is bij brief van 16 februari 2012 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank [belanghebbende]. in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 31 juli 2012, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Op 18 december 2009 heeft eiser een bouwaanvraag eerste fase ingediend voor het oprichten van een snackbar aan [adres]. Verweerder heeft op 10 maart 2010 een bouwvergunning eerste fase verleend. Het daartegen ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 9 augustus 2010 ongegrond verklaard. Op 26 mei 2011 heeft eiser een aanvraag voor een omgevingsvergunning tweede fase ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 8 augustus 2011 deze vergunning verleend. Tegen dit besluit hebben [belanghebbende]. bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar ter advisering voorgelegd aan de commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften (de commissie). Op 13 december 2011 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De commissie heeft het volgende geadviseerd. De bouwvergunning eerste fase is onherroepelijk waardoor deze in de onderhavige procedure geen rol kan spelen. Eiser is in de procedure rond de bouwvergunning eerste fase aangemerkt als belanghebbende. Niet gesteld kan dan worden dat hij bij de procedure rond de bouwvergunning tweede fase niet belanghebbende zou zijn. De Woningwet is van toepassing ten aanzien van de bouwvergunning tweede fase. Niet gebleken is van strijd met het bouwbesluit of de bouwverordening. Nu geen van de weigeringsgronden van toepassing is, is verweerder gehouden een vergunning te verlenen.

2. Het bestreden besluit behelst de gegrondverklaring van het bezwaar van [belanghebbende]. en de herroeping van het besluit van 8 augustus 2011. Verweerder heeft hierbij verwezen naar het advies van de commissie. Verweerder heeft het advies van de commissie tot verlening van een bouwvergunning tweede fase niet overgenomen. In afwijking van dit advies heeft verweerder eisers aanvraag van een vergunning tweede fase niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen belanghebbende is bij die aanvraag. Verweerder heeft overwogen dat na de verlening van de bouwvergunning eerste fase discussie is ontstaan over het gebruik van de openbare grond waarop de snackbar gerealiseerd moet worden. Thans is er geen zicht op enige overeenstemming tussen de gemeente en eiser op grond waarvan eiser de beschikking kan krijgen over de benodigde grond.

3. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn aanvraag voor een vergunning tweede fase, omdat hij geen belanghebbende bij die aanvraag is. Verweerder heeft volgens eiser aangegeven dat het bestemmingsplan zal worden aangepast en heeft voorgesteld dat eiser bij de bouw van de snackkiosk de ondergrond in erfpacht zou moeten hebben. De onderhandelingen over een erfpachtcontract zijn nog niet afgerond. De burgemeester heeft volgens eiser een langere duur van het erfpachtcontract toegezegd dan in het conceptcontract staat.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om een bouwvergunning tweede fase niet als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gekwalificeerd, omdat eiser geen belanghebbende is bij die omgevingsvergunning. Eiser kan immers als eigenaar noch anderszins beschikken over de grond waarop het bouwwerk moet worden opgericht en kan het dus niet realiseren. Aangezien een bouwvergunning alleen op aanvraag kan worden verleend, had geen vergunning kunnen worden verleend. Geen van de door eiser naar voren gebrachte gronden strekt er toe dat hij eigenaar zou zijn van de grond waarop het gebouw moet worden opgericht of anderszins een verbintenisrechtelijke aanspraak bezit op grond waarvan hij in staat is het bouwplan op de ondergrond van de gemeente te verwezenlijken. Voorts heeft verweerder gesteld dat van enige toezegging aan eiser geen sprake is. De gesprekken over de vestiging van een erfpachtrecht zijn door eiser beëindigd, omdat verweerder niet bereid was aan de door eiser gestelde eisen te voldoen. Verweerder heeft gesteld dat bij hem geen bereidheid bestaat om eventuele gesprekken te hervatten.

5. Artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. Volgens artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

6. De rechtbank overweegt dat de aanvrager om bouwvergunning belanghebbende is bij een beslissing op die aanvraag, tenzij aannemelijk is dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 oktober 2010, LJN BK1371). Partijen verschillen van mening over de vraag of van de kant van verweerder zodanig concrete toezeggingen zijn gedaan dat verweerder tot enige vorm van medewerking aan de verwezenlijking van het bouwplan is gehouden. In het kader van deze bestuursrechtelijke procedure kan de rechtbank daarover geen uitspraak doen, maar gelet op de voorgeschiedenis acht de rechtbank het niet zonder meer uitgesloten dat het bouwplan verwezenlijkt kan worden. Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij voornemens is een civiele procedure te gaan voeren. De uitkomst daarvan staat naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand vast. Hoewel partijen thans ver van elkaar af lijken te staan waar het gaat om de bereidheid de in het verleden gevoerde gespreken over de verwezenlijking van het bouwplan te hervatten, is het niet ondenkbaar dat partijen hiertoe alsnog (wellicht na civielrechtelijke interventie) alsnog overgaan. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiser belanghebbende is bij de aanvraag omdat thans (nog) niet aannemelijk is dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt.

7. Het vorenstaande betekent dat verweerder ten onrechte de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw op de bezwaren te beslissen, waarbij de rechtbank nog overweegt dat gesteld noch gebleken is dat het bestreden besluit voor het overige rechtens onjuist is.

Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand en € 8,16 wegens door eiser gemaakte reiskosten om de zitting bij te wonen. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 156,- aan hem dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 26 januari 2012 en bepaalt dat verweerder opnieuw op de bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2011 beslist met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 882,16 en bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 156,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, rechter, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier.

mr. P.T.M. van der Lelie mr. K. Wentholt

In het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2012.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Afschrift verzonden op: