Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BX5128

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
21-08-2012
Zaaknummer
19.830057-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte heeft getracht een tweetal verbalisanten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met zijn auto tegen de auto van de verbalisanten aan te rijden. Verdachte bestuurde op dat moment een auto terwijl hij van te voren alcoholhoudende drank had genuttigd.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 8
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/83 met annotatie van C.J. van Eekelen

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830057-12

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 21 augustus 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1963,

verblijven in PPC Zwolle te Zwolle.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 07 augustus 2012.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. Th. Martens, advocaat te Assen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1. hij op of omstreeks 03 maart 2012 te Weerdinge, in de gemeente Emmen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], medewerkers van de Regiopolitie Drenthe, van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, in te rijden op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 03 maart 2012 te Weerdinge, in de gemeente Emmen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], medewerkers van de Regiopolitie Drenthe, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, in te rijden op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 03 maart 2012 te op de N34 in de richting van Coevorden, althans in de gemeente Emmen en/of de gemeente Coevorden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], medewerkers van de Regiopolitie Drenthe, van het leven te beroven, met dat opzet met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto (rijdende over de N-34) tegen de naast hem, door [slachtoffer 3] bestuurde (politie) auto is gebotst/ gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 03 maart 2012 op de N34 in de richting van Coevorden, althans in de gemeente emmen en/of in de gemeente Coevorden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], medewerkers van de Regiopolitie Drenthe, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto, tegen de naast hem, door [slachtoffer 3] voornoemd, bestuurde (politie) auto is gereden/gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij op of omstreeks 03 maart 2012 op de N34 in de provincie Drenthe, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto van het merk Opel, type Vectra met kenteken [kenteken]), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol (te weten 590 ug/l), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. P.H.S. van Rest acht hetgeen onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* 3 jaren gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk,

proeftijd 3 jaren, met daaraan gekoppeld een klinische opname van verdachte gedurende maximaal de duur van de proeftijd;

* 5 jaar ontzegging van de rijbevoegdheid;

* toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 1 primair en subsidiair en 2 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit met de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Aangaande feit 1 acht de rechtbank met name niet bewezen dat verdachte de verbalisanten kon of behoorde waar te nemen op het moment dat hij de politieauto naderde.

De verbalisanten hadden hun voertuig tussen de borden die de bebouwde kom van Weerdinge aangeven, dwars op de weg gezet. Op het moment dat verdachte aan kwam rijden was het donker. Verbalisanten stonden, zo heeft verbalisant [slachtoffer 2] op de terechtzitting verklaard, op een aantal meters schuin achter de achterzijde van het politievoertuig. Zij stonden, gezien vanuit de rijrichting van verdachte, aan de linkerzijde van de weg in de berm aan de rand van de weg.

Gelet hierop is het voorstelbaar dat verdachte het zicht op de verbalisanten werd ontnomen door het bord bebouwde kom en het politievoertuig. Ook kan daarbij van invloed zijn geweest dat de zwaailichten die het politievoertuig op dat moment voerde, het zicht van verdachte hebben belemmerd.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier geen aanknopingspunten om de stelling van verdachte, dat hij de verbalisanten niet heeft gezien, te weerspreken.

Daarmee kan het opzet al dan niet in voorwaardelijke zin niet worden bewezen. Ook het rijden langs het politievoertuig zonder rekening te houden met mogelijke omstanders acht de rechtbank onvoldoende voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet.

Voor feit 2 primair dient naar het oordeel van de rechtbank eveneens vrijspraak te volgen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte door zijn voertuig tegen het politievoertuig te sturen opzet had op de dood van de twee verbalisanten, ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank heeft daarbij betrokken de snelheid die op dat moment werd gevoerd namelijk ongeveer 60 km/uur en het feit dat de verbalisanten hun voertuig tijdig tot stilstand hebben kunnen brengen.

Bewijsmotivering

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2. hij op 03 maart 2012 op de N34 in de richting van Coevorden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan personen genaamd [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], medewerkers van de Regiopolitie Drenthe, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto, tegen de naast hem, door [slachtoffer 3] voornoemd, bestuurde politie auto is gereden/gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij op 03 maart 2012 op de N34 in de provincie Drenthe, als bestuurder van een voertuig, personenauto van het merk Opel, type Vectra met kenteken [kenteken], dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol te weten 590 ug/l, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 2 subsidiair en 3 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Nadere overweging

Anders dan door de raadsman is betoogd acht de rechtbank op grond het proces-verbaal van de verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn auto naar links heeft gestuurd en daarbij het politievoertuig heeft geraakt. Verdachte heeft daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aan de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel zou kunnen worden toegebracht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 2: poging tot zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 302 in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994,

strafbaar gesteld bij artikel 176 van der Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 27 juli 2012, opgemaakt door drs. C. Sipma, GZ-psycholoog.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -:

" Verdachte is een verstandelijk beperkte man bij wie sprake is van een persoonlijkheids-stoornis en alcoholafhankelijkheid. Daarnaast is er sprake van een posttraumatische stressstoornis ten gevolge van de moord op [naam stiefvader] in 2005.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was er sprake van persoonlijkheidsproblematiek.

Verdachte wist dat zijn gedrag maatschappelijk onaanvaardbaar was maar was niet in staat om zijn wil en handelen dienovereenkomstig te bepalen. Verdachte moet voor de feiten sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht".

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in sterk verminderde mate.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte heeft getracht een tweetal verbalisanten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met zijn auto tegen de auto van de verbalisanten aan te rijden. Verdachte bestuurde op dat moment een auto terwijl hij van te voren alcoholhoudende drank had genuttigd.

Verdachte was door de politie naar het busstation gebracht omdat hij alcohol had gedronken en dus niet met de auto naar huis kon rijden. Verdachte is echter naar zijn auto teruggelopen en is vervolgens gaan rijden. De politie kwam daar achter en heeft alles in het werk gesteld om verdachte tot stoppen te bewegen. Verdachte heeft zich niets van stoptekens en blokkades aangetrokken en heeft niet uit eigen beweging zijn voertuig aan de kant willen zetten. Nadat verdachte tegen de auto van verbalisanten was aangereden (feit 2) heeft de politie ingegrepen waarna verdachte met zijn auto -uiteindelijk- in de sloot tot stilstand kwam.

De rechtbank acht het gedrag van verdachte zeer verwerpelijk. Verdachte is in zijn auto gaan rijden met alcohol op terwijl hij bovendien niet over een rijbewijs beschikte. Verdachte heeft daarmee de veiligheid op de weg ernstig in gevaar gebracht. Te meer nu verdachte met zijn auto tegen de politieauto is aangereden waarbij dergelijke gebeurtenissen ook op de betreffende politieagenten grote impact hebben gehad.

Dat alles uiteindelijk goed is afgelopen is niet aan verdachte toe te schrijven maar aan het handelen van de politie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het rapport van de psycholoog, een nader rapport van een psychiater bij de stukken zou moeten worden gevoegd om een tbs met voorwaarden mogelijk te maken. Een beslissing in de zaak zou daartoe moeten worden aangehouden.

Subsidiair heeft de officier gevorderd dat de door hem bewezen geachte feiten worden afgedaan met een strafmodaliteit zoals hiervoor aangegeven. Met de reclassering is de officier van oordeel dat verdachte aansluitend aan zijn detentie een klinische behandeling dient te ondergaan voor een maximale duur van de proeftijd.

De op te leggen bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachtes handelen moet worden gezien als een schreeuw om hulp. Verdachte wist niet hoe en waar hij hulp moest zoeken.

Verdachte moet worden behandeld voor zijn alcoholverslaving en moet geholpen worden bij de verwerking van het overlijden van zijn stiefvader.

De raadsman acht een tbs met voorwaarden een te zwaar middel terwijl dat advies bovendien niet uit de rapporten naar voren komt. Verdachte is gemotiveerd voor een klinische opname bij Trajectum en dat zou als bijzondere voorwaarde kunnen worden opgenomen.

De raadman heeft benadrukt dat de behandeling van verdachte zo snel als mogelijk dient aan te vangen.

Aangaande de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het bewezen verklaarde, met de omstandigheden waaronder dit is begaan en met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 13 juli 2012 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van misdrijven.

De rechtbank heeft kennis genomen van de over de verdachte uitgebrachte rapporten van de psycholoog en reclassering. Daaruit komt naar voren dat verdachte moet worden behandeld voor zijn psychiatrische problematiek en zijn afhankelijkheid van alcohol, om daarmee een gedragsverandering tot stand te brengen en daarmee de kans op recidive te verkleinen.

De reclassering heeft geadviseerd om verdachte klinisch te laten behandelen bij Trajectum.

Gelet op het advies van de reclassering en de persoon van verdachte zoals op de terecht-zitting naar voren is gekomen dient naar het oordeel van de rechtbank de behandeling van verdachte voorop te staan. De behandeling dient ook zo spoedig mogelijk een aanvang te nemen.

Uit voormelde rapporten blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat bedoelde behandeling slechts kans van slagen zou hebben door het opleggen van de maatregel van tbs met voorwaarden. De rechtbank zal daarom het primaire standpunt van de officier niet volgen.

De rechtbank komt tot een aanmerkelijk lagere straf dan door de officier is geëist nu verdachte van feit 1 zal worden vrijgesproken en gelet op de mate van toerekenbaarheid en de persoon van de verdachte.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een deels onvoorwaardelijk gevangenisstraf geboden is met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden zoals in het reclasseringsrapport vermeld.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte na ommekomst van zijn detentie kan worden opgenomen in Trajectum.

Naar het oordeel van de rechtbank doet zich een situatie voor als bedoeld in artikel 14e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden zoals hierna genoemd, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen moet worden ontzegd omdat zoals hiervoor al aangegeven, de verdachte zich als verkeersdeelnemer zodanig heeft gedragen dat de verkeersveiligheid daardoor in hoge mate in gevaar is gebracht. Bovendien heeft verdachte zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs, zijn voertuig bestuurd terwijl hij onder invloed was van alcoholhoudende drank.

De rechtbank acht een ontzegging van de rijbevoegdheid van zesendertig maanden gepast en geboden.

Benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partijen zullen daarom niet ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen en zij kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en subsidiair en 2 primair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte 2 subsidiair en 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot:

* een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF MAANDEN waarvan een gedeelte groot TWEE MAANDEN voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De rechtbank beveelt, dat deze voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, onder het stellen van na te melden voorwaarden.

De rechtbank stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

o zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft voor zover deze niet al zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde;

o zich gedurende de door de recclassering bepaalde perioden moet blijven melden zo frequent als de reclassering dit gedurende deze perioden nodig acht;

o zich aansluitend aan zijn detentie zal laten opnemen in Trajectum of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, voor een klinische behandeling voor de maximale duur van drie jaar, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven. Tevens zal verdachte zich dienen te houden aan de aanwijzingen die hem door of namens de reclassering zullen worden gegeven in het kader van het nazorgtraject.

De rechtbank geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, ingevolge artikel 14d lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank bepaalt dat de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van ZESENDERTIG MAANDEN.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in haar vordering en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mr. H.T. van Voorst en mr. E.C.M. Wolfert, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 21 augustus 2012, zijnde mr. Wolfert buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

Parketnummer: 19.830057-12

Uitspraak d.d.: 21 augustus 2012 8

vonnis