Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BX4954

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
10/861
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank dient vervolgens weer de vraag te beantwoorden of verweerder gezien de informatie die op dat moment beschikbaar was in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat er sprake was van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat die vraag hier ontkennend moet worden beantwoord. Beroep tegen verblijfsontzegging gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: AWB 10/861 en AWB 11/224

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 31 juli 2012

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de burgemeester van Emmen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2010 heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet een gebiedsverbod opgelegd voor de basisschool [de school] en haar directe omgeving tot aan het moment dat de rechter een besluit heeft genomen over het verzoek tot beëindiging van de omgangsregeling.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 30 augustus 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 december 2010 heeft verweerder het gebiedsverbod voor de basisschool [de school] en haar directe omgeving gehandhaafd, echter het gebiedsverbod geldt, in afwijking van het primaire besluit van 26 augustus 2010, alleen op vrijdag 27 augustus 2010.

Namens eiser is bij brief van 22 december 2010 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 10/861.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 11 maart 2011 heeft verweerder aan eiser op basis van zijn bevoegdheid ex artikel 2:2 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) gemeente Emmen een verblijfsontzegging opgelegd voor de omgeving van [de school] tot aan het moment dat de kinderrechter te Assen een besluit heeft genomen over de omgangsregeling.

Op verzoek van eiser en met instemming van verweerder heeft eiser vervolgens rechtstreeks beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 11/224.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank op 19 juni 2012, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.G.C. Wijsman.

Voor verweerder is verschenen G.J.P.E. Wilms.

Overwegingen

Met betrekking tot het beroep met nummer 10/861

1. Op 24 augustus 2010 heeft de inspecteur van de Regiopolitie Drenthe verzocht een gebiedsverbod op te maken voor eiser.

2. Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester bevoegd is bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

3. Eiser voert aan dat het gebiedsverbod niet had mogen worden opgelegd, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat hij ooit de openbare orde heeft verstoord of dat anderen naar aanleiding van zijn aanwezigheid de openbare orde hebben verstoord.

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven ernstige vrees te hebben dat de openbare orde zal worden verstoord. Verweerder heeft dat als volgt gemotiveerd:

“Ik heb u een gebiedsverbod opgelegd, nadat u had aangekondigd uw vier kinderen op vrijdagmiddag 27 augustus 2010 bij de school te komen ophalen in het kader van een omgangsregeling. Ik had de ernstige vrees dat daardoor de openbare orde zou worden verstoord. Aan mijn besluit ligt informatie van de politie, van de schooldirecteur en van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering (LJ&R) ten grondslag.” Verweerder heeft vervolgens uitvoerig vermeld wat de informatie van de verschillende instanties inhield.

5. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder gezien de informatie die op dat moment beschikbaar was in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat er sprake was van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat die vraag, gezien alle hierna onder punt 5.1 tot en met 5.6. te noemen informatie in het dossier, bevestigend moet worden beantwoord.

5.1. In het bestreden besluit wordt verwezen naar een tweetal incidenten die hebben plaatsgevonden op 19 februari 2010 en 19 maart 2010. Er bevinden zich twee processen-verbaal en twee mutaties van de politie bij de stukken met betrekking tot deze incidenten. Hieruit blijkt het volgende.

Op 19 februari 2010 was eiser bij de woning van zijn ex-vrouw om zijn kinderen op te halen in het kader van de vastgestelde omgangsregeling. Volgens de ex-vrouw van eiser wilden de kinderen niet mee, maar stond eiser er desondanks op dat de kinderen met hem meegingen. Zij heeft – aldus het proces-verbaal van aangifte – de politie gebeld omdat eiser een ruit in de voordeur vernielde nadat zij deze had gesloten.

Op 19 maart 2010 was eiser bij school om zijn kinderen in het kader van de omgangsregeling op te halen. Naar aanleiding van een melding van de gezinsvoogd is de politie ter plaatse gegaan. De melding hield in dat er problemen zouden ontstaan, omdat de kinderen niet mee zouden willen, terwijl de gezinsvoogd het niet raadzaam vond om vader de kinderen mee te geven. De politie heeft bij de school gesproken met eiser, zijn ex-vrouw en de kinderen. De kinderen gaven alle vier aan niet naar hun vader te willen. Na overleg met de hulpofficier van justitie is vervolgens bepaald dat de kinderen gelet op artikel 2 van de Politiewet niet met eiser meegegeven mochten worden. Ondanks dat de politie eiser beval om te blijven staan en niet naar zijn kinderen te gaan, stapte hij vervolgens naar voren, waarna hij is aangehouden in verband met het niet voldoen aan een bevel of vordering. Eiser verzette zich tegen zijn aanhouding.

5.2. Voornoemde incidenten waren voor LJ&R aanleiding om een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling in te dienen bij de kinderrechter te Assen. De kinderrechter heeft bij uitspraak van 13 april 2010 bepaald dat tot 1 juli 2010 geen uitvoering zal worden gegeven aan de omgangsregeling zoals in de beschikking van de rechtbank [woonplaats] van 23 oktober 2009 is bepaald. Voorts heeft de kinderrechter bepaald dat in de maand juli 2010 tweemaal twee uren contact zal plaatsvinden tussen de minderjarigen en de vader onder begeleiding van LJ&R, waarna na 1 augustus 2010 de omgangsregeling zoals vastgesteld in de beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2009 zal gelden. Van de inhoud van de beschikking van de kinderrechter te Assen wordt in het bestreden besluit melding gemaakt.

5.3 Bij brief van 1 juli 2010 hebben LJ&R Groningen en Rotterdam aan eiser bericht dat de door eiser gewenste contacten op dat moment niet in het belang van de kinderen zijn, daar zij teveel spanningen oproepen. Ook de inhoud van deze brief wordt genoemd in het bestreden besluit.

5.4. Bij brief van 6 juli 2010 heeft LJ&R de kinderrechter opnieuw verzocht de omgangsregeling te wijzigen. In de brief staat vermeld dat tijdens de huisbezoeken van de gezinsvoogd in de periode van april 2010 tot heden aan moeder en kinderen is gebleken dat het niet goed gaat met hen. De kinderen zeggen bang te zijn voor vader en geen contact met hem te willen, ook niet onder begeleiding van de gezinsvoogd. De afgelopen periode kenmerkte zich door nachtelijke onrust en angsten van de kinderen, aldus de brief van 6 juli 2010. Behalve dat het niet goed gaat met de kinderen van eiser vermeldt de brief van 6 juli 2010 ook dat eiser geen constructieve opstelling heeft inzake de omgangsregeling met zijn kinderen. De inhoud van de brief wordt beschreven in het bestreden besluit.

5.5. Bij brief van 23 augustus 2010 heeft LJ&R, nadat was vernomen dat eiser van plan was om op 27 augustus 2010 zijn kinderen te Emmen van school te halen, eiser dat verboden. Ook deze brief wordt genoemd in het bestreden besluit.

5.6. Uit in het dossier gevoegde e-mailberichten blijkt dat eiser inderdaad van plan was op 27 augustus 2010 naar de school van zijn kinderen te komen om ze op te halen en mee te nemen naar Den Haag.

5.7. Gelet op het vorenstaande slaagt de beroepsgrond niet. De rechtbank hecht hierbij doorslaggevende waarde aan het feit dat eiser een politiebevel heeft genegeerd.

6. Eiser voert voorts aan dat het bezwaarschrift ten onrechte niet gegrond is verklaard en dat hem in bezwaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding is toegekend.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het primaire besluit heeft herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De beroepsgrond slaagt daarom. De rechtbank zal het beroep op dit punt gegrond verklaren en op de voet van artikel 8:72, vierde lid, Awb alsnog bepalen dat verweerder de proceskosten van eiser in bezwaar dient te vergoeden.

8. Nu het beroep gegrond verklaard wordt, ziet de rechtbank voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep.

De rechtbank stelt de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 874,- in verband met kosten voor rechtsbijstand en € 57,- in verband met reiskosten van eiser.

Met betrekking tot het beroep met nummer 11/224

1. Artikel 2:2, eerst lid, van de APV gemeente Emmen bepaalt dat de burgemeester in het belang van de openbare orde aan de persoon die individueel of groepsgewijs een ordeverstorende gedraging begaat of bij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde een bevel kan geven (verblijfsontzegging) zich gedurende een bepaald tijdvak niet op een aangegeven openbare plaats te bevinden.

2. Eiser voert aan dat de verblijfsontzegging niet had mogen worden opgelegd, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat [eiser] ooit de openbare orde heeft verstoord of dat anderen naar aanleiding van zijn aanwezigheid de openbare orde hebben verstoord.

3. Het bestreden besluit van 11 maart 2011 is als volgt gemotiveerd:

“Ik heb recentelijk aan de hand van informatie van de politie en de directeur van de basisschool geconstateerd dat u zich, tegen het uitdrukkelijke verbod van de gezinsvoogd van LJ&R en dus in strijd met de voorwaarden uit de bestaande omgangsregeling, toch weer naar de school [de school] hebt begeven om te trachten uw kinderen voor weekendbezoek naar [woonplaats] mee te nemen. De eerste keer was op vrijdag 21 januari jongstleden. U bent daar toen door de politie weggestuurd. Op vrijdag 18 februari jongstleden hebt u zich wederom bij de school geposteerd om uw kinderen mee te nemen. Ook hier heeft de politie weer moeten optreden. Beide keren bevond u zich binnen de grenzen van het gebied dat hoorde bij mijn besluit van 26 augustus 2010, respectievelijk 15 december 2010. Mijn informatie van LJ&R is dat het absoluut niet in het belang van de kinderen is dat u ze meeneemt voor weekendbezoek. Uw (aankondiging om te) verschijnen bij de school is enorm belastend voor hen. Uw vier kinderen zijn bang voor u en willen niet met u mee. Omdat de kinderen niet vrijwillig met u mee zullen gaan, heb ik de ernstige vrees dat het op het schoolplein opnieuw tot een confrontatie komt indien u daar uw kinderen komt weghalen. Ik constateer nu al weer twee confrontaties tussen u en de politie nabij de school. De directeur van [de school] maakt zich ernstig zorgen over deze omstandigheden omdat zij in strijd komen met zijn opdracht voor de schoolkinderen, de (op het schoolplein wachtende) ouders en het schoolpersoneel een goede sfeer en een veilige schoolomgeving te borgen. Hij heeft mij derhalve opnieuw ondersteuning verzocht. Ik acht de kans groot dat door hernieuwde ophaalpogingen ter plaatse opnieuw grote onrust bij de leerlingen, personeel en ouders van [de school] zal ontstaan. Daarmee wordt de openbare orde en veiligheid geweld aangedaan.”

4. De rechtbank dient vervolgens weer de vraag te beantwoorden of verweerder gezien de informatie die op dat moment beschikbaar was in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat er sprake was van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat die vraag hier ontkennend moet worden beantwoord. Hoewel er sprake was van een onwenselijke situatie, acht de rechtbank hetgeen verweerder daaromtrent in het bestreden besluit heeft aangegeven onvoldoende. De beroepsgrond slaagt daarom. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser.

De rechtbank stelt de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 437,- in verband met kosten voor rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep met nummer 10/861 gegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in bezwaar ten bedrage van € 655,50;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep ten bedrage van

€ 931,-;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 150,- aan eiser vergoedt;

- verklaart het beroep met nummer 11/224 gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 437,-;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 152,- aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzitter, K. Wentholt, rechter, en H.J. ter Schegget, rechter-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. C.T. Hofman, griffier.

mr. C.T. Hofman mr. L. Mulder

In het openbaar uitgesproken op 31 juli 2012

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Afschrift verzonden op: