Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BX3007

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
328748 - CV EXPL 11-7091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter houdt de stellingen van eiser voor ongeloofwaardig, zodat eiser meer concrete gegevens in het geding had moeten brengen om zijn vordering te onderbouwen. Aan de ongeloofwaardigheid van de stellingen van eiser verbindt de kantonrechter bovendien het gevolg dat voor bewijslevering geen plaats is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/280

Uitspraak

RECHTBANK Assen

Sector kanton

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 328748 \ CV EXPL 11-7091

vonnis van de kantonrechter van 24 april 2012

in de zaak van

[Eiser],

die woonplaats kiest in Zwolle,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde: christennetwerk /gmv,

tegen

De besloten vennootschap Kadem BV,

die gevestigd is in Tynaarlo,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigde: LAVG B.V.

Partijen worden hierna [eiser] en Kadem genoemd.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 oktober 2011;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 29 november 2011;

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van 31 januari 2012;

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van 28 februari 2012;

- de conclusie van dupliek in reconventie van 27 maart 2012.

Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag het vonnis wordt uitgesproken.

De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

Op 9 juni 2008 is [eiser], op grond van een arbeidsovereenkomst, als uitvoerder in dienst getreden bij Kadem.

Het dienstverband is aangegaan voor onbepaalde tijd, voor 36 uur per week.

De arbeidsovereenkomst is beëindigd in maart 2011.

Het geschil in conventie en reconventie

[eiser] vordert, verkort weergegeven, veroordeling van Kadem tot betaling van € 6.024,23 ten dele vermeerderd met een wettelijke verhoging en het geheel vermeerderd met rente en kosten. Daartoe stelt [eiser], samengevat weergegeven, dat Kadem hem in de periode die aanvangt in juni 2010 en die eindigt in maart 2011 (i) niet het overeengekomen salaris volledig heeft betaald, (ii) een hem toekomende vergoeding wegens overwerk niet heeft betaald en (iii) niet-opgenomen vakantiedagen niet heeft vergoed.

Het verweer strekt tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], althans afwijzing van zijn vordering en veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure in conventie. Daartoe voert Kadem aan, samengevat weergegeven, dat partijen niet de loonsverhoging zijn overeengekomen waar [eiser] in deze procedure zijn vordering op grondt en dat het overwerk is verrekend door toekenning van vakantiedagen en dat uit de salarisspecificaties blijkt welke vakantiedagen zijn opgebouwd. Volgens Kadem blijkt uit die specificaties ook hoeveel vakantiedagen zijn opgenomen en dat er geen vordering resteert tot vergoeding van niet opgenomen vakantiedagen.

Kadem vordert in reconventie, verkort weergegeven, veroordeling van [eiser] tot betaling van € 1.025,69 vermeerderd met rente en kosten. Daartoe stelt Kadem dat zij de kosten van de genoten opleiding op 25 maart 2011 aan [eiser] heeft gefactureerd en dat ondanks toezeggingen van [eiser] die factuur te betalen en herhaalde verzoeken en sommaties tot betaling, de factuur niet wordt betaald.

[eiser] voert in reconventie tot zijn verweer aan dat hij per abuis de vordering van Kadem tot vergoeding van studiekosten niet heeft meegenomen en heeft verrekend met de vordering in conventie, hoewel hij de vordering in hoofdsom wel erkent. [eiser] bestrijdt niettemin de gehoudenheid tot vergoeding van incassokosten. Daartoe voert [eiser] aan dat het Kadem is geweest die traag heeft gereageerd op correspondentie en dat hij zelf heeft ervaren dat de betalingsmoraal van Kadem zo is dat hij er niet op kon vertrouwen dat, na betaling van de factuur van Kadem, hij later ook het achterstallig loon nog zonder procedure zou ontvangen.

De beoordeling in conventie en reconventie

Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven, om het volgende. [eiser], een oud-werknemer van Kadem, vordert betaling van achterstallig loon en een vergoeding voor overwerk en niet-opgenomen vakantiedagen. Kadem betwist de vordering en vordert op haar beurt betaling van een door [eiser] onbetaald gelaten factuur. [eiser] erkent die vordering, maar vindt dat hij niet gehouden is incassokosten aan Kadem te vergoeden. De kantonrechter zal de vorderingen in conventie en reconventie gelijktijdig behandelen. Ten aanzien van de tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt hij als volgt.

De kantonrechter stelt voorop dat uit de door partijen over en weer betrokken stellingen volgt dat het salaris zoals dat feitelijk is betaald, overeenkomt met de aanspraak tot betaling van het loon zoals [eiser] die kan ontlenen aan de arbeidsovereenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten. [eiser] grondt zijn vordering ook niet op die arbeidsovereenkomst, maar op een volgens hem overeengekomen wijziging van zijn arbeidsvoorwaarden. Die wijziging wordt door Kadem gemotiveerd betwist. Partijen hebben ter onderbouwing van hun stellingen in hun ogen stavende bewijsstukken in het geding gebracht. Uit de door partijen over en weer betrokken stellingen en die bewijsstukken leidt de kantonrechter het volgende af.

Het dienstverband kende bij de aanvang een omvang van 36 uur per week. In 2009 hebben partijen met elkaar gesproken over een wijziging van de omvang van het dienstverband en zijn in een niet gedateerde akte afspraken neergelegd. Die afspraken luiden:

1. Werknemer heeft verzoek neergelegd om met ingang van 01 juni 2009 in plaats van parttime fulltime te gaan werken. Werkgever heeft hierop bevestigend beantwoord:

2. Werkgever zal hierop na ratio het salaris aanpassen;

3. Werknemer zal uiterlijk 15 mei 2009 aangeven of hij hier gebruik van zal gaan maken:

4. Werknemer vraagt om een separaat schrijven waarin wordt aangegeven dat salarisaanpassing zal plaatsvinden. Deze zal worden gebruikt voor verruiming van financiële privé middelen.

5. Werkgever geeft met nadruk aan dat bij misbruik van de bijlage de verantwoording en gevolgen hiervoor volledig bij werknemer liggen.

Op 20 mei 2009 hebben partijen een akte opgemaakt, waarin zij hebben neergelegd:

Beste [eiser],

Je hebt ons aangegeven voorlopig geen mogelijkheden te hebben om fulltime te gaan

werken. Op jouw verzoek zullen we aan het einde van het jaar dit onderwerp opnieuw

bespreken.

Als verklaring voor datgene wat partijen in de hiervoor weergegeven akten hebben opgenomen, stelt Kadem dat met de in de eerste akte bedoelde afzonderlijke brief waarin een salarisaanpassing wordt aangekondigd, [eiser] een lening bij de bank kon krijgen waarmee hij een eerdere lening verstrekt door Kadem heeft terugbetaald. Volgens Kadem is van een reële wijziging van de arbeidsvoorwaarden nimmer sprake geweest.

Dit verweer geeft [eiser] reden om bij repliek een nieuw feitencomplex ter onderbouwing van zijn vordering aan te voeren ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen gewijzigde arbeidsvoorwaarden zijn overeengekomen. Hij voert dan aan dat duidelijk is dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] voor 100 % zou worden beloond omdat hij feitelijk al meer dan 40 uur per week werkte en dat hij hier bij herhaling op zou hebben gewezen. Volgens [eiser] kregen partijen een zakelijk conflict omdat [eiser] naast zijn werk ook een kraanverhuurbedrijf had. Het geschil daarover heeft er volgens [eiser] toe geleid dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt en hij op zoek is gegaan naar ander werk. [eiser] betwist dat partijen een overeenkomst louter hebben opgesteld om het voor hem mogelijk te maken een lening af te sluiten. Hij stelt dat de urenuitbreiding voor hem van belang was voor het afsluiten van een lening, maar volgens [eiser] werkte hij wekelijks wel meer dan veertig uur zodat een aanpassing niet meer was dan een formalisering van een feitelijke situatie.

[eiser] stelt bij repliek bovendien dat de hiervoor weergegeven akte niet door hem is ondertekend en dat hij de akte voor het eerst ziet op het moment dat Kadem de akte bij conclusie van antwoord in het geding brengt. [eiser] stelt dat hij de tweede akte ook niet kent en dat deze nooit aan hem is verzonden of is overhandigd. [eiser] stelt in dat verband:

Eiser kan niet anders dan concluderen dat gedaagde creatief bezig is geweest met knippen en plakken.

De kantonrechter ziet in de opstelling en datgene wat [eiser] bij repliek aanvoert aanleiding om het volgende te overwegen.

De kantonrechter acht wat [eiser] aanvoert ongeloofwaardig. Daarvoor is redengevend dat [eiser] de akte(n) - waarvan hij zonder enig voorbehoud en voor waar stelt dat hij daarvan pas kennis heeft genomen op het moment dat Kadem haar conclusie van antwoord neemt - zelf heeft gehecht aan zijn inleidende dagvaarding.

De kantonrechter neemt in dit verband verder in overweging dat een partij in het algemeen aan één en hetzelfde feitencomplex wellicht meerdere grondslagen kan ontlenen om een vordering kans van slagen te geven maar niet, zoals [eiser] wel doet, om een vordering kans van slagen te geven meerdere, en uiteenlopende feitencomplexen aan te voeren.

Het voorgaande brengt met zich dat het op de weg van [eiser] lag om meer concrete gegevens in het geding te brengen ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen daadwerkelijk een wijziging van de arbeidsvoorwaarden zijn overeengekomen dan hij heeft gedaan. Aan de ongeloofwaardigheid van zijn stellingen verbindt de kantonrechter bovendien het gevolg dat voor bewijslevering geen plaats is (vergelijk HR 8 juli 1992, NJ 1992, 713, rov. 3.4.).

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet kan blijken dat de partijen de aanvankelijk overeengekomen arbeidsvoorwaarden hebben gewijzigd. De daarop gestoelde vordering zal worden afgewezen.

Voor zover [eiser] stelt dat verricht overwerk niet is vergoed, kan dat niet blijken. Kadem heeft een toelichting gegeven op de ter staving van haar stellingen in het geding gebrachte loonstroken. Uit een en ander volgt dat [eiser] iedere maand twee vakantiedagen opbouwt en dat opgenomen dagen daarop in mindering worden gebracht. Uit de door Kadem gegeven en door [eiser] niet weersproken berekening, volgt dat het door [eiser] bedoelde overwerk is verdisconteerd in het uit de salarisspecificatie te kennen saldo van opgebouwde en opgenomen vakantiedagen.

Gegeven die berekening kan evenmin blijken dat overigens geen deugdelijke administratie van opgebouwde en opgenomen vakantiedagen is bijgehouden en evenmin dat [eiser] bij het einde van zijn dienstverband bij Kadem geen vergoeding heeft gekregen van opgebouwde maar niet opgenomen vakantiedagen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [eiser] in alle onderdelen zal worden afgewezen.

De vordering in reconventie wordt - in hoofdsom - erkend en zal worden toegewezen.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt door [eiser] bestreden. Wat [eiser] in dat verband aanvoert geeft echter geen zicht op feiten of omstandigheden die aan toewijzing in de weg kunnen staan.

De gevorderde vergoeding van rente is niet bestreden en zal eveneens worden toegewezen.

De kantonrechter zal [eiser] als de in conventie en reconventie in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de op de gebruikelijke wijze te begroten kosten van deze procedure.

De beslissing in conventie en reconventie

De kantonrechter

veroordeelt [eiser] om aan Kadem betalen € 1.025,69 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 856,27 vanaf 29 november 2011 tot aan de dag van volledige betaling,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van Kadem op € 700,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af wat meer of anders is gevorderd,

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2012.

typ/conc: 216/BRT

coll: