Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BX2999

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
337492
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst. Arbeidsongeschiktheid waarop de opzegging is gegrond, komt mogelijk voort uit een beroepsziekte. Stelplicht en bewijslast werknemer bij een beroep op een kennelijk onredelijke opzegging. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0708
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Assen

Sector kanton

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 337492 \ CV EXPL 12-695

vonnis van de kantonrechter van 10 juli 2012

in de zaak van

[Eiser],

die kantoor kiest in Deventer,

eiser,

gemachtigde: mr. D. Djulbic,

tegen

De besloten vennootschap Grontmij Nederland B.V.,

die gevestigd is in De Bilt,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.M.J. Schoenaker.

Partijen worden hierna [eiser] en Grontmij genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het comparitievonnis van 17 april 2012;

- het proces-verbaal van comparitie van 28 juni 2012.

Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag het vonnis wordt uitgesproken.

De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

[eiser] is op grond van een daartoe tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst sinds 1 maart 1978 bij Grontmij in dienst als landmeetkundige.

Op 2 maart 2009 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Zijn ziekte heeft geleid tot een arbeidsongeschiktheid die aan re-integratie van [eiser] in de weg staat.

Op 23 februari 2011 heeft Grontmij op grond van daartoe verkregen toestemming van het UWV Werkbedrijf de arbeidsovereenkomst aan [eiser] opgezegd tegen 1 juni 2011.

De vordering en het verweer

[eiser] vordert, verkort weergegeven, veroordeling van Grontmij tot betaling van

€ 50.000,-- vermeerderd met rente en kosten. Daartoe stelt [eiser], samengevat weergegeven, dat het kennelijk onredelijk is dat zijn arbeidsovereenkomst is opgezegd, omdat hij geen ontslagvergoeding heeft gekregen. [eiser] ervaart op grond van uiteenlopende omstandigheden dat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Grontmij bij de opzegging. [eiser] voert aan dat hij op 2 maart 2009 is uitgevallen met klachten en dat uiteindelijk is gebleken dat hij de ziekte van Lyme heeft. [eiser] acht het zeer waarschijnlijk dat hij die ziekte tijdens zijn werk als landmeetkundige heeft gekregen, omdat hij de hele dag buiten werkte onder meer in de natuur. Volgens [eiser] werd hij niet tegen de risico's van een tekenbeet beschermd en heeft Grontmij onvoldoende aandacht besteed aan het voorkomen van de tekenbeten waarmee de ziekte van Lyme wordt veroorzaakt. Volgens [eiser] heeft Grontmij om die reden de Arbeidsomstandighedenwet 1998 niet nageleefd en haar zorgplicht geschonden. Volgens [eiser] valt zijn ziekte aan Grontmij te verwijten. Volgens [eiser] moet op grond van rechtspraak van de Hoge Raad bovendien een causaal verband worden aangenomen tussen zijn werk en zijn arbeidsongeschiktheid. [eiser] voert verder aan dat Grontmij tekort is geschoten in haar verplichting [eiser] te laten re-integreren, doordat hij te lang aan het werk werd gehouden in functies zonder toekomstperspectief en ook niet is onderzocht of binnen één van de vestigingen van Grontmij voor hem een passende functie kon worden gecreëerd. [eiser] voert aan dat gelet op zijn leeftijd, eenzijdige arbeidsverleden, matige opleidingsniveau en zijn arbeidsongeschiktheid hij geen vooruitzicht heeft op ander passend werk en hij acht het redelijk dat het door hem geschatte bedrag aan schade door Grontmij aan hem wordt vergoed.

Het verweer van Grontmij strekt tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] althans afwijzing van zijn vordering en veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Daartoe voert Grontmij aan, samengevat weergegeven, dat zij op het moment dat [eiser] duurzaam ongeschikt werd beoordeeld heeft onderzocht op welke manier [eiser] zou kunnen re-integreren en dat zij daarbij op grond van een daartoe door de betrokken arbeidsdeskundige gegeven advies een tweesporenbeleid heeft ingezet. Er is gekeken of [eiser] in uiteenlopende functies binnen het bedrijf van Grontmij zou kunnen re-integreren en ook is een extern re-integratiebureau ingeschakeld om de re-integratie elders mogelijk te maken. Volgens Grontmij is uiteindelijk vastgesteld dat de intern gevonden functies niet passend waren, wegens gebrek aan kennis, onvoldoende denkniveau of de fysieke belastbaarheid die gelet op de beperkingen van [eiser] bij die functies te groot zou zijn. Daarna werd [eiser] begeleid door het externe re-integratiebureau. Toen bleek dat er geen mogelijkheden meer waren om te re-integreren en [eiser] definitief arbeidsongeschikt werd verklaard, heeft Grontmij een ontslagvergunning verzocht in verband met de langdurige arbeidsongeschiktheid en heeft zij op grond van de verkregen vergunning de arbeidsovereenkomst opgezegd. Volgens Grontmij is het niet kennelijk onredelijk dat in de gegeven omstandigheden de arbeidsovereenkomst is opgezegd. Grontmij voert in dat verband aan dat niet blijkt dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] het gevolg is van de ziekte van Lyme is en dat daarvoor ook geen enkel bewijs is bijgebracht. Als dat al anders zou zijn, blijkt volgens Grontmij bovendien niet van een causaal verband tussen de langdurig verrichte werkzaamheden en de arbeidsongeschiktheid. Ook blijkt volgens Grontmij dat zij zich toereikend heeft ingespannen om re-integratie mogelijk te maken. Grontmij wijst in dit verband op een rapportage van de arbeidsdeskundige van 9 november 2010 waaruit dit blijkt.

De beoordeling

Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven met het oog op een doelmatige bespreking, om het volgende. [eiser], die thans tweeënvijftig jaar oud is, wordt na drieëndertig jaar als landmeetkundige voor de Grontmij te hebben gewerkt, ziek. Zijn ziekte leidt uiteindelijk tot een arbeidsongeschiktheid die aan een re-integratie in de weg staat. Grontmij verzoekt het UWV Werkbedrijf om op die grond een ontslagvergunning te verlenen. Die vergunning wordt verleend en Grontmij zegt aan [eiser] de arbeidsovereenkomst op. Dit heeft voor [eiser] verstrekkende gevolgen. [eiser] ervaart dat hij, gelet op zijn leeftijd, eenzijdige arbeidsverleden, matige opleidingsniveau en arbeidsongeschiktheid, geen ander hem passend werk zal kunnen vinden. [eiser] ervaart ook dat de gevolgen van de opzegging hem onredelijk hard treffen, omdat hij zijn arbeidsongeschiktheid ziet als een gevolg van de ziekte van Lyme. [eiser] acht het zeer waarschijnlijk dat de tekenbeet die die ziekte bij hem heeft veroorzaakt, is opgelopen tijdens het werk. [eiser] ervaart verder dat Grontmij zich onvoldoende heeft ingespannen om zijn re-integratie mogelijk te maken. Beide omstandigheden maken volgens [eiser] dat Grontmij hem een ontslagvergoeding had moeten aanbieden. Dat heeft Grontmij niet gedaan en daarom acht [eiser] de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk en maakt hij op die grond aanspraak op een door de kantonrechter toe te kennen schadevergoeding. Ten aanzien van de tegen deze achtergrond tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de kantonrechter als volgt.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de enkele omstandigheid dat aan [eiser] geen ontslagvergoeding is aangeboden de opzegging van die arbeidsovereenkomst niet kennelijk onredelijk maakt. Op het moment dat de arbeidsovereenkomst werd opgezegd was sprake van langdurige arbeidsongeschiktheid en ontbrak het ondanks uiteenlopende re-integratiepogingen aan ieder concreet vooruitzicht dat [eiser] binnen een redelijke termijn zijn eigen dan wel ander werk binnen de onderneming van Grontmij zou kunnen verrichten. Het komt er daarom op aan of er bijkomende feiten en/of omstandigheden zijn die met zich brengen dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst in de gegeven omstandigheden kennelijk onredelijk is.

Eén van die bijkomende omstandigheden zou kunnen zijn dat er een directe relatie bestaat tussen het werk dat [eiser] tijdens zijn dienstverband verrichte en zijn arbeidsongeschiktheid. Als die directe relatie bestaat, kan het kennelijk onredelijk zijn dat de gevolgen van het ontslag geheel voor rekening en risico van [eiser] komen.

Gelet op de in dit verband door [eiser] betrokken stellingen en het daarop gerichte verweer van Grontmij, komt het er op aan of de beperkingen die [eiser] ondervindt en die hebben geleid tot zijn arbeidsongeschiktheid zijn veroorzaakt door de ziekte van Lyme, opgelopen tijdens het werk als gevolg van een tekenbeet.

Desgevraagd heeft [eiser] ter zitting verklaard dat hij ten tijde van de opzegging niet zeker wist of hij de ziekte van Lyme had en dat dit ook niet bij Grontmij bekend is geweest, hoewel hij aan een teamleider wel heeft verteld dat hij mogelijk de ziekte van Lyme had.

De kantonrechter heeft in dit verband [eiser] voorgehouden dat in de brief van het UWV werkbedrijf van 23 februari 2011, dit betreft de brief waarin de ontslagvergunning aan Grontmij werd verleend, is opgenomen:

Verweer werknemer

Werknemer maakt bezwaar en voert, kort samengevat, het volgende aan. Werknemer geeft aan dat er nog geen duidelijkheid is over zijn ziekte. Werknemer is van mening dat eerst het oordeel van de heer [X] van het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen afgewacht moet worden, voordat er op de ontslagaanvraag wordt beslist (…).

[eiser] heeft ter zitting bevestigd dat dit een correcte weergave betreft van zijn toentertijd ingenomen standpunt.

De gemachtigde van [eiser] heeft vervolgens aangevoerd dat er wel bewijs voor handen is waaruit blijkt dat [eiser] de ziekte van Lyme heeft. Dat bewijs zou bestaan uit een brief van een internist van het Radboud Ziekenhuis. De brief is op verzoek van de kantonrechter en ondanks daartegen gemaakt bezwaar van de zijde van Grontmij ter zitting overgelegd en de kantonrechter heeft de inhoud van de brief met beide partijen besproken.

Het gaat om een brief van 21 februari 2011 opgesteld door mw. dr. [X] die als internist-infectioloog is verbonden aan het Radbouw Ziekenhuis in Nijmegen. Uit de brief blijkt dat [eiser] is onderzocht door deze arts en dat deze arts oordeelt dat de in de brief genoemde klachten van [eiser] gezien kunnen worden bij persisterende ziekte van Lyme.

De kantonrechter kent aan de brief geen betekenis toe. Daarvoor is redengevend dat de inhoud van de brief ten tijde van het ontslag niet bekend was (bij de Grontmij en het UWV Werkbedrijf) en de brief op zichzelf genomen ook onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat de klachten van [eiser] die tot de arbeidsongeschiktheid hebben geleid het gevolg zijn van de ziekte van Lyme. Om dat aan te kunnen nemen zijn bijkomende feiten vereist, die door [eiser] niet zijn gesteld.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat voor zover [eiser] de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk acht omdat hij zijn arbeidsongeschiktheid, kort gezegd, ziet als een gevolg van een ziekte die hij tijdens zijn dienstverband heeft opgelopen, dit niet kan blijken.

[eiser] heeft onder randnummer 28 van de dagvaarding opgenomen:

Eiser is van mening dat op hem geen bewijslast rust. Voor zover toch enige bewijslast op hem rust, dan beroept eiser zich op de door hem overgelegde producties.

De kantonrechter oordeelt dat [eiser] daarmee geen bewijsaanbod doet dat er toe noopt hem bewijs op te dragen of hem tot levering van bewijs toe te laten. Dit brengt met zich dat het gestelde verband tussen de arbeidsongeschiktheid en het werk van [eiser] in deze procedure ook niet alsnog door het leveren van bewijs in deze procedure.

Het komt er in deze procedure vervolgens op aan of Grontmij tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen.

Uit de beoordeling door het UWV werkbedrijf van de ontslagaanvraag blijkt dat acht is geslagen op de deskundigenrapporten van arbeidsdeskundigen die in verband met (het verloop van) de arbeidsongeschiktheid van [eiser] zijn opgesteld. Uit die rapporten, voor zover in het geding gebracht, blijkt dat de deskundigen oordelen dat de door de Grontmij uitgevoerde re-integratie-inspanningen voldoende zijn geweest.

Het is de vraag of de kantonrechter die geen arbeidsdeskundige is, aan de bevindingen van een arbeidsdeskundige hierover zo maar voorbij kan gaan. Naar de kantonrechter oordeelt zou daarvoor alleen ruimte kunnen ontstaan als [eiser] feiten en/of omstandigheden stelt waaruit blijkt dat een rapport dat door een deskundige is opgesteld voor wat betreft de wijze waarop dat rapport tot stand is gekomen dan wel voor wat betreft de inhoud daarvan zodanig ondeugdelijk is dat daaraan in redelijkheid voorbij moet worden gegaan.

[eiser] stelt in dit verband geen feiten en/of omstandigheden. De kantonrechter zal daarom niet treden in de bevindingen van de deskundigen. Hij gaat er daarom vanuit dat de re-integratie-inspanningen van Grontmij voldoende zijn geweest.

Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat op de daartoe door [eiser] aangevoerde gronden de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet kennelijk onredelijk is. De vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen.

De kantonrechter zal [eiser] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van deze procedure. De kantonrechter zal zoals verzocht en niet is weersproken bovendien bepalen dat [eiser] over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de veertiende dag na heden.

De beslissing

De kantonrechter

wijst de vordering van [eiser] af,

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van Grontmij begroot op € 1.200,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertien dagen na heden,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2012.

typ/conc: 216/BRT

coll: