Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BX2051

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
92797 - KG ZA 12-84
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van vakbond in kort geding tot buitengebruikstelling van voor openbaar vervoer gebruikte bussen wegens tekortschieten in de zorgverplichting (art 7:658 BW) van werkgever afgewezen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat buitengebruikstelling een te verstrekkende maatregel is, nu het beleid en de inspanningen van de werkgever er thans in voldoende mate op zijn gericht om ziekte van werknemers te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0670
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 92797 / KG ZA 12-84

Vonnis in kort geding van 19 juli 2012

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING BUREAU BEROEPSZIEKTEN FNV,

gevestigd te Amsterdam,

2. de vakbond

FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Groningen,

eiseressen,

advocaat mr. W.A. van Veen te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CONNEXXION TAXI SERVICES B.V.,

gevestigd te IJsselmuiden,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Molemans te Amsterdam.

Partijen zullen hierna BBZ en FNV en CTS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties van 30 mei 2012;

- de mondelinge behandeling van 14 juni 2012;

- de pleitnota van BBZ en FNV;

- de pleitnota van CTS;

- de aanhouding van de behandeling tot 6 juli 2012;

- het faxbericht van 4 juli 2012 van BBZ en FNV;

- het schrijven van 5 juli 2012 van de griffier van deze rechtbank;

- het faxbericht van 6 juli 2012 van CTS;

- het schrijven van 9 juli 2012 van de griffier van deze rechtbank;

- het faxbericht van 10 juli 2012 van BBZ en FNV;

- het faxbericht van 11 juli 2012 van CTS;

- het faxbericht van 12 juli 2012 van BBZ en FNV;

- het faxbericht van 12 juli 2012 van CTS.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. BBZ is een stichting die ten doel heeft de behartiging van de belangen van (ex-) werknemers met een beroepsziekte. BBZ is een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305a BW.

2.2. FNV is een vereniging van werknemers (vakbond) die als doel heeft de belangen te behartigen van werknemers in onder meer de sector openbaar vervoer. FNV is een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305a BW.

2.3. CTS is een dochteronderneming van Connexxion Nederland B.V. (hierna te noemen: Connexxion). Beide ondernemingen houden zich bezig met het verzorgen van openbaar busvervoer in (delen van) Nederland.

2.4. Het openbaar busvervoer wordt in Nederland aanbesteed middels het verlenen van concessies voor bepaalde gebieden. De concessie Zuidwest Drenthe, waaronder onder meer het stadsvervoer in de gemeenten Hoogeveen en Meppel, is per 13 december 2009 verleend aan onder meer CTS. Het openbaar busvervoer in de gemeente Hoogeveen bestaat uit twee lijnen en wordt uitgevoerd met drie bussen, terwijl het in de gemeente Meppel gaat om één buslijn, die door twee bussen worden gereden met één bus op reserve. De dienstregeling wordt uitgevoerd door ongeveer 25 chauffeurs. Sinds juli 2011 wordt daarbij gebruik gemaakt van een 14 persoonsbus van het merk Mercedes, Sprinter City C35 (hierna te noemen: Mercedes Sprinter). Connexxion maakt voor het openbaar vervoer in alle concessies gebruik van bussen van dit type.

2.5. Medio september 2011 heeft een aantal chauffeurs van CTS zich tot BBZ en FNV gewend in verband met lichamelijke klachten die zich ontwikkelden ten gevolge van hun werkzaamheden. In verband hiermee heeft drs. M. Schooneveldt in opdracht van BBZ onderzoek gedaan naar deze omstandigheden.

2.6. Op 12 oktober 2011 is op verzoek van een aantal werknemers een werkplekonderzoek met betrekking tot de Mercedes Sprinter uitgevoerd door de arbodienst Dit onderzoek heeft geleid tot een aantal maatregelen, waaronder de aanpassing van de spiegel, verplaatsing noodknop en de bediening lijnfilm en “Tim” werden omgezet.

2.7. BBZ heeft CTS ter attentie van de regiomanager Hoogeveen, [regiomanager], namens chauffeurs aangeschreven bij brief van 7 december 2011 betreffende een preventieve collectieve aansprakelijkstelling voor de door deze chauffeurs geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade die het gevolg is van de reeds ontwikkelde en nog te ontwikkelen beroepsziekte ten gevolge van gebrekkige arbeidsomstandigheden. Deze aansprakelijkstelling is gebaseerd op de artikelen 7:658 en 7:611 BW.

2.8. Drs. M. Schooneveldt komt in haar rapport tot de volgende conclusies:

"CTS voert geen adequaat arbeidsomstandighedenbeleid, zoals bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet.

Het beleid schoot tekort op de volgende punten:

[] Organisatie van de werkzaamheden

De werkzaamheden van de chauffeurs zijn vanwege de lange tijd dat achtereen in de Mercedes Sprinter gereden wordt, waarbij de cabine te krap is en de stoel onvoldoende in te stellen is en de chauffeurs blootgesteld worden aan lichaamstrillingen in een bus die alleen is voorzien van bladvering gevaarzettend voor de gezondheid.

Deze gevaren werden door de werkgever onvoldoende beperkt, bijvoorbeeld door afwisseling met andersoortige arbeid of aanpassing van arbeidstijden en pauzeregeling. Deze gang van zaken is in strijd met Artikel 5.2 en 5.3 van het Arbobesluit.

[] Werkplek/werkomgeving/hulpmiddelen

De werkplek van de chauffeurs, de Mercedes Sprinter met de cabine en de stoel die niet voldoen aan de NEN 5526 is in strijd met Artikel 5.2 en 5.3 van het Arbobesluit. De stoel is onvoldoende in te stellen en de cabine is zo krap dat er geen ruimte is om de benen op een ontspannen wijze neer te kunnen zetten zonder dat ze ergens tegen stoten. Daarbij is ook de veiligheid in het geding. Wanneer er een noodsituatie is, kunnen de chauffeurs mogelijk niet op tijd wegkomen en aangezien ze geregeld onbedoeld tegen de noodknop drukken met de voet, bestaat het gevaar dat een werkelijk alarm niet meer serieus genomen wordt.

[] Wettelijke/gezondheidskundige normen

In artikel 89 A van de CAO Openbaar Vervoer 2009-2010 is opgenomen dat buscabines van nieuw materieel minimaal aantoonbaar horen te voldoen aan de bestaande normen, zijnde NEN 5526, NEN ISO 16121 of VDV 234. De Mercedes Sprinter waar de chauffeurs nu mee rijden is nieuw aangeschaft tijdens de looptijd van deze CAO en voldoet niet aan de NEN 5526. CTS heeft zich dus niet aan de CAO Openbaar Vervoer gehouden.

[] Risico Inventarisatie en Evaluatie

De werkgever heeft er niet voor gezorgd dat de chauffeurs kennis kunnen nemen van de Risico Inventarisatie en Evaluatie en het daarbij behorende Plan van Aanpak, zoals bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet, Artikel 5.5.

[] Voorlichting en Onderricht

De chauffeurs hebben van de werkgever nooit doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht ontvangen over de aan de aan de te verrichten werkzaamheden verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken, zoals bedoeld in Artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet. Op 27-06-2011 is er weliswaar een instructiedag geweest over de nieuwe Mercedes, maar dit ging over waar de verschillende knoppen zitten en hoe deze te bedienen en niet zozeer over het gevaar van bijvoorbeeld lichaamstrillingen. Bovendien kunnen de chauffeurs wel voorlichting hebben gekregen over hoe zij hun stoel op de juiste wijze moeten instellen, wanneer dit in de praktijk niet mogelijk blijkt te zijn, hebben de chauffeurs niets aan een dergelijke voorlichting.

[] Preventie

De werkgever heeft de arbeid niet zodanig georganiseerd dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer. De werkgever had gevaren en risico's voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer zoveel mogelijk moeten worden voorkomen of beperken (Artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet).

De werkgever had de volgende maatregelen kunnen treffen om het ontstaan van een beroepsziekte te voorkomen:

- Een bus aanschaffen waarbij de cabine en stoel voldoen aan de NEN 5526

- Zorgen voor luchtvering in plaats van bladvering/mechanische vering

- Taakroulatie met andere bussen, niet zijnde de Pro City/Frysker

- Chauffeurs niet te lang achtereen op deze bus laten rijden

- Zorgen voor overleg met de gemeente ivm de aanleg van drempels en andere verkeersvertragende obstakels.

De werkgever dient binnen het algemene arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid met betrekking tot het

ziekteverzuim van de werknemers te voeren. Onderdeel van dit beleid is in ieder geval het zoveel mogelijk

voorkomen van ziekte van de werknemers (Artikel 4 van de Arbeidsomstandighedenwet). CTS heeft dit

onvoldoende gedaan."

2.9. FNV heeft bij brief van 30 december 2011 de Arbeidsinspectie verzocht een onderzoek in te stellen bij CTS vanwege verslechterende arbeidsomstandigheden sinds de ingebruikname van de Mercedes Sprinter, alsmede de reservebus van het type de Frysker/Pro City.

2.10. Op 17 januari 2012 zijn op verzoek van Connexxion door [medewerker Arbodienst], senior arbeidshygiënist van de Arbodienst, trillingsmetingen uitgevoerd op twee types bussen en twee types stoelen op twee routes te Meppel en Hoogeveen.

De vraagstelling was: "of de trillingsbelasting tijdens het dagelijks gebruik voldoet aan de norm en wat de verschillen in belasting zijn bij de verschillende stoelen en type bus. Daarnaast is gevraagd om te beoordelen wat de invloed is op het eigen gedrag en welke factoren en welke mate de blootstelling beïnvloedt".

Aangegeven wordt dat ook de zogenaamde crestfactor voor de beoordeling van belang is. Deze waarde geeft een indicatie van de belasting van de trillingsovergangen. Een crestfactor hoger dan 6 geeft aan dat de belasting door trillingsovergangen groot is en dat daarmee de kans op lichamelijke klachten toeneemt.

Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat er geen trillingswaarden worden overschreden in de gemeten situaties, maar dat verschillen in waarden zichtbaar zijn. Ook wordt onder meer geconcludeerd dat op basis van de metingen niet direct aan te tonen is dat de nieuwe stoel (Savas) een betere trillingsreductie oplevert dan de huidige standaard stoel. Wel laten 2 metingen bij een vergelijkbare rijstijl een betere trillingsdemping zien bij de nieuwe stoel, alsmede dat een rustiger rijstijl van grote invloed is op de trillingsbelasting.

Bij een aantal metingen ligt de crestfactor relatief hoog.

De nieuwe stoel is qua ergonomie een verbetering door de betere zijwaartse steun en een betere verstelling in de diepte. Daarnaast levert de aanpassing van het achterschot in gebogen vorm achter de chauffeur extra ruimte op waardoor de stoel verder naar achteren kan.

2.11. Bij brief 27 maart 2012 concludeert de Inspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (voorheen de Arbeidsinspectie, hierna te noemen: de Inspectie) dat naar aanleiding van een tweetal werkplekonderzoeken een aantal maatregelen zijn doorgevoerd, doch dat ook een aantal maatregelen nog niet zijn uitgevoerd, waaronder de vervanging van de chauffeursstoel door een ergonomisch model (Savas) en aanpassingen aan de instelbaarheid van de betaaltafel.

Als gevolg van een tweetal overtredingen van artikel 5.2. van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft de Inspectie CTS geïnformeerd over een voornemen van de Inspectie een tweetal eisen te stellen, waarbij CTS uiterlijk 1 juli 2012 aan deze eisen dient te voldoen.

De eerste eis houdt in dat CTS maatregelen dient te treffen die de gevaren van fysieke belasting voorkomen of zoveel mogelijk beperken, met inachtneming van de conclusies van de beide werkplekonderzoeken. CTS dient zorg te dragen voor een ergonomisch instelbare stoel voor de chauffeur, en een eenvoudig in te stellen betaaltafel.

De tweede eis houdt in dat CTS door middel van voorlichting en onderricht ervoor dient te zorgen dat de door de arbodienst aangedragen werkwijze ter voorkoming van fysieke belasting bij de medewerkers bekend wordt. Daarnaast dient CTS toe te zien op naleving van instructies en voorschriften.

2.12. De Inspectie heeft bij brief van 13 april 2012 geconstateerd dat CTS geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid te reageren op haar voornemen. De Inspectie herhaalt de eisen, alsmede de termijn waarbinnen CTS aan de eisen dient te voldoen.

2.13. Op 3 mei 2012 heeft Connexxion schriftelijk gereageerd op de brief van de Inspectie van 13 april 2012. Daarbij is aangegeven welke acties Connexxion onderneemt.

2.14. Op 14 mei 2012 heeft Connexxion via de email gereageerd op de toegezonden conceptdagvaarding. Daarin wordt - kort gezegd - aangegeven dat men bezig is met diverse acties en maatregelen om vóór 1 juli 2012 aan de eisen van de Inspectie te voldoen. Connexxion geeft aan bereid te zijn tot overleg, met als uitgangspunt de eisen van de Inspectie, met dien verstande dat BBZ en FNV het voorgenomen kort geding intrekken.

2.15. Op een personeelsbijeenkomst zijn medewerkers van CTS in Hoogeveen onder meer geïnformeerd over de ontwikkelingen met betrekking tot de chauffeursstoel en de extra rijinstructie voor iedere chauffeur conform de eis van de Inspectie.

2.16. De cursus "Het Nieuwe Rijden", waarbij een zitinstructie een onderdeel is van de training, is gestart op maandag 4 juni 2012.

2.17. Bij mail van 7 juni 2012 informeert de OR van CTS Connexxion onder meer over het trillingsonderzoek dat zij heeft laten uitvoeren met de Savas stoel. De OR van CTS deelt mee dat in haar ogen de bussen voldoen aan de eisen als aangegeven in de rapportages, nadat de aanbevelingen zijn overgenomen. De OR is al met al van mening dat al het mogelijke is gedaan om voor de chauffeurs een goede werkplek te creëren.

2.18. Connexxion heeft de Inspectie bij brief van 13 juni 2012 tussentijds geïnformeerd over de maatregelen die zij inmiddels heeft getroffen.

2.19. Op 19 juni 2012 heeft een afvaardiging van de chauffeurs een bezoek gebracht aan stoelenfabrikant Savas om een geschikte stoel uit te zoeken. Er zijn twee stoelen uitgezocht, een luchtgeveerde stoel en een mechanisch geveerde stoel. Deze stoelen zijn op 30 juni 2012 geplaatst, waarbij de chauffeurs is verzocht hun bevindingen kenbaar te maken.

2.20. Op 4 juli 2012 heeft Connexxion de Inspectie gerapporteerd over de wijze waarop zij aan de eisen heeft voldaan.

2.21. De Inspectie bericht per mail van 10 juli 2012 dat er op korte termijn geen hercontrole zal plaatsvinden.

3. Het geschil

3.1. BBZ en FNV vorderen dat de voorzieningenrechter bij gewijzigde eis bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, CTS gevestigd en kantoorhoudende te IJsselmuiden zal veroordelen:

1. tot het buiten gebruik stellen van de bus, Mercedes Sprinter City 35, voor het openbaar busvervoer in de concessie Zuidwest Drenthe, uiterlijk op 1 september 2012, zulks op straffe van een aan BBZ en FNV te verbeuren dwangsom van tienduizend euro per dag, dat CTS in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

2. tot de kosten van dit geding.

3.2. Ter onderbouwing van de vordering hebben BBZ en FNV gesteld dat CTS jegens haar werknemers tekortschiet dan wel onrechtmatig jegens hen handelt. In dit verband is naar voren gebracht dat BBZ CTS aansprakelijk heeft gesteld voor de gevolgen (gezondheidsklachten, zoals klachten aan nek, schouder, rug, heupen, benen, knie, arm en hoofdpijn)) die (een aantal van) haar werknemers ondervindt door het werken met de Mercedes Sprinter en dat CTS de klachten niet voortvarend oppakt. BBZ en FNV verwijzen voor wat betreft de klachten naar het deskundigenrapport van drs. M. Schooneveldt.

De Inspectie heeft naar aanleiding van de klachten een onderzoek ingesteld en een eis tot naleving vóór 1 juli 2012 aan CTS opgelegd. BBZ en FNV stellen dat de (aankondiging van de) maatregelen onvoldoende zijn om de gezondheid van de werknemers te beschermen, ook niet, omdat een belangrijke bron hiervoor (de te krappe cabine) niet wordt weggenomen. BBZ en FNV zijn verder van mening dat de voorwaarden die door de Inspectie SWZ worden gesteld niet voldoen aan de zorgverplichting van de werkgever in de zin van artikel 7:658 lid 1 BW. Onder verwijzing naar jurisprudentie en genoemd artikel menen BBZ en FNV dat de zorgverplichting van de werkgever (ver) uitgaat boven de minimumverplichtingen als vastgelegd in de Arbeidsomstandighedenregelgeving.

3.3. CTS heeft allereerst ten verweer aangevoerd dat BBZ in haar vorderingen niet ontvankelijk is, althans in ieder geval niet zonder een daartoe strekkende machtiging van de betreffende werknemers. CTS wijst er op dat BBZ niet heeft aangetoond dat een werknemer van CTS een beroepsziekte heeft opgelopen, althans dat werknemers medische klachten hebben ter zake waarvan een causaal verband bestaat tussen het gebruik van de Mercedes Sprinter en die medische klachten.

CTS voert voorts aan dat, voor zover BBZ en FNV ontvankelijk zijn, zij geen spoedeisend belang hebben bij hun vordering. In dit verband wordt aangevoerd dat BBZ en FNV een klacht hebben ingediend bij de Inspectie en dat deze CTS tot 1 juli 2012 de tijd heeft gegeven de eisen/aanbevelingen van de Inspectie op te volgen. In het geval CTS niet (tijdig) deze aanbevelingen heeft opgevolgd kan de Inspectie na hercontrole een boete opleggen. CTS heeft toegezegd de betreffende punten vóór 1 juli 2012 op te lossen en zij licht toe op welke wijze zij inmiddels maatregelen heeft genomen. CTS meent dat nu reeds aantoonbaar omissies zijn hersteld en, nu zij tot 1 juli 2012 van de Inspectie de tijd heeft gekregen, BBZ en FNV geen (spoed)eisend belang hebben bij hun vorderingen.

CTS voert verder aan dat zij in samenspraak met de medewerkers en de OR de aanvankelijk ingezette bussen heeft vervangen door de Mercedes Sprinter.

Het door BBZ ingebrachte rapport kan naar de mening van CTS niet als onafhankelijk deskundigenrapport worden gezien, nu CTS hierin niet is gekend.

Ook stelt CTS zich op het standpunt dat zij al de nodige stappen had ondernomen en onderzoek had laten verrichten naar aanleiding van de klachten.

De door BBZ en FNV aangevoerde gronden (de brief van de Inspectie van 27 maart 2012 en artikel 7:658 BW) kunnen naar de mening van CTS niet dienen als juridische grondslag voor de vorderingen.

CTS betwist dat de gebruikte bussen dienen te voldoen aan de NEN-normen, deze normen zien namelijk op bussen van 12 meter, terwijl de gebruikte bussen slechts 7 meter zijn.

Tenslotte wordt aangevoerd dat inwilliging van de vorderingen enorme negatieve gevolgen voor CTS zullen hebben. CTS concludeert tot niet ontvankelijk verklaring van BBZ en FNV, althans tot afwijzing van de vorderingen onder hoofdelijke veroordeling van BBZ en FNV.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is in geschil of tot buiten gebruikstelling van de door CTS in de concessie Zuidwest Drenthe voor het openbaar vervoer gebruikte Mercedes Sprinter dient te worden geoordeeld.

Ontvankelijkheid

4.2. Het meest verstrekkende verweer van CTS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van BBZ en FNV, nu de belangen (preventieve maatregelen) die BBZ nastreeft reeds door de Inspectie worden behartigd en CTS nog een termijn is gegund om aan de gestelde eisen te voldoen.

4.3. De voorzieningenrechter volgt CTS niet in deze stelling. BBZ en FNV baseren hun vordering op het bepaalde in artikel 7:658, eerste lid 1 BW, waarin de zorgplicht van de werkgever voor de veiligheid van de werknemer is vastgelegd. De werkgever moet op basis van dit artikel die maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn functie schade lijdt. In het geval de werkgever in zijn zorgplicht tekortschiet dan is hij jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die deze in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Ingevolge artikel 7:658 BW is de werkgever dus slechts aansprakelijk indien hij tekortgeschoten is in zijn zorgplicht schade te voorkomen. Onder die zorgplicht wordt mede verstaan de verplichtingen die de werkgever heeft krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en andere publiekrechtelijke regelingen terzake arbeidsomstandigheden.

BBZ heeft CTS in dat verband een preventieve collectieve aansprakelijkstelling doen toekomen voor de door een aantal chauffeurs geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade die het gevolg is van de reeds ontwikkelde en nog te ontwikkelen beroepsziekte ten gevolge van gebrekkige arbeidsomstandigheden.

De voorzieningenrechter overweegt dat BBZ en FNV in dit kader voldoende hebben onderbouwd dat de belangen die BBZ nastreeft - een preventieve collectieve aansprakelijkstelling, waardoor CTS wordt opgeroepen preventieve maatregelen te treffen ter voorkoming van een beroepsziekte - rechtvaardigen dat BBZ en FNV de onderhavige procedure in hebben gesteld. Dat de Inspectie inmiddels - door toedoen van BBZ en FNV - bij de zaak is betrokken en dat CTS inmiddels bezig is maatregelen te treffen doet daar niet aan af.

Spoedeisend belang

4.4. Het spoedeisend belang staat, hoewel dit door CTS wordt betwist, voldoende vast. De gezondheid van de chauffeurs is in het geding en dat acht de voorzieningenrechter in dit geval voldoende.

De vordering

4.5. BBZ en FNV vorderen buitengebruikstelling van de Mercedes Sprinter, die wordt gebruikt voor het openbaar vervoer in de concessie Zuidwest Drenthe per 1 september 2012. BBZ en FNV hebben in dit verband, zoals reeds overwogen eerst CTS preventief collectief aansprakelijk gesteld vanwege de gezondheidsklachten van een aantal chauffeurs van CTS. Daarnaast hebben zij de Inspectie terzake geïnformeerd.

BBZ en FNV baseren de vordering op het bepaalde in artikel 7:658, eerste lid 1 BW, de zorgverplichting van de werkgever, alsmede op de overtreding van CTS van het bepaalde in de Arbeidsomstandighedenregelgeving, meer in het bijzonder de artikelen 5.2 en 5.4 van het Arbobesluit. BBZ en FNV hebben hun vordering onderbouwd met een deskundigenrapport van drs. M. Schooneveldt, die concludeert dat CTS geen adequaat arbeidsomstandighedenbeleid voert, zoals bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet. BBZ en FNV stellen verder dat de maatregelen die CTS treft onvoldoende zijn, nu - kort gezegd - de nieuw geplaatste stoelen niet aan de eisen van de Inspectie voldoen, aan de buscabines nog niets is gewijzigd, de maatregel met betrekking tot de betaaltafel geen verbetering inhoudt en de rijinstructie niet is gegeven. BBZ en FNV menen verder dat de door de Inspectie opgelegde eisen kwalitatief minimaal en onvoldoende zijn om de gezondheidsschade van de chauffeurs te beperken, zodat buitengebruikstellen van de bussen de enige oplossing is.

4.6. De voorzieningenrechter overweegt dat CTS de vordering gemotiveerd heeft betwist. CTS heeft in dit verband aangeven dat niet gesproken kan worden van een onafhankelijk deskundigenrapport.

CTS heeft aangevoerd dat zij bezig is maatregelen te treffen om aan de inmiddels door de Inspectie opgelegde eisen te voldoen. CTS voert verder aan dat zij reeds op voorhand een aantal maatregelen heeft doorgevoerd, zoals aanpassing van de spiegel, verplaatsing van de noodknop. Verder heeft zij op aanwijzing van de Inspectie, een aantal maatregelen doorgevoerd, te weten plaatsing van nieuwe stoelen (de chauffeurs kunnen kiezen uit twee stoelen), afhankelijk van een definitieve keuze van de stoel zal de cabine daar waar nodig worden aangepast, de betaaltafel is aangepast en alle chauffeurs hebben een rij-instructie gekregen. CTS heeft deze maatregelen zoveel als mogelijk voor de door de Inspectie gestelde termijn van 1 juli 2012 doorgevoerd. De plaatsing van de nieuwe stoel is afhankelijk van de keuze van de chauffeurs en zal na die keuze definitief worden geplaatst met aanpassing van de cabine, indien nodig.

Van belang is verder dat Inspectie, bij navraag, heeft aangegeven dat zij niet op korte termijn tot hercontrole zal overgaan.

4.7. De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt voor de beoordeling dat CTS onweersproken heeft gesteld dat zij voor wat betreft de onderhavige concessie gebonden is aan het feit dat zij gebruik dient te maken van bussen van 7 meter, zoals de in het geding zijnde Mercedes Sprinter.

Tussen partijen is niet in geschil dat grotere bussen voor zowel de chauffeurs als de passagiers meer comfort bieden.

Uit de overgelegde correspondentie maakt de voorzieningenrechter op dat CTS vanwege de gezondheidsklachten en de arbeidsomstandigheden van de chauffeurs op dit punt wel in gesprek is (geweest) met de betreffende gemeenten over de bestekseisen, in die zin dat met grotere bussen zou mogen worden gereden, maar dat dit tot op heden zonder resultaat is gebleven.

4.8. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de gewisselde standpunten en stukken blijkt dat CTS, wellicht niet altijd met de nodige voortvarendheid, maatregelen heeft getroffen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden en ter voorkoming van gezondheidsklachten van haar chauffeurs, maar dat wel is gebleken dat zij de eisen die de Inspectie haar in dat verband heeft opgelegd thans opvolgt; daartoe voldoende inspanningen betracht.

Uit overgelegde correspondentie blijkt verder dat CTS haar OR en chauffeurs betrekt bij bijvoorbeeld de keuze voor een passende stoel en daarna inventariseert welke stoel de voorkeur heeft. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het niet doenlijk is een stoel te kiezen die voor iedere chauffeur even passend is. Ook is gebleken dat CTS aanpassingen aan de betaaltafel heeft gedaan.

Connexxion heeft voorts toegezegd dat zij de cabine, zodra de definitieve keuze voor de stoel is gemaakt, zal aanpassen, waardoor er meer ruimte voor de chauffeurs zal ontstaan. Dat met de nieuwe stoel niet alle gezondheidsklachten kunnen worden voorkomen - dit staat vooralsnog niet vast - houdt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verband met het feit dat Connexxion gehouden is voor de concessie gebruik te maken van de kleinere bussen, die zoals overwogen minder comfort bieden dan de grotere bussen.

4.9. Op basis van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat CTS voldoet aan haar in artikel 7:658, eerste lid BW opgelegde zorgverplichting als werkgever, als ook aan het bepaalde in de Arbeidsomstandighedenregelgeving.

De voorzieningenrechter concludeert in dat verband dat de vordering tot buitengebruikstelling van de Mercedes Sprinter als een te verstrekkende ordemaatregel thans niet aan de orde kan zijn.

Daarbij neemt de voorzieningenrechter ook in aanmerking dat BBZ en FNV de gestelde gezondheidsklachten van de chauffeurs niet nader met stukken hebben onderbouwd.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn het beleid en de inspanningen van CTS er thans in voldoende mate op gericht om ziekte van de chauffeurs zoveel mogelijk te voorkomen.

4.10. De voorzieningenrechter concludeert derhalve tot afwijzing van de vordering.

4.11. BBZ en FNV zullen als de in het ongelijk te stellen partijen hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Connexxion worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

1. wijst de vorderingen af,

2. veroordeelt BBZ en FNV hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Connexxion tot op heden begroot op € 1.391,00,

3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wolthuis, bijgestaan door mr. K. Wijmenga, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2012.