Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BX1569

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
17-07-2012
Zaaknummer
19.830080-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de aangifte van [slachtoffer 1] voldoende steun in ander (van het slachtoffer) onafhankelijk bewijsmateriaal, te weten: de aangifte van diens broer [slachtoffer 2], de verklaring van getuige [getuige 1], een nichtje van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], de verklaring van [getuige 2], een oom van verdachte, en de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] in de tenlastegelegde periode regelmatig bij hem logeerde.

Voornoemde verklaringen vinden op essentiële onderdelen bevestiging in de aangifte van [slachtoffer 1] en dienen dan ook als belangrijk steunbewijs. Niet kan derhalve worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 1] onvoldoende steun vinden in de overige gebezigde bewijsmiddelen, zodat artikel 342, tweede lid Sv niet geschonden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830080-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juli 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

wonende [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 03 juli 2012. De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. E.J. de Mare, advocaat te Groningen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 19 januari 1999 tot en met 18 januari 2003 te Roden, gemeente Noordenveld, althans in Nederland, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), (telkens) bestaande uit - het betasten/vastpakken van de penis van die [slachtoffer 1] en/of - het aftrekken van die [slachtoffer 1] en/of - het zich ten overstaan van en/of zichtbaar voor die [slachtoffer 1] aftrekken en/of - het in de mond nemen van de penis van die [slachtoffer 1] en/of - het met de mond/lippen aanraken van de penis van die [slachtoffer 1] en/of - het zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte - de door die [slachtoffer 1] gedragen kleding (gedeeltelijk) heeft uitgetrokken en/of opzij heeft gedaan en/of - een hand van die [slachtoffer 1] heeft gepakt en die om verdachtes penis heeft gelegd en (vervolgens) die hand van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en aftrekbewegingen heeft gemaakt;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 19 januari 1999 tot en met 18 januari 2003 te Roden, gemeente Noordenveld, althans in Nederland, (telkens) met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2010, die toen (telkens) de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande in het ontuchtig - betasten/vastpakken van de penis van die [slachtoffer 1] en/of - aftrekken van die [slachtoffer 1] en/of - zich ten overstaan van en/of zichtbaar voor die [slachtoffer 1] aftrekken en/of - in de mond nemen van de penis van die [slachtoffer 1] en/of - met de mond/lippen aanraken van de penis van die [slachtoffer 1] en/of - zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken;

2.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 15 maart 2002 tot en met 14 maart 2006 te Roden, gemeente Noordenveld, althans in Nederland, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), (telkens) bestaande uit - het betasten/vastpakken van de penis van die [slachtoffer 2] en/of - het aftrekken van die [slachtoffer 2] en/of - het zich ten overstaan van en/of zichtbaar voor die [slachtoffer 2] aftrekken en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte - de door die [slachtoffer 2] gedragen kleding (gedeeltelijk) heeft uitgetrokken en/of opzij heeft gedaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 15 maart 2002 tot en met 14 maart 2006 te Roden, gemeente Noordenveld, althans in Nederland, (telkens) met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1990, die toen (telkens) de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande in het ontuchtig - betasten/vastpakken van de penis van die [slachtoffer 2] en/of - aftrekken van die [slachtoffer 2] en/of - zich ten overstaan van en/of zichtbaar voor die [slachtoffer 2] aftrekken.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

Tengevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging onder feit 1. subsidiair in de derde/vierde zin als geboortedatum van het slachtoffer “21 december 2010” in plaats van “19 januari 1987”. De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen in plaats van het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. G. Wilbrink, acht hetgeen onder 1. primair en subsidiair en onder 2. primair en subsidiair is tenlastegelegd niet wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het hem tenlastegelegde met niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zijn vordering.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 1. primair en onder 2. primair tenlastegelegde telkens te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit, evenals de officier van justitie en de raadsman van verdachte niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Bewijsmotivering

De rechtbank acht, in tegenstelling tot de officier van justitie en de raadsman van verdachte, wel bewezen hetgeen de verdachte onder 1. subsidiair en onder 2. subsidiair is tenlastegelegd. Zij hanteert daartoe de volgende, nader uit te werken, bewijsmiddelen:

ten aanzien van het eerste feit

De aangifte van [slachtoffer 1],

de aangifte van [slachtoffer 2],

de verklaring van de getuige [getuige 1],

de verklaring van [getuige 2] en

de verklaring van de verdachte dat [slachtoffer 1] in de tenlastegelegde periode regelmatig bij hem logeerde.

ten aanzien van het tweede feit

De aangifte van [slachtoffer 2],

de aangifte van [slachtoffer 1],

de verklaring van de getuige [getuige 1],

de verklaring van [getuige 2],

de verklaring van [getuige 3] en

de verklaring van de verdachte dat [slachtoffer 2] in de tenlastegelegde periode regelmatig bij hem logeerde.

Bijzondere bewijsoverwegingen

met betrekking tot het eerste feit

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de aangifte van [slachtoffer 1] voldoende steun in ander (van het slachtoffer) onafhankelijk bewijsmateriaal, te weten: de aangifte van diens broer [slachtoffer 2], de verklaring van getuige [getuige 1], een nichtje van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], de verklaring van [getuige 2], een oom van verdachte, en de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] in de tenlastegelegde periode regelmatig bij hem logeerde.

Voornoemde verklaringen vinden op essentiële onderdelen bevestiging in de aangifte van [slachtoffer 1] en dienen dan ook als belangrijk steunbewijs. Niet kan derhalve worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 1] onvoldoende steun vinden in de overige gebezigde bewijsmiddelen, zodat artikel 342, tweede lid Sv niet geschonden is.

met betrekking tot het tweede feit

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de aangifte van [slachtoffer 2] voldoende steun in ander (van het slachtoffer) onafhankelijk bewijsmateriaal, te weten: de aangifte van diens broer [slachtoffer 1], de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 3], de verklaring van [getuige 2], een oom van verdachte, en de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 2] in de tenlastegelegde periode regelmatig bij hem logeerde.

Voornoemde verklaringen vinden op essentiële onderdelen bevestiging in de aangifte van [slachtoffer 2] en dienen dan ook als belangrijk steunbewijs. Niet kan derhalve worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 2] onvoldoende steun vinden in de overige gebezigde bewijsmiddelen, zodat artikel 342, tweede lid Sv niet geschonden is.

De rechtbank is van oordeel dat de aangiftes van de broers [slachtoffer 21] en [slachtoffer 2] elkaar over en weer ondersteunen. Het gaat in de onderscheiden aangiftes om vergelijkbare verwijten met betrekking tot grotendeels dezelfde door verdachte gepleegde ontuchtige handelingen.

De betrouwbaarheid van beide aangiftes wordt nog versterkt doordat de broers ([slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) geen handelingen van verdachte bij de ander zeggen te hebben waargenomen en zij onafhankelijk van elkaar aangifte hebben gedaan.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1. subsidiair en onder 2. subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 19 januari 1999 tot en met 18 januari 2003 te Roden, gemeente Noordenveld telkens met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1987, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig

- vastpakken van de penis van die [slachtoffer 1] en

- aftrekken van die [slachtoffer 1] en

- zich zichtbaar voor die [slachtoffer 1] aftrekken en

- in de mond nemen van de penis van die [slachtoffer 1];

2.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 15 maart 2002 tot en met 14 maart 2006 te Roden, gemeente Noordenveld telkens met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1990, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig

- vastpakken van de penis van die [slachtoffer 2] en

- aftrekken van die [slachtoffer 2] en

- zich zichtbaar voor die [slachtoffer 2] aftrekken.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1. subsidiair en onder 2. subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1. subsidiair:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen,

strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen geplegd;

onder 2. subsidiair:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen,

strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht;, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 7 juni 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank acht een aantal zedenmisdrijven bewezen die verdachte heeft begaan ten opzichte van zijn neefjes [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], destijds beiden tussen de twaalf en zestien jaar oud. De feiten zijn gepleegd op momenten dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij verdachte logeerden.

De wetgever heeft er voor gekozen dit soort feiten strafbaar te stellen ter bescherming van jeugdigen, omdat zij de gevolgen van dergelijke handelingen nog niet kunnen overzien.

Verdachte was ten tijde van de feiten jong meerderjarig en hem kan worden aangerekend dat

hij misbruik heeft gemaakt van de nog jeugdige onbevangenheid van zijn neefjes. Verdachte heeft duidelijk een grens overschreden en had dat ook moeten begrijpen.

Door zijn handelwijze heeft verdachte de lichamelijke en seksuele integriteit de slachtoffers geschonden.

Anderzijds dient er rekening te worden gehouden met de ouderdom van de feiten.

Al het vorenoverwogene brengt de rechtbank tot het oordeel dat in dit geval een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur geboden is.

Hoewel verdachte de feiten categorisch ontkent, zal de rechtbank aan verdachte niettemin als bijzondere voorwaarde het volgen van een training zedendelinquenten opleggen, nu zij bewezen acht dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank acht het causaal verband tussen de bewezen geachte feiten en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij voor het hierna te noemen deel voldoende aannemelijk gemaakt. De vordering is dan ook gegrond en tot na te noemen bedrag voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende, op de persoon van [slachtoffer 2] toegespitste, gedragskundige informatie beschikt om de hoogte van de overige geleden immateriële schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom deels niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan met betrekking tot dat deel van de gestelde schade slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot de onder 2. subsidiair bewezen geachte feiten acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht. Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f en 57 Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. primair en onder 2. primair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1. subsidiair en onder 2. subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. subsidiair en onder 2. subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van acht maanden waarvan een gedeelte, groot vier maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond van niet naleving binnen voormelde proeftijd van drie jaren van na te melden algemene of bijzondere voorwaarden.

De rechtbank stelt als algemene voorwaarden, dat de verdachte

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De rechtbank stelt daarnaast als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens Reclassering Nederland, hetgeen mede inhoudt dat verdachte de training zedendelinquenten zal volgen, met opdracht aan genoemde reclasseringsinstelling ingevolge artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van de som van € 1.500,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat hij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], een bedrag van € 1.500,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en

verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, en mr. E.C.M. Wolfert en mr. M. van der Veen, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op dinsdag 17 juli 2012.

Mr. Van der Veen is buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.