Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BX0948

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
19.810474-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht de onder 1. primair tenlastegelegde moord bewezen.

Moord (artikel 289 Sr) is doodslag (artikel 287 Sr) met voorbedachte raad. Die voorbedachte raad wijst op een moment van kalm overleg, van rustig nadenken dat voorafgaat aan de feitelijke handeling. Het is het tegenovergestelde van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Het begrip voorbedachte raad wordt geobjectiveerd, dat wil zeggen dat niet van belang is dát de pleger zich inderdaad heeft beraden maar dat hij de tijd en de gelegenheid hiertoe heeft gehad . De tijd die de pleger heeft gehad om zich te beraden behoeft bovendien niet lang te zijn.

De officier van justitie leidt uit de door haar geschetste gang van zaken, waarbij verdachte het slachtoffer eerst eenmaal heeft gestoken, daarna de laptop en de televisie heeft gepakt en pas daarna de overige steekletsels heeft toegebracht, af dat sprake is van voorbedachte raad. Hoewel de rechtbank de officier van justitie niet volgt in de door haar beschreven feitelijke constellatie, komt ook de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van voorbedachte raad.

In de onderhavige zaak heeft verdachte de tijd en de gelegenheid gehad zich te beraden. Hij heeft verklaard dat hij, nadat hij zich had losgemaakt van [slachtoffer], naar de keuken is gelopen, daar een mes heeft opgehaald, is teruggelopen naar [slachtoffer] en hem meermalen, onder meer in de nek, heeft gestoken. De rechtbank gaat er op grond van het tijdsverloop en de door verdachte gepleegde handelingen, in onderling verband bezien, van uit dat er bij verdachte een moment van overleg en nadenken is geweest ten aanzien van de gewelddadige handeling die hij voornemens is te gaan plegen. De steekwonden in de nek hebben door verbloeding de dood van [slachtoffer] veroorzaakt.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank voorbedachte raad, moord dus, bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19/810474-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 juli 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

wonende [woonadres],

thans gedetineerd te [detentieadres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 10 februari 2012, 24 april 2012 en 26 juni 2012.

De verdachte is verschenen ter terechtzitting van 26 juni 2012 en werd bijgestaan door mr. R.J de Boer, advocaat te Coevorden.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 6 november 2011 tot en met 8 november 2011 te Ruinen, gemeente De Wolden, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na enig kalm beraad en/of rustig overleg, die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek en/of de hals en/of de rug, in ieder geval in het lichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 6 november 2011 tot en met 8 november 2011 te Ruinen, gemeente De Wolden, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek en/of de hals en/of de rug, in ieder geval in het lichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 6 november 2011 tot en met 8 november 2011 te Ruinen, gemeente De Wolden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een televisietoestel, een laptop, een gsm, een mes, een of meer sleutel(s) en/of een auto (Alfa Romeo), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. P. Hoekstra, acht hetgeen onder 1. primair en onder 2. is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: twaalf jaren gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en terbeschikkingstelling met dwangverpleging, integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partij [BP1], tevens in de vorm van schadevergoedingsmaatregelen, en teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan verdachte en de erven van het slachtoffer [].

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

Op dinsdag 8 november 2011, omstreeks 09.30 uur, werd in een woning aan [adres plaats delict] het levenloze lichaam aangetroffen van [slachtoffer]. [slachtoffer] woonde er alleen en was 's ochtends niet op zijn werk verschenen. Hij werd dood in zijn woning aangetroffen door zijn vader, nadat de werkgever van [slachtoffer] alarm had geslagen. Hierna werd de politie gealarmeerd. Uit onderzoek bleek dat [slachtoffer] door messteken om het leven was gebracht en dat er goederen waren weggenomen.

Na op dinsdag 8 november 2011 te zijn gestart met het onderzoek, is op 9 november 2011 als verdachte van het misdrijf aangehouden: [verdachte], geboren te [geboorteplaats], [geboortedatum], wonende te [adres].

onderzoek plaats delict [adres].

Op dinsdag 8 en 9 november 2011 heeft er een forensisch onderzoek plaats gevonden op bovengenoemd adres. In de woon/slaapkamer werd het stoffelijk overschot aangetroffen van [slachtoffer]. Het slachtoffer bleek door meerdere messteken om het leven te zijn gebracht. Er bleek in de keuken van de woning een messenblok aanwezig te zijn, waaruit één mes ontbrak. Verder bleek bij dit onderzoek dat er onder meer een televisie en een laptop uit de woning waren weggenomen.

De plaats van het delict was op diverse plaatsen besmeurd met bloed. Ook het slachtoffer was grotendeels besmeurd met bloed.

lijkschouw slachtoffer

Op dinsdag 8 november 2011, omstreeks 20.00 uur, werd de schouw verricht aan het lichaam van het slachtoffer. De schouw werd verricht door GGD arts J. Dekker. Bij de schouw bleek dat er onder meer in de rug en de nek scherprandige huidletsels zichtbaar waren.

sectie slachtoffer

Op 10 november 2011 heeft er sectie op het lichaam van [slachtoffer] plaats gevonden bij het NFI te Den Haag door dr. B. Kubat. Uit de sectie is onder andere het volgende gebleken:

Er waren zeven steekletsels waarvan een doorsteek in de nek, verlopend van links naar rechts, een steekkanaal links in de nek, verlopend naar rechts, iets buikwaarts en vrijwel horizontaal, een steekkanaal links in de nek, verlopend naar rechts vrijwel horizontaal, een steekkanaal in de rug verlopend hoofdwaarts, buikwaarts en iets naar links en een steekkanaal in de rug verlopend buikwaarts, vrijwel horizontaal en iets naar links.

Uit het letseldateringsonderzoek is onder andere gebleken dat het steekletsel in de nek, de rug en de hals links kort voor het intreden van de dood zijn ontstaan.

Samenvattend kan worden gesteld dat het letsel in de nek bloedverlies heeft veroorzaakt dat het overlijden zonder meer kan verklaren.

verklaring verdachte ter terechtzitting

De verdachte heeft ter terechtzitting van 26 juni 2012 onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

ik was een maand of vier, vijf bevriend met [slachtoffer]. We kwamen in gesprek in café [naam café] en het klikte wel. Dat was in de zomer van 2011. Het was een vriendschappelijke relatie, geen seksuele. Ik bleef wel eens bij hem slapen. Hij wilde wel wat op seksueel gebied maar dat wilde ik niet. [slachtoffer] gaf aan dat hij wel verder wilde met mij. Hij streelde dan over mijn been en zei dat hij gevoelens voor mij had. Ik zei dat ik daar niet van gediend was. Twee keer heeft hij geprobeerd seksueel contact met mij te hebben. Hij leek te accepteren dat ik geen seks met hem wilde. Wel heb ik hem gemasseerd met olie.

Ik had die bewuste avond, 6 november 2011, cocaïne gebruikt. [slachtoffer] haalde mij op met zijn auto. We zijn naar [woonplaats] gegaan. Naar het stamcafé van [slachtoffer]. Ik had ook bier gedronken en cocaïne gebruikt. Ik was aangeschoten, maar niet agressief. Rond middernacht zijn we naar het huis van [slachtoffer] gegaan. Ik zou bij hem slapen. Ik zou op de slaapbank slapen en [slachtoffer] in zijn eigen bed. Hij was wel aangeschoten. De slaapbank en zijn bed waren in één ruimte. Ik sliep in een boxershort en een T-shirt. [slachtoffer] ook. Ik moest naar de WC. Op weg daarnaartoe moest ik langs [slachtoffer]. [slachtoffer] was zich aan het uitkleden. Hij pakte me vast en zei dat hij verliefd op mij was. Hij begon me op mijn mond te zoenen. Daar schrok ik van. Ik voelde me opgelaten. Ik duwde hem weg. We stonden allebei. Hij probeerde mij te tongen. Dat vond ik niet prettig. Hij probeerde mij ook te neuken. Ik struikelde namelijk en viel op bed op mijn buik. [slachtoffer] kwam toen bovenop mijn rug liggen en reed tegen mij aan. Ik werd boos, kwaad. Ik probeerde mij los te wurmen. Toen ben ik naar de keuken gegaan. Het was een paar meter naar de keuken. In de keuken heb ik een mes gepakt. Met het mes ben ik naar [slachtoffer] gelopen. Ik was kwaad. Ik heb hem gestoken. In de nek. Hij kwam omhoog. Ik kan me herinneren dat ik hem ook nog in de zij heb gestoken. [slachtoffer] begon te rochelen. Hij zat toen op het bed. Toen viel hij op de grond. Toen hij op de grond lag was hij volgens mij dood. Ik heb een deken over hem heen gelegd omdat ik hem niet meer wilde zien. Ik heb vervolgens de tv, de laptop, [slachtoffers] telefoon, een sleutel en zijn Alfa Romeo meegenomen. Het mes heb ik ook meegenomen. Ik ben naar mijn eigen woning gegaan en heb tegen [getuige 1] gezegd wat ik gedaan had. De laptop en de tv heb ik verkocht. De blackberry heb ik op straat verkocht. De auto heb ik ook verkocht. Van het geld heb ik samen met [getuige 2] cocaïne gekocht. Dat hebben we samen gebruikt.

Nadere bewijsmotivering

Op grond van technische bewijsmiddelen komt de officier van justitie tot een andere feitelijke gang van zaken dan door verdachte is geschetst. Zij gaat ervanuit dat verdachte het slachtoffer eerst eenmaal heeft gestoken, vervolgens de laptop en de televisie heeft gepakt en pas daarna de overige steekletsels heeft toegebracht. Hoewel er aanknopingspunten zijn voor een dergelijke gang van zaken, is deze, mede gelet op de stellige ontkenning van verdachte dat het op die manier is gegaan, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan. Verdachte heeft verklaard dat hij pas op het idee kwam om goederen weg te nemen en dit ook ten uitvoer heeft gebracht nadat hij [slachtoffer] had gestoken.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1. primair en onder 2. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 6 november 2011 tot en met 8 november 2011 te Ruinen, gemeente De Wolden, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na enig kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen met een mes in de nek en de rug gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij in de periode van 6 november 2011 tot en met 8 november 2011 te Ruinen, gemeente De Wolden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een televisietoestel, een laptop, een gsm, een mes, een sleutel en een auto (Alfa Romeo), toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1. primair en onder 2. meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Waarom acht de rechtbank moord bewezen?

De rechtbank acht de onder 1. primair tenlastegelegde moord bewezen.

Moord (artikel 289 Sr) is doodslag (artikel 287 Sr) met voorbedachte raad. Die voorbedachte raad wijst op een moment van kalm overleg, van rustig nadenken dat voorafgaat aan de feitelijke handeling. Het is het tegenovergestelde van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Het begrip voorbedachte raad wordt geobjectiveerd, dat wil zeggen dat niet van belang is dát de pleger zich inderdaad heeft beraden maar dat hij de tijd en de gelegenheid hiertoe heeft gehad . De tijd die de pleger heeft gehad om zich te beraden behoeft bovendien niet lang te zijn.

De officier van justitie leidt uit de door haar geschetste gang van zaken, waarbij verdachte het slachtoffer eerst eenmaal heeft gestoken, daarna de laptop en de televisie heeft gepakt en pas daarna de overige steekletsels heeft toegebracht, af dat sprake is van voorbedachte raad. Hoewel de rechtbank de officier van justitie niet volgt in de door haar beschreven feitelijke constellatie, komt ook de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van voorbedachte raad.

In de onderhavige zaak heeft verdachte de tijd en de gelegenheid gehad zich te beraden. Hij heeft verklaard dat hij, nadat hij zich had losgemaakt van [slachtoffer], naar de keuken is gelopen, daar een mes heeft opgehaald, is teruggelopen naar [slachtoffer] en hem meermalen, onder meer in de nek, heeft gestoken. De rechtbank gaat er op grond van het tijdsverloop en de door verdachte gepleegde handelingen, in onderling verband bezien, van uit dat er bij verdachte een moment van overleg en nadenken is geweest ten aanzien van de gewelddadige handeling die hij voornemens is te gaan plegen. De steekwonden in de nek hebben door verbloeding de dood van [slachtoffer] veroorzaakt.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank voorbedachte raad, moord dus, bewezen.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1. primair:

moord,

strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2.:

diefstal,

strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht,

en

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 19 april 2012, opgemaakt door drs. D.T. van der Werf, psychiater te Groningen.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -:

verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling in de zin van zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met Borderline kenmerken.

Daarnaast is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een posttraumatische stress stoornis, een aandachtstekort stoornis van het gecombineerde type naast ook afhankelijkheid van cannabis, van nicotine en van verschillende soorten hard drugs en ten slotte misbruik van alcohol. Alle hierboven genoemde psychopathologie was aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.

De combinatie van de zwakbegaafdheid, de persoonlijkheidspathologie en de vele verslavingen hebben ertoe geleid dat verdachte bewust de nabijheid van het slachtoffer herhaaldelijk en bewust heeft gezocht, ook al was hij zich daarbij bewust van de risico’s op intimiteit met het slachtoffer. Op het moment dat verdachte zich door het slachtoffer overrompeld voelde tot het aangaan van intimiteit is verdachte door reactivering van zijn eigen seksuele psychotraumata en door zijn voordien toch al gebrekkige zelfcontrole op basis van zijn persoonlijkheidspathologie gemakkelijk tot geweld gekomen.

Op grond van het hiervoor gerelateerde moet verdachte voor het hem tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 23 mei 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van voornamelijk vermogensmisdrijven is veroordeeld.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren gevorderd.

De rechtbank is met de officier van justitie van mening dat een lange vrijheidsbenemende sanctie, gelet op de ernst van met name het onder 1. primair tenlastegelegde feit, op haar plaats is. Verdachte heeft door [slachtoffer] van het leven te beroven intens en onherstelbaar leed toegebracht aan diens ouders en andere dierbaren. Zij zullen verder moeten zonder [slachtoffer]. De moord heeft daarnaast gevoelens van weerzin teweeggebracht in de maatschappij. Het op een zo gewelddadige wijze doden van een nog jonge man die volop in het leven staat, is een afschuwelijk feit en behoort tot de meest gruwelijke feiten die denkbaar zijn. Na de moord op [slachtoffer] heeft verdachte bovendien, ogenschijnlijk zonder wroeging, diverse waardevolle goederen uit het huis van [slachtoffer] meegenomen om deze vervolgens te gelde te maken. Zijn zucht naar drugs lijkt hierbij de drijfveer te zijn geweest. Deze laffe handelingen van verdachte maken de daad zo mogelijk nog weerzinwekkender.

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd rechtvaardigen een langdurige gevangenisstraf. Daarbij heeft de rechtbank zich voor zover mogelijk rekenschap gegeven van straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Voorts laat de rechtbank meewegen dat verdachte vele malen eerder is veroordeeld voor met name vermogensdelicten. Ook dit dient in de duur van de op te leggen straf tot uitdrukking te worden gebracht.

Anderzijds kampt verdachte met een ernstige en ingrijpende persoonlijkheidsstoornis, die - zo neemt de rechtbank aan - mede is ontstaan als gevolg van de gebrekkige opvoeding die verdachte heeft gehad en het jarenlange seksuele misbruik dat verdachte op zeer jonge leeftijd heeft moeten dulden. Deze omstandigheden, die verdachte willoos heeft moeten ondergaan, hebben zijn persoonlijkheid gevormd en hebben ertoe bijgedragen dat er een ernstige persoonlijkheidsstoornis is ontstaan, die mede tot onderhavig gewelddadig handelen van verdachte heeft geleid. Dit heeft, naast de bij verdachte aanwezige zwakbegaafdheid, tot gevolg dat de feiten verdachte in verminderde mate vallen toe te rekenen en dit dient derhalve in de duur van de op leggen vrijheidsstraf tot uitdrukking te worden gebracht.

Al het voorgaande in aanmerking nemend, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op zijn plaats.

Motivering maatregel van terbeschikkingstelling.

De gedragsdeskundigen drs. D.T. van der Werf, psychiater te Groningen, en drs. J. de Hoop, klinisch psycholoog/psychotherapeut te Groningen, die de verdachte beiden hebben onderzocht, hebben ieder afzonderlijk een met reden omkleed, gedagtekend en ondertekend advies uitgebracht.

De conclusies in het door drs. Van der Werf uitgebrachte advies luiden, zakelijk weergegeven:

verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling in de zin van zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met Borderline kenmerken.

Daarnaast is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een posttraumatische stress stoornis, een aandachtstekort stoornis van het gecombineerde type naast ook afhankelijkheid van cannabis, van nicotine en van verschillende soorten hard drugs en ten slotte misbruik van alcohol. Alle hierboven genoemde psychopathologie was aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.

De combinatie van de zwakbegaafdheid, de persoonlijkheidspathologie en de vele verslavingen hebben ertoe geleid dat verdachte bewust de nabijheid van het slachtoffer herhaaldelijk en bewust heeft gezocht, ook al was hij zich daarbij bewust van de risico’s op intimiteit met het slachtoffer. Op het moment dat verdachte zich door het slachtoffer overrompeld voelde tot het aangaan van intimiteit is verdachte door reactivering van zijn eigen seksuele psychotraumata en door zijn voordien toch al gebrekkige zelfcontrole op basis van zijn persoonlijkheidspathologie gemakkelijk tot geweld gekomen.

Op grond van het hiervoor gerelateerde moet verdachte voor het hem tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht.

Onbehandeld kunnen verdachtes psychotraumata zodanig gereactiveerd worden dat zijn zelfcontrole weer extra onder druk komt te staan.

In het kader van delictpreventie en ter verbetering van zijn eigen toekomstperspectief valt daarom niet te ontkomen aan een intensief forensisch psychiatrisch klinisch behandeltraject. Gezien de aard en de omvang van de vastgestelde psychopathologie, verdachtes voorgeschiedenis en het relatief hoge risico op geweldsdelicten valt terbeschikkingstelling ten zeerste te overwegen. Een terbeschikkingstelling met dwangverpleging biedt voor verdachte de grootste kansen op een therapeutisch succes omdat verdachte zich bij een terbeschikkingstelling met voorwaarden vroeg of laat onvoldoende aan de hem op te leggen voorwaarden zal weten te houden.

De conclusies in het door drs. De Hoop uitgebrachte advies luiden, zakelijk weergegeven:

er is bij verdachte sprake van multiple psychopathologie. Er is sprake van ADHD, van chronische PTSS en van middelenafhankelijkheid. Tevens is sprake van zwakbegaafdheid en van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken. Hiervan was ook sprake ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.

Deze complexe psychopathologie maakt dat hij beperkt is in het maken van gedragskeuzes. Hij dient daarom voor het hem tenlastegelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

Het is van belang dat verdachte, ter voorkoming van recidive, wordt behandeld voor zowel de PTSS als de persoonlijkheidsproblematiek en de middelenverslaving. Het meest duidelijke juridische kader is dat van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging die, gezien de enorme kwetsbaarheid van verdachte, tevens de meest efficiënte is. Verdachte heeft een sterke neiging tot ontwijken waardoor de kans heel groot is dat verdachte zich bij een terbeschikkingstelling met voorwaarden aan de behandeling zal proberen te onttrekken.

De rechtbank verenigt zich met de bovenstaande conclusies en maakt die tot de hare.

Op grond van die conclusies en de adviezen en rapporten die voorts over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten een multiple psychopathologie bestond.

De feiten die verdachte heeft begaan zijn misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Op grond van het bovenstaande en mede gelet op de ernst van de begane feiten, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling en de verpleging van overheidswege eist.

De rechtbank zal daarom gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en zal tevens bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaar-heid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

De vorderingen van de benadeelde partij [BP1]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het onder 1. primair bewezen geachte feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De gevorderde bedragen acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vorderingen zijn dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregelen

Met betrekking tot het onder 1. primair bewezen geachte feit acht de rechtbank de verdachte jegens de nabestaanden van het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedragen aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd die bedragen aan de Staat te betalen ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 36f, 37a, 37b en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1. primair en onder 2. tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair en onder 2. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van negen jaren.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank beveelt dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank stelt vast dat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van vier jaar te boven mag gaan.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP1] van de som van € 6.000,-- terzake immateriële schade en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoer-legging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer [], een bedrag van € 6.000,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 65 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP1] van de som van € 5.983,07 terzake materiële schade en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer [], een bedrag van € 5.983,07 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 64 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

De rechtbank gelast de teruggave aan veroordeelde van de onder hem in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

De rechtbank gelast de teruggave aan de nabestaanden van het slachtoffer [] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, en mr. J.G. de Bock en mr. E.C.M. Wolfert, rechters in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 10 juli 2012.