Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BX0198

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
Awb 12/279
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiseres is vanaf 2 mei 2010 (één jaar voor de datum van de aanvraag) alsnog een Wajong-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.

Partijen zijn slechts verdeeld over de ingangsdatum van de Wajong-uitkering aan eiseres. De vraag die ter beoordeling voor ligt is of verweerder terecht de uitkering met toepassing van art. 3:29, lid 2 Wet Wajong heeft doen ingaan één jaar voor de datum van de laatste aanvraag of dat, zoals eiseres wil, de uitkering per 1 november 2004 wordt toegekend.

Rb.: De Rb. stelt vast dat in gevallen als deze een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie waarin er sprake is van een aanvraag tot toekenning van een uitkering dan wel de voortzetting van een uitkering, zoals bedoeld in art. 3:29, lid 2 Wet Wajong en de situatie waarin eerder is besloten over de uitkering en verzocht wordt om terug te komen op dat besluit. Naar het oordeel van de Rb. heeft art. 3:29, lid 2 Wet Wajong tot strekking om verweerder te beschermen tegen de aanspraak op een uitkering die tot ver in het verleden terugwerkende kracht zou moeten krijgen in de situaties waarin het de aanvrager vrij stond om eerder een aanvraag te doen maar dat om de hem moverende redenen heeft nagelaten. In het onderhavige geval echter waarin door eiseres eerder een aanvraag is gedaan maar waarin door verweerder een onjuiste medische beoordeling is gedaan en deze onjuiste beoordeling niet aan eiseres kan worden verweten, ziet de Rb. geen grond om de rechten van eiseres te beperken tot een jaar terugwerkende kracht zonder dat art. 3:29, lid 2 Wet Wajong dit uitdrukkelijk bepaalt.

Derhalve heeft verweerder ten onrechte toepassing gegeven aan art. 3:29, lid 2 Wet Wajong.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Zaaknummer: Awb 12/279

Uitspraak in het geschil tussen

(…) eiseres, wonende te (woonplaats)

gemachtigde:

mr. A.M. Joseph, (aspirant)bewindvoerder werkzaam bij Stichting Omega Beheer,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder,

gemachtigde: mr. Gerritsen, werkzaam bij het UWV.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres bericht dat zij geen recht heeft op een Wajong-uitkering.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 november 2011 (het bestreden besluit) gegrond verklaard. Aan eiseres is vanaf 2 mei 2010 (één jaar voor de datum van de aanvraag) alsnog een Wajong-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.

Eiseres heeft op 7 december 2011, bij de rechtbank binnengekomen op 8 december 2011, tegen dit besluit beroep ingesteld. Op dezelfde datum zijn de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 7 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 15 mei 2012.

Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.

Feiten en standpunten

Eiseres heeft reeds eerder, in januari 2004, een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Bij besluit van 14 februari 2005 is aan eiseres de Wajong-uitkering geweigerd, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid op en na 1 november 2004 (op welke datum eiseres de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt) minder dan 25 % bedroeg. Tegen dit besluit is destijds geen rechtsmiddel aangewend, waardoor dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

Op 2 mei 2011 heeft eiseres wederom een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend.

Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals opgenomen onder procesverloop.

Eiseres kan zich niet verenigen met de ingangsdatum (2 mei 2010) van de alsnog verleende Wajong-uitkering. In dit kader heeft eiseres in de gronden van beroep (primair) aangevoerd dat, gezien het feit dat sprake is van een verzoek om terug te komen op het eerdere besluit van 14 februari 2005, dient te worden overgegaan tot vernietiging van dit eerdere besluit en de uitkering dient te worden geëffectueerd per 1 november 2004, de dag waarop zij achttien jaar is geworden. Daarbij verwijst eiseres naar de in het bestreden besluit genoemde medische redenen die er zijn om af te wijken van het standpunt zoals ingenomen door de primaire verzekeringsarts. Voorts heeft eiseres zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat sprake is van een bijzonder geval, omdat er verschoonbare redenen zijn dat zij niet in staat was de opvolgende aanvraag eerder in te dienen.

In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht dat er geen aanleiding is om de

uitkering eerder in te laten gaan dan 2 mei 2010, nu geen sprake is van een bijzonder geval

zoals bedoeld in artikel 3:29 tweede lid, van de Wet Werk en arbeidsondersteuning

jonggehandicapten (Wet Wajong).

Overwegingen

Tussen partijen staat vast en is niet in geschil dat de aanvraag van eiseres van 2 mei 2011 aangemerkt dient te worden als een verzoek om terug te komen op het eerdere besluit van

14 februari 2005. Ook de hernieuwde medische en arbeidsdeskundige beoordeling door verweerder is niet in geschil. Partijen zijn slechts verdeeld over de ingangsdatum van de Wajong-uitkering aan eiseres. De vraag die ter beoordeling voor ligt is of verweerder terecht de uitkering met toepassing van artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong heeft doen ingaan één jaar voor de datum van de laatste aanvraag of dat, zoals eiseres wil, de uitkering per 1 november 2004 wordt toegekend.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van vaste rechtspraak dient de bestuursrechter het oorspronkelijk besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperkingen tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 maart 2010 (LJN: BL6714).

Hoewel de CRvB in vaste jurisprudentie heeft geoordeeld dat het stellen van een (nieuwe) diagnose niet zonder meer leidt tot de conclusie dat sprake is van een nieuw medisch feit, is er naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval wel sprake van nieuwe medische feiten nu de latere vaststelling dat bij eiseres op en rond haar 18e jaar sprake was van een gemaskeerde posttraumatische stress-stoornis (PTSS) en de daaraan ten grondslag liggende stukken een nieuw medisch beeld heeft gevormd, dat heeft geleid tot een andere verzekeringsgeneeskundige weging en tot het alsnog aannemen van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong. Naar aanleiding van de nieuwe diagnose zijn door de verzekeringsarts in het rapport van 28 september 2011, aanvullend op 6 oktober 2011, meer en andere beperkingen vastgesteld dan bij de beoordeling in 2004.

Voorts is in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 november 2011 geconcludeerd dat op basis van het nieuwe FML per 1 november 2004 alle eerder geduide functies zijn vervallen en er geen nieuwe functies zijn bij te duiden. Eiseres wordt door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep per 1 november 2004 voor 80 tot 100 % arbeidsongeschikt geacht. De rechtbank is van oordeel dat als de nieuwe medische gegevens bij de beoordeling in 2004 bekend waren geweest, deze toen zouden hebben geleid tot een ander oordeel ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid van eiseres.

Nu er sprake is van nieuw gebleken feiten en het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien, zoals verweerder ook heeft gedaan, zal de rechtbank beoordelen of verweerder tot de juiste ingangsdatum is gekomen.

Bij het bestreden besluit van 16 november 2011 heeft verweerder aan eiseres per 2 mei 2010 een Wajong-uitkering toegekend naar mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De rechtbank begrijpt dit besluit gelet op de ingangsdatum aldus, dat verweerder daarmee gedeeltelijk, ten aanzien van de ingangsdatum, heeft geweigerd terug te komen op het eerdere besluit van 14 februari 2005.

De rechtbank stelt vast dat in gevallen als deze een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie waarin er sprake is van een aanvraag tot toekenning van een uitkering dan wel de voortzetting van een uitkering, zoals bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong en de situatie waarin eerder is besloten over de uitkering en verzocht wordt om terug te komen op dat besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong tot strekking om verweerder te beschermen tegen de aanspraak op een uitkering die tot ver in het verleden terugwerkende kracht zou moeten krijgen in de situaties waarin het de aanvrager vrij stond om eerder een aanvraag te doen maar dat om de hem moverende redenen heeft nagelaten. In het onderhavige geval echter waarin door eiseres eerder een aanvraag is gedaan maar waarin door verweerder een onjuiste medische beoordeling is gedaan en deze onjuiste beoordeling niet aan eiseres kan worden verweten, ziet de rechtbank geen grond om de rechten van eiseres te beperken tot een jaar terugwerkende kracht zonder dat artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong dit uitdrukkelijk bepaalt.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder bij zijn besluit van 14 februari 2005 ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 3:29, tweede lid, van de Wet Wajong. Het besluit zal daarom op dit punt worden vernietigd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met ingang van 1 november 2004 (de datum waarop eiseres de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt) aan eiseres alsnog een Wajong-uitkering had moeten toekennen naar de mate van arbeidsongeschiktheid 80 tot 100 %.

Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover het de ingangsdatum van de Wajong-uitkering betreft. Nu rechtens nog maar één besluit mogelijk is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door de ingangsdatum van de Wajong-uitkering te stellen op

1 november 2004.

Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,-; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 16 november 2011, voor zover het de

- ingangsdatum van de Wajong-uitkering betreft;

- stelt de ingangsdatum van de Wajong-uitkering in het besluit vast op 1 november 2004;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad. € 874,- te betalen aan eiseres;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 41,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, in aanwezigheid van

mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2012.

De griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

afschrift verzonden aan partijen op: