Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BW9881

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
89156 - HA ZA 11-588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling samenlevingsrelatie. Bij gebrek aan een wettelijke regeling is er niet zonder meer een rechtsregel die verplicht tot verdeling of verrekening van vermogen bij het einde van een relatie. Bestaan stilzwijgend gesloten overeenkomsten tot verdeling of verrekening of maatschap niet aangenomen. Uiteenlopende redelijkheidsargumenten kunnen evenmin tot verdeling of verrekening leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 89156 / HA ZA 11-588

Vonnis van 20 juni 2012

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J.H. Arends te Roden,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.M. Wiersema te Assen.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 februari 2012, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- het proces-verbaal van comparitie van 7 mei 2012;

- de overigens ingebrachte producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.2. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij hebben met elkaar samengewoond. Nadat partijen uiteen zijn gegaan is tussen hen in geschil gekomen of het tijdens de periode van samenleving opgebouwde vermogen moet worden verdeeld of dat de waarde van dat vermogen tussen partijen moet worden verrekend.

3. Het geschil

3.1. De vrouw vordert, verkort weergegeven, dat de rechtbank bepaalt dat het tijdens de samenleving van partijen opgebouwde vermogen, partijen gemeenschappelijke toebehoort en dat de rechtbank een wijze van verdeling daarvan vaststelt, althans dat de rechtbank bepaalt dat partijen dit vermogen dienen te verrekenen alsof het hen gemeenschappelijk toebehoort, althans bepaalt dat de waarde van dat vermogen moet worden verrekend op een zodanige wijze dat ieder de helft van de waarde van dat vermogen ontvangt, althans dat de rechtbank bepaalt dat er tussen partijen een overeenkomst van maatschap is ontstaan, de rechtbank die maatschap ontbindt en de rechtbank het vermogen zodanig verdeelt dat ieder behoudt wat hij of zij thans onder zich houdt, met veroordeling van de man € 421.360,00 aan de vrouw te betalen, althans dat de rechtbank bepaalt dat de man ten koste van de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt en dat de rechtbank op die grond de man veroordeelt laatstgenoemd bedrag aan de vrouw te betalen, een en ander steeds met veroordeling van de man aan de vrouw € 1.578,00 te betalen en een en ander steeds vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Daartoe stelt de vrouw, samengevat weergegeven, dat partijen zestien jaar met elkaar hebben samengewoond. Volgens de vrouw beschikte de man toen zij gingen samenwonen over een vermogen ter grootte van ongeveer ƒ 1.000.000,00 en zij over een vermogen ter grootte van ongeveer ƒ 75.000,00 en over zoogkoeienrechten. De vrouw stelt dat de man tijdens de samenleving een boerderij heeft gekocht en dat zij - door het verstrekken van een lening - haar vermogen in de boerderij van de man heeft geïnvesteerd. Volgens de vrouw hebben partijen steeds geleefd alsof het bedrijf van de man van hen beiden was en heeft de vrouw samen met de man keihard in het bedrijf gewerkt, zonder dat de vrouw voor haar arbeidsinpassingen een beloning heeft ontvangen. Volgens de vrouw had de man zijn bedrijf nooit zonder haar inzet kunnen opbouwen. De vrouw stelt verder dat partijen als gemeenschappelijke hobby de tuigpaardensport hadden en dat daarvoor paarden en karren zijn aangeschaft. Die behoren volgens de vrouw weliswaar tot het actief van de onderneming van de man maar dat is volgens haar niet terecht, omdat het om een hobby gaat. De vrouw voert verder aan dat van aanvang af de man de vrouw heeft beloofd haar juridische positie op een nette en passende manier te regelen en dat partijen daartoe ook een notaris hebben bezocht. De vrouw stelt dat bij het einde van de relatie en samenleving zij de door haar aan de man verstrekte lening met rente heeft terugontvangen en dat zij uit de kas van de man een bedrag van € 27.000,00 heeft meegenomen. Tegen deze achtergrond bepleit de vrouw dat partijen stilzwijgend zijn overeengekomen dat zij aan het einde van hun relatie zullen afrekenen alsof het tijdens de samenleving opgebouwde vermogen aan hen gemeenschappelijk toebehoort, althans dat zij stilzwijgend zijn overeengekomen dat zij zullen afrekenen alsof er tussen hen een periodiek en niet nagekomen verrekenbeding of een finaal verrekenbeding heeft bestaan. Volgens de vrouw gebiedt de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen voormalige samenwoners en partners beheerst, de verdeling en verrekening die zij verlangt. De vrouw voert meer subsidiair aan dat partijen een stilzwijgende overeenkomst van maatschap zijn aangegaan en meest subsidiair dat de man ten koste van haar ongerechtvaardigd is verrijkt. De vrouw stelt dat haar in ieder geval nog een bedrag van € 1.578,00 toekomt aan rente over haar lening.

3.3. Het verweer van de man strekt tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, althans tot afwijzing van haar vordering en veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

Daartoe voert de man aan, samengevat weergegeven, dat er geen grond bestaat om te komen tot een verdeling of verrekening van zijn vermogen. De man betwist dat de vrouw in zijn onderneming heeft geïnvesteerd. Volgens de man heeft de vrouw aan hem een lening verstrekt die hij met inbegrip van de daarover verschuldigde rente heeft terugbetaald. De man betwist dat de vrouw haar zoogkoeienrechten ter beschikking van zijn onderneming heeft gesteld. De man stelt dat hij uitsluitend er voor heeft gezorgd dat haar rechten niet zouden komen te vervallen doordat die rechten niet werden benut. De man voert verder aan dat alle kosten gemaakt voor tuigpaardensport steeds voor zijn rekening zijn gekomen. De man bestrijdt dat partijen stilzwijgend zijn overeengekomen dat op enig moment een verdeling of verrekening van zijn vermogen zal plaatsvinden. De man betwist verder dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt. De man stelt dat bij bereid is het gevorderde bedrag aan achterstallige rente te betalen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven met het oog op een doelmatige bespreking, om het volgende. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en gedurende een lange periode van tijd met elkaar samengewoond. Van aanvang is de vermogenspositie van de beide partners sterk uiteengelopen. De man beschikte over een relatief aanzienlijk vermogen, de vrouw niet. Het vermogen van de man stelde hem in staat om een - zoals partijen dat noemen - boerenbedrijf te verwerven. Partijen hebben gedurende hun samenleving beiden gewerkt in dat bedrijf. Als aan de relatie een einde komt, ervaart de vrouw dat zij in vermogensrechtelijk opzicht in de kou staat. Bij het uiteengaan van partijen heeft zij de beschikking over een beperkt vermogen dat is samengesteld uit de aflossing en betaling van rente van een door haar aan de man verstrekte lening en een bedrag dat de vrouw heeft onttrokken aan het vermogen van de man. De man echter beschikt over een bedrijf en daarmee ten opzichte vrouw over een relatief aanzienlijk vermogen. Het is tegen deze achtergrond dat de vrouw op uiteenlopende gronden uiteenlopende vorderingen instelt die er steeds toe strekken dat het vermogen van de man voor zover dat in de periode van samenleving is opgebouwd tussen partijen wordt verdeeld of dat de waarde daarvan tussen partijen wordt verrekend. Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de rechtbank als volgt.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat het Nederlandse wet geen regeling biedt die de juridische verhouding tussen samenwonende partners regelt, zoals het huwelijksvermogensrecht dat voor echtgenoten en geregistreerde partners doet. Dit brengt met zich dat het enkele feit dat partners gaan samenwonen geen vermogensrechtelijke gevolgen heeft. Er ontstaat geen gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW van de door partners ter samenleving aangebrachte zaken en zolang de relatie tussen de beide partners voortduurt, blijven hun vermogens gescheiden. Als de partners uiteengaan vindt een verdeling van vermogens in goederenrechtelijke alleen plaats als tussen partijen een gemeenschap is ontstaan, bijvoorbeeld doordat gemeenschappelijk goederen zijn verworven. Het uiteengaan van samenwonende partners verplicht, in beginsel, niet tot een verderstrekkende afwikkeling.

4.3. Door de vrouw worden geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat tussen partijen een voor verdeling vatbare gemeenschap is ontstaan. Haar vordering voor zover die strekt tot verdeling, zal daarom worden afgewezen.

4.4. Omdat er geen wettelijke regeling bestaat die de juridische verhouding tussen samenwonende partners regelt, is er evenmin een algemene rechtsregel die samenwonende partners verplicht om bij hun uiteengaan de waarde van bepaalde vermogensbestanddelen met elkaar te verrekenen. Een gehoudenheid tot verrekening zal eerst kunnen ontstaan wanneer partijen dat overeenkomen. Slechts bij hoge uitzondering zal kunnen worden aangenomen dat zonder een daartoe strekkende overeenkomst een gehoudenheid bestaat om de waarde van bijvoorbeeld een onroerende zaak die aan één van hen toebehoort, te verdelen alsof deze aan hen gemeenschappelijk toebehoort (zie voor een voorbeeld:

Hof Amsterdam 18 december 2003, rolnummer 137/03 SKG te kennen uit EB 2004-7/8).

4.5. Te beoordelen staat daarom of de vrouw ter onderbouwing van haar vorderingen feiten en omstandigheden stelt die erop kunnen wijzen dat partijen in obligatoire zin gehouden zijn tot een bepaalde waardeverrekening te komen.

4.6. Voor zover de vrouw in dit verband aanvoert dat tussen partijen één of meer stilzwijgende overeenkomsten tot stand zijn gekomen die strekken te komen tot een waardeverrekening, overweegt de rechtbank dat de vrouw aan één en hetzelfde feitencomplex wellicht meerdere juridische grondslagen voor een vordering kan ontlenen. Wat de vrouw niet kan maar wel doet, is uiteenlopende en tegengestelde feitencomplexen aanvoeren om haar vordering kans van slagen te geven. Het is niet mogelijk dat partijen stilzwijgend meerdere en steeds innerlijk tegenstrijdige overeenkomsten hebben gesloten.

4.7. Wat naar het oordeel van de rechtbank te meer klemt, is dat zij uit wat de vrouw stelt geen andere conclusie kan trekken dan dat partijen er steeds van zijn uitgegaan dat hun vermogens volledig gescheiden zullen blijven en een verdeling of verrekening daarvan zonder een daartoe overeen te komen regeling niet zal plaatsvinden. De rechtbank komt tot die conclusie omdat de vrouw aanvoert dat de man haar zou hebben beloofd iets te regelen, contact is opgenomen met een notaris, maar een regeling er niet is gekomen. In de woorden van de vrouw (onder randnummer 4 van haar dagvaarding):

Vanaf het begin heeft de man beloofd om haar juridische positie op een nette en passende manier te regelen (samenlevingsovereenkomst o.i.d.). Partijen hebben zelfs eenmaal een notaris bezocht doch een vervolg kwam er niet.

De man heeft dus, nadat hij de vrouw jarenlang met allerlei smoesjes aan het lijntje had gehouden, uiteindelijk helemaal niets geregeld.

4.8. Wat de vrouw aldus aan haar vordering ten grondslag legt - wat ook verder zij van het daarop gerichte verweer van de man - sluit het bestaan van één van de door haar gestelde, stilzwijgend gesloten overeenkomsten uit.

4.9. Voor zover de vrouw haar vorderingen niet uitsluitend op één of meer stilzwijgend gesloten overeenkomsten grondt en zij haar vordering ook los en onafhankelijk daarvan grondt op een of meerdere redelijkheidsargumenten overweegt de rechtbank als volgt.

4.10. Ingevolge artikel 6:1 BW kunnen verbintenissen slechts ontstaan als dit uit de wet voortvloeit. Uit de wet vloeit voort dat de redelijkheid en billijkheid géén zelfstandige bron van verbintenissen betreft. De redelijkheid en billijkheid kunnen louter andere bronnen van verbintenissen aanvullen en beperken en daardoor rechten en verplichtingen in het leven roepen. Dat de redelijkheid en billijkheid geen zelfstandige bron van verbintenissen betreft, brengt met zich dat voor zover de vrouw haar vordering uitsluitend grondt op de redelijkheid en billijkheid zij haar vordering niet laat rusten op een grondslag die die vordering kan dragen.

4.11. Voor zover de vrouw haar vordering mede grondt op een stilzwijgend gesloten overeenkomst van maatschap, kan haar dat evenmin baten. Het beroep van de vrouw komt neer op het bestaan tijdens de periode van samenwonen van een situatie die vergelijkbaar is met de maatschap en/of meer in het algemeen economische mede-eigendom. Het gaat er echter niet om of het bestaan van een maatschap of een situatie van economische mede-eigendom in het algemeen kan leiden tot de door de vrouw gewilde verrekening. Wil de vrouw met succes haar vordering op één van beide grondslagen laten rusten, dan zal moeten komen vast te staan dat de partijen daadwerkelijk een maatschap zijn aangegaan of economische mede-eigendom zijn overeengekomen. Door de vrouw zijn echter geen voor bewijs vatbare feiten gesteld waaruit het bestaan van een maatschap of economische mede-eigendom tussen partijen kan worden afgeleid.

4.12. Het beroep op ongerechtvaardigde verrekening faalt. De vrouw stelt geen althans ontoereikend feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de man een voordeel heeft behaald als gevolg van haar verarming. Voor een succesvol beroep op ongerechtvaardigde verrijking volstaat niet dat slechts een in louter algemene termen vervat beroep wordt gedaan op

artikel 6:212 BW.

4.13. De vordering tot betaling van een bedrag ter grootte van € 1.578,00 aan achterstallige rente wordt door de man erkend en zal worden toegewezen.

4.14. Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat de vordering van de vrouw moet worden afgewezen, behoudens voor wat betreft haar vordering tot betaling van laatstgenoemd bedrag.

4.15. Het geschil tussen partijen hangt samen of ontspruit aan de affectieve relatie die zij met elkaar hebben gehad. De rechtbank zal daarom de kosten van de procedure tussen partijen compenseren, zodanig dat ieder van partijen zijn of haar eigen kosten draagt.

BESLISSING

De rechtbank

1. veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 1.578,00 (éénduizendvijfhonderdachtenzeventig euro),

2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2012.