Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BW9110

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
19.810451-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dat verdachte slechts kan worden aangemerkt als hulpje is de rechtbank niet gebleken, nu verdachte zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht en hij derhalve geen opening van zaken heeft willen geven over zijn eigen rol en de rol van de medeverdachten. Ook anderszins komt uit het dossier niet naar voren dat verdachte slechts een beperkt aandeel heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.810451-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juni 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Hoogeveen.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 10 januari 2012, 20 maart 2012 en 12 juni 2012.

De verdachte is verschenen ter terechtzittingen van 10 januari 2012 en 12 juni 2012 en werd telkens bijgestaan door mr. H.W. Knottenbelt, advocaat te Assen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandbergen, gemeente Borger-Odoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk heeft vervaardigd, althans (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) stof(fen) bevattende amfetamine en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA (XTC)), zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; art 2 ahf/sub B Opiumwet art 2 ahf/sub C Opiumwet art 10 lid 3 Opiumwet;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandbergen, gemeente Borger-Odoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van amfetamine en/of 3,4-methyleendioxyamfetamine, in elk geval een hoeveilheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of 3,4-methyleendioxyamfetamine, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoermiddel(en) voor handen heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat feit/die feiten hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

- chemicalien en/of grondstoffen en/of hardware bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden gehad en/of

- een lokatie gehuurd ten behoeve van de productie van synthetische drugs; art 10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of (een of meer van) verdachtes medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. G. Wilbrink, acht hetgeen onder 1. en 2. is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: vier jaren gevangenisstraf onder aftrek van voorarrest.

De voorvragen

De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Het zwijgen van verdachte ter terechtzitting

Verdachte is aangehouden in de nabijheid van de schuur met daarin voormelde apparatuur. In de schuur waar de productieapparatuur voor MDMA stond opgesteld, werden twee tassen aangetroffen.

Een van die twee tassen betrof een zwarte tas van het merk "Puma". In de tas werden onder andere een paspoort en een rijbewijs op naam van verdachte aangetroffen.

Deze omstandigheden zijn in samenhang met de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen en de overige genoemde andere omstandigheden in sterke mate redengevend voor het bewijs, mede vanwege het feit dat verdachte hiervoor geen enkele andere, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven aangezien hij zich ter terechtzitting van 12 juni 2012 heeft beroepen op zijn zwijgrecht.

Bijzondere bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat bij de door [getuige] bij de politie afgelegde verklaring vraagtekens kunnen worden geplaatst omdat de verklaring uit boosheid is afgelegd over het feit dat zij zou zijn mishandeld door haar moeder.

De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet en overweegt daartoe het volgende.

Op zondag 23 oktober 2011 omstreeks 16.15 uur, meldde [getuige] zich aan het bureau van politie te Stadskanaal. Ze deelde aan de politie mee dat zich in de ouderlijke woning, [adres] een XTC laboratorium bevond, in een bijgebouw (schuur) en vertelde dat haar vader bemoeienissen had met dat XTC laboratorium. Tevens vertelde ze dat op het adres [adres] geregeld een drietal mannen komt die de schuur ingaan. Deze mannen zijn contacten van haar vader en zouden op 24 oktober 2011 ook naar het XTC lab komen. Eén van deze mannen zou [verdachte] heten. Hij zou in een blauwe Audi rijden.

Na raadplegen van de politiesystemen bleek dat [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1983, op maandag 11 juli 2011 de bestuurder was van de personenauto met het kenteken [kenteken]. Het kenteken stond op dat moment op naam van [kentekenhouder], de vader van [getuige].

Op maandagmorgen 24 oktober 2011 werden vier mannelijke verdachten en één vrouwelijke verdachte aangehouden. Dit waren:

[aangehouden personen].

Naar aanleiding van het vorenstaande is op maandag 24 oktober 2011, omstreeks 08:00 uur door de politie Drenthe op het perceel [adres] een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het vermoeden van een XTC lab. Daarbij werd de politie Drenthe ondersteund door de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) van het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD).

Tijdens dit onderzoek werd in een schuur op het perceel een volledig gebruiksklare productieplaats van MDMA (verhoogde drukmethode) en afval van eerdere MDMA productie aangetroffen.

Op het moment van de aanhouding werd direct voor de openstaande schuur een deel van het voornoemde afval deels in open vuur verbrand.

Verder werd in de bagageruimte van de personenauto Skoda met kenteken [kenteken] welke geparkeerd stond op het erf van de [adres], een vat met 20 liter Methanol en twee lege dozen van 4 x 5 liter "Forever" aceton aangetroffen die ook in het MDMA lab in de schuur stonden, methanol en aceton passen binnen de illegale productie van MDMA.

Voorts heeft [getuige], toen zij op 22 maart 2012 door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, als getuige werd gehoord, het productie-proces van MDMA gedetailleerd beschreven, op grond waarvan de rechtbank aanneemt dat zij, in ieder geval éénmalig, aanwezig is geweest bij het productieproces, althans bij een essentieel onderdeel daarvan.

Op de vraag van de rechter-commissaris naar de reden van haar melding bij de politie over het XTC-lab verklaarde zij dat zij wilde dat het zou stoppen omdat drugs schadelijk zijn voor heel veel mensen.

Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden de betrouw-baarheid van de verklaringen van [getuige], afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris in twijfel te trekken.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1. en onder 2. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandbergen, gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervaardigd amfetamine en 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA (XTC)), zijnde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandbergen, gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en 3,4-methyleendioxyamfetamine, zijnde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen

- voorwerpen en stoffen en vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit hebbende verdachte en verdachtes medeverdachten

- chemicalien en grondstoffen en hardware bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden gehad en

- een lokatie gehuurd ten behoeve van de productie van synthetische drugs.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. De in de bewijsmiddelen opgenomen andere geschriften zijn uitsluitend gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1. en onder 2. meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1. :

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder D. van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen, vervoermiddelen of stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

strafbaar gesteld bij artikel 10a van de Opiumwet in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 8 mei 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke feiten als de onderhavige is veroordeeld.

Bijzondere strafmaatoverwegingen

de eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 12 juni 2012 met betrekking tot de op te leggen straf onder meer gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en onder 2. tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1. tenlastegelegde. Met betrekking tot het onder 2. tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachtes deelname kan worden omschreven als hulpje en dat hij niet heeft deelgenomen aan de productie van MDMA, hetgeen in de op te leggen straf tot uitdrukking dient te worden gebracht.

de overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het produceren van MDMA en aan het voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen en vervoermiddelen om de productie van MDMA voor te bereiden en te bevorderen. Hij heeft zich samen met anderen gedurende een aantal maanden op professionele wijze bezig gehouden met de productie van MDMA, zulks louter uit oogmerk van persoonlijk gewin, zonder zich te bekommeren om de mogelijke nadelige gevolgen voor de gebruikers en de maatschappij.

Harddrugs als de onderhavige leveren, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers. In het bijzonder geldt dit voor personen in uitgaanscentra, waar jongeren in een uitgelaten stemming extra kwetsbaar zijn en niet zelden op georganiseerde wijze worden aangespoord tot het gebruik van dergelijke middelen, waarvan de consequenties voor de gezondheid onder omstandigheden ernstig kunnen zijn en op langere termijn niet te overzien. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Dat verdachte slechts kan worden aangemerkt als hulpje is de rechtbank niet gebleken, nu verdachte zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht en hij derhalve geen opening van zaken heeft willen geven over zijn eigen rol en de rol van de medeverdachten. Ook anderszins komt uit het dossier niet naar voren dat verdachte slechts een beperkt aandeel heeft gehad.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank ten gunste van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte volgens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister nog niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1. en onder 2. tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. en onder 2. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van een tas, een paspoort op naam van verdachte en een rijbewijs op naam van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter en mr. H.H.A. Fransen en mr. J.M.M. van Woensel, rechters in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 26 juni 2012.