Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BW9094

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
19.830295-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het produceren van MDMA en aan het voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen en vervoermiddelen om de productie van MDMA voor te bereiden en te bevorderen, door de feitelijke plegers ruimte beschikbaar te stellen voor de productie van MDMA. Laatstgenoemden hebben zich gedurende een aantal maanden op professionele wijze bezig gehouden met de productie van MDMA, zulks louter uit oogmerk van persoonlijk gewin, zonder zich te bekommeren om de mogelijke nadelige gevolgen voor de gebruikers en de maatschappij.

Harddrugs als de onderhavige leveren, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers. In het bijzonder geldt dit voor personen in uitgaanscentra, waar jongeren in een uitgelaten stemming extra kwetsbaar zijn en niet zelden op georganiseerde wijze worden aangespoord tot het gebruik van dergelijke middelen, waarvan de consequenties voor de gezondheid onder omstandigheden ernstig kunnen zijn en op langere termijn niet te overzien. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de door de officier van justitie gevorderde (deels voorwaardelijke) vrijheidsstraf.

Aan verdachte zal daarom een vrijheidsstraf van twaalf maanden worden opgelegd, waarvan een gedeelte, groot drie maanden, voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830295-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juni 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Doetinchem.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 10 januari 2012, 20 maart 2012 en 12 juni 2012.

De verdachte is verschenen ter terechtzitting van 12 juni 2012 en werd bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandberg, gemeente Borger-Odoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk heeft vervaardigd, althans (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad 5.52 kilogram, althans (een) hoeveel-he(i)d(en), van (een) stof(fen) bevattende amfetamine en/of 3,4-methyleendioxy-methamfetamine (MDMA (XTC)), zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

[medeverdachte 1], en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandberg, gemeente Borger-Odoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk heeft vervaardigd, althans (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) stof(fen) bevattende amfetamine en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA (XTC)), zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, bij/tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandberg, gemeente Borger-Odoorn, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door vervoer [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] te vervoeren van en naar de plek waar het misdrijf plaatsvond en/of door het beschikbaar stellen van de ruimte waar het misdrijf plaatsvond;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandberg, gemeente Borger-Odoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van amfetamine en/of 3,4-methyleendioxyamfetamine, in elk geval een hoeveilheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of 3,4-methyleendioxyamfetamine, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoermiddel(en) voor handen heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat feit/die feiten hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

- chemicalien en/of grondstoffen en/of hardware bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden gehad en/of

- een lokatie gehuurd ten behoeve van de productie van synthetische drugs;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandberg, gemeente Borger-Odoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van amfetamine en/of 3,4-methyleendioxyamfetamine, in elk geval een hoeveilheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of 3,4-methyleendioxyamfetamine, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoermiddel(en) voor handen heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat feit/die feiten hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

- chemicalien en/of grondstoffen en/of hardware bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden gehad en/of

- een lokatie gehuurd ten behoeve van de productie van synthetische drugs bij/tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandberg, gemeente Borger-Odoorn, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door vervoer [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] te vervoeren van en naar de plek waar het misdrijf plaatsvond en/of door het beschikbaar stellen van de ruimte waar het misdrijf plaatsvond.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of (een of meer van) verdachtes medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. G. Wilbrink, acht hetgeen onder 1. subsidiair en onder 2. subsidiair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: twaalf maanden gevangenisstraf onder aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van de verdachte heeft onder meer aangevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot het onder 1. subsidiair tenlastegelegde nietig dient te worden verklaard, nu de tenlastelegging te dien aanzien innerlijk tegenstrijdig is.

Onder 1. primair is immers (onder meer) aan verdachte tenlastegelegd dat hij opzettelijk 5,52 kilogram MDMA aanwezig heeft gehad, terwijl hem onder 1. subsidiair wordt verweten dat hij [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft vervoerd van en naar de plek waar het misdrijf plaatsvond. Deze plek is echter de slaapkamer van verdachte, waar het brok MDMA in een kast is aangetroffen.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Naar het oordeel van de rechtbank ziet het tenlastegelegde vervaardigen, althans bereiden, bewerken of verwerken van de tenlastegelegde stof(fen) niet op de 5,52 kilogram MDMA die in de slaapkamer van verdachte is aangetroffen.

De rechtbank komt tot dit oordeel door het onder 1. primair tenlastegelegde aldus te lezen dat verdachte (…) opzettelijk heeft vervaardigd, althans opzettelijk heeft bereid, bewerkt of verwerkt (een) stof(fen) bevattende amfetamine en/of 3,4 methyleendioxymethamfetamine (MDMA (XTC)), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 5,52 kilogram van een stof bevattende amfetamine en/of 3,4 methyleendioxymethamfetamine (MDMA (XTC)).

De tenlastelegging voldoet daarmee naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan de vereisten die de wet daaraan in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt.

De voorvragen

De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 1. primair en onder 2. primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit, evenals de officier van justitie en de raadsman van verdachte, niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht met name niet bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk MDMA heeft vervaardigd en het opzettelijk vervaardigen van die stof tezamen en in vereniging met anderen heeft voorbereid en bevorderd door de grondstoffen tot het vervaardigen van MDMA voorhanden te hebben. Verdachte heeft immers slechts de ruimte ten behoeve van de productie van die stof beschikbaar gesteld. Van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het voorbereiden en bevorderen van de productie van MDMA en het feitelijk vervaardigen van MDMA kan dan ook geen sprake zijn.

Bijzondere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat de door de [getuige] bij de politie en bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen op geen enkele wijze worden ondersteund door ander bewijs en dat haar verklaringen zelfs op essentiële punten worden tegengesproken door haar zus [zus getuige], waarmee de raadsman, zo begrijpt de rechtbank dit verweer, de betrouwbaarheid van de getuige in twijfel trekt.

De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet en overweegt daartoe het volgende.

Op zondag 23 oktober 2011 omstreeks 16.15 uur, meldde [getuige] zich aan het bureau van politie te Stadskanaal. Ze deelde aan de politie mee dat zich in de ouderlijke woning, [adres] een XTC laboratorium bevond, in een bijgebouw (schuur) en vertelde dat haar vader bemoeienissen had met dat XTC laboratorium. Tevens vertelde ze dat op het adres [adres] geregeld een drietal mannen komt die de schuur ingaan. Deze mannen zijn contacten van haar vader en zouden op 24 oktober 2011 ook naar het XTC lab komen. Eén van deze mannen zou [medeverdachte 3] heten. Hij zou in een blauwe Audi rijden.

Na raadplegen van de politiesystemen bleek dat [medeverdachte 3], geboren op [geboortedatum] 1983, op maandag 11 juli 2011 de bestuurder was van de personenauto met het kenteken kenteken]. Het kenteken stond op dat moment op naam van [verdachte] de vader van [getuige].

Op maandagmorgen 24 oktober 2011 werden vier mannelijke verdachten en één vrouwelijke verdachte aangehouden. Dit waren:

[namen aangehouden personen]

Naar aanleiding van het vorenstaande is op maandag 24 oktober 2011, omstreeks 08:00 uur door de politie Drenthe op het perceel [adres] een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het vermoeden van een XTC lab. Daarbij werd de politie Drenthe ondersteund door de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) van het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD).

Tijdens dit onderzoek werd in een schuur op het perceel een volledig gebruiksklare productieplaats van MDMA (verhoogde drukmethode) en afval van eerdere MDMA productie aangetroffen.

Op het moment van de aanhouding werd direct voor de openstaande schuur een deel van het voornoemde afval deels in open vuur verbrand.

Verder werd in de bagageruimte van de personenauto Skoda met kenteken [kenteken], welke geparkeerd stond op het erf van de [adres], een vat met 20 liter Methanol en twee lege dozen van 4 x 5 liter "Forever" aceton aangetroffen die ook in het MDMA lab in de schuur stonden, methanol en aceton passen binnen de illegale productie van MDMA.

Voorts heeft [getuige], toen zij op 22 maart 2012 door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, als getuige werd gehoord, het productie-proces van MDMA gedetailleerd beschreven, op grond waarvan de rechtbank aanneemt dat zij, in ieder geval éénmalig, aanwezig is geweest bij het productieproces, althans bij een essentieel onderdeel daarvan.

Op grond van het vorenstaande ziet de rechtbank dan ook geen reden om aan de betrouw-baarheid van de verklaringen van [getuige], afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris te twijfelen.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1. subsidiair en onder 2. subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandberg, gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging opzettelijk hebben vervaardigd amfetamine en 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA (XTC)), zijnde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, bij/tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandberg, gemeente Borger-Odoorn, opzettelijk behulpzaam is geweest door het beschikbaar stellen van de ruimte waar het misdrijf plaatsvond;

2.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandberg, gemeente Borger-Odoorn, tezamen en in vereniging om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en 3,4-methyleendioxyamfetamine, zijnde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen

- voorwerpen en stoffen en vervoermiddelen voorhanden hebben gehad, waarvan zij wisten dat die stoffen bestemd waren tot het plegen van dat feit hebbende een of meer van verdachtes medeverdachten

- chemicalien en grondstoffen en hardware bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden gehad en

- een lokatie gehuurd ten behoeve van de productie van synthetische drugs

bij/tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Zandberg, gemeente Borger-Odoorn, opzettelijk behulpzaam is geweest door het beschikbaar stellen van de ruimte waar het misdrijf plaatsvond.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. De in de bewijsmiddelen opgenomen andere geschriften zijn uitsluitend gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1. subsidiair en onder 2. subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1. :

medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder D. van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet in verbinding met de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2:

medeplichtigheid aan medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen, vervoermiddelen of stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

strafbaar gesteld bij artikel 10a van de Opiumwet in verbinding met de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 8 mei 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke feiten als de onderhavige is veroordeeld.

Bijzondere strafmaatoverwegingen

de eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 12 juni 2012 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. subsidiair en onder 2. subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1. en 2. tenlastegelegde.

de overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het produceren van MDMA en aan het voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen en vervoermiddelen om de productie van MDMA voor te bereiden en te bevorderen, door de feitelijke plegers ruimte beschikbaar te stellen voor de productie van MDMA. Laatstgenoemden hebben zich gedurende een aantal maanden op professionele wijze bezig gehouden met de productie van MDMA, zulks louter uit oogmerk van persoonlijk gewin, zonder zich te bekommeren om de mogelijke nadelige gevolgen voor de gebruikers en de maatschappij.

Harddrugs als de onderhavige leveren, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers. In het bijzonder geldt dit voor personen in uitgaanscentra, waar jongeren in een uitgelaten stemming extra kwetsbaar zijn en niet zelden op georganiseerde wijze worden aangespoord tot het gebruik van dergelijke middelen, waarvan de consequenties voor de gezondheid onder omstandigheden ernstig kunnen zijn en op langere termijn niet te overzien. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank ten gunste van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte volgens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister nog niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de door de officier van justitie gevorderde (deels voorwaardelijke) vrijheidsstraf.

Aan verdachte zal daarom een vrijheidsstraf van twaalf maanden worden opgelegd, waarvan een gedeelte, groot drie maanden, voorwaardelijk.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. primair en onder 2. primair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1. subsidiair en onder 2. subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. subsidiair en onder 2. subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan een gedeelte, groot drie maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 20 juli 2012.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter en mr. H.H.A. Fransen en mr. J.M.M. van Woensel, rechters in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 26 juni 2012.