Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BW5057

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-05-2012
Datum publicatie
07-05-2012
Zaaknummer
19.700481-11, 19.700667-10 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[Feit 1]

Uit de ter terechtzitting getoonde videobeelden van de bewakingscamera van [naam café], de aangifte, de verklaringen van [slachtoffer 1a] en [gertuige 1b] en de bij de politie afgelegde verklaring van [MV2], blijkt dat deze door [MV3] en [MV2] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen niet overeenstemmen met de feitelijke gang van zaken. Uit deze beelden en uit deze verklaringen blijkt dat één jongen vlak voor [slachtoffer 1] gaat staan terwijl de andere jongen schuin achter hem staat met een knuppel. [slachtoffer] wordt vervolgens door de jongen die schuin achter hem staat van achteren tegen zijn achterhoofd geslagen. Gelet hierop legt de rechtbank de verklaringen van [MV3] en [MV2] bij de rechter-commissaris terzijde als zijnde kennelijk leugenachtig. De rechtbank gaat uit van de eerder door [MV2] bij de politie afgelegde verklaring zoals hiervoor is weergegeven, die overeenkomt met de aangifte, de verklaringen van voornoemde getuigen en de videobeelden.

Uit de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 1a] en [getuige 1b] blijkt voorts dat de jongen die voor [slachtoffer 1] gaat staan een hoofdwond heeft. [MV5] heeft, zo blijkt uit zijn eigen verklaring en het proces-verbaal van bevindingen van de politie een hoofdwond.

De rechtbank komt op grond van vorenstaande bewijsmiddelen tot de conclusie dat [MV5] degene was die voor [slachtoffer 1] is gaan staan en dat [MV4] degene was die schuin achter [slachtoffer 1] stond en hem met de honkbalknuppel tegen het hoofd heeft geslagen.

[MV4] heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1].

De rechtbank acht gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ook wettig en overtuigend bewezen dat [MV4] vervolgens in de [straatnaam] de achterruit van de auto van aangever [slachtoffer 2] heeft ingeslagen met de honkbalknuppel.

[Feit 3]

De raadsman heeft ter terechtzitting ontslag van alle rechtsvervolging van het onder 3 ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat sprake was van noodweerexces. Verdachte werd door aangeefster bij zijn aanhouding hard aan zijn oor getrokken. Verdachte heeft volgens de raadsman gehandeld als gevolg van een hevige gemoedstoestand als bedoeld in artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Deze hevige gemoedstoestand is veroorzaakt door de boosheid en pijn veroorzaakt door het trekken aan zijn oor.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweerexces nu sprake was van een (rechtmatige) aanhoudingssituatie door politieambtenaren die naar de woning van verdachte gingen om verdachte aan te houden. In plaats van mee te werken aan zijn aanhouding en rustig met verbalisanten mee te gaan naar het politiebureau, heeft verdachte zich tegen zijn aanhouding verzet, geweigerd om de deur voor de politie open te maken, en zich -zo blijkt uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal- fors verbaal agressief jegens aangeefster en haar collega’s uitgelaten.

Om een geslaagd beroep op noodweerexces te doen is vereist dat verdachte eerst in een noodweer situatie heeft verkeerd, een situatie waarin er sprake is van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt dat hiervan sprake was.

[Feit 5]

[MV2] heeft bij zijn tweede verhoor bij de politie gedetailleerd verklaard over de vechtpartij op het veldje tussen aangever en [MV4], over het feit dat [MV4] aangever op de grond smeet en bovenop hem ging zitten en aangever op zijn gezicht sloeg, over het feit dat hij [MV2], [MV3] en [MV5], [AA] hebben tegengehouden toen hij [MV4] van aangever af wilde trekken, en over het feit dat de groep, waar [MV4] en hij ([MV2]) ook deel van uitmaakten, aangever achterna is gegaan. De verklaring van verdachte [MV4] dat het aangever was die bovenop hem zat en hem sloeg, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Dit scenario is in strijd met hetgeen aangever heeft verklaard en met het bij aangever geconstateerde letsel. De rechtbank is op grond van bovenstaande bewijsmiddelen van oordeel dat [MV4] en [MV2] een actieve rol hebben gehad en een significante bijdrage hebben geleverd aan het tot stand komen van het geweld richting aangever [slachtoffer 5]. Verdachte had zich op het moment dat de ruzie ontstond op het voetbalveldje kunnen distantiëren van het geweld of kunnen ingrijpen en de-escaleren. Verdachte heeft dit niet gedaan maar is boven op aangever gaan zitten en heeft hem meerdere malen geslagen en gestompt en is vervolgens samen met anderen aangever achterna gelopen toen deze een veilig heenkomen zocht. Reeds hieruit blijkt dat verdachte op een nauwe en bewuste wijze heeft samengewerkt met anderen en zij als groep hebben gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.700481-11, 19.700667-10 (tul) en 19.700667-10 (bezwaarschrift omzetting taakstraf)

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 1 mei 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 31 januari 2012 en 17 april 2012.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede.

De tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 09 oktober 2011 te [plaats delict], ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een

honkbalknuppel, althans een hard en/of zwaar voorwerp tegen het hoofd van die

[slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 09 oktober 2011 te [plaats delict], ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

dat opzet die [slachtoffer 1] met een honkbalknuppel, althans een hard en/of zwaar

voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht

volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 09 oktober 2011 te [plaats delict], met

een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straatnaam], in elk geval

op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 1a] en/of andere personen, welk geweld hierin

bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 1a] en/of andere personen met honkbalknuppels en/of

een fles, althans met harde en/of zware voorwerpen heeft/hebben belaagd en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 1a] met die honkbalknuppels en/of fles heeft/hebben

geslagen en/of

- die [slachtoffer 1a] bij de keel heeft vastgepakt en/of

- die perso(o)n(en) heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of geschopt;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 09 oktober 2011 te [plaats delict],

opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een aan de [straatnaam] staande

auto (Renault Laguna), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

(parketnummer 19/700529-11)

hij op of omstreeks 25 oktober 2011 te [plaats delict] opzettelijk beledigend een

ambtenaar, te weten [slachtoffer 3], gedurende en/of ter zake van de

rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling

heeft toegevoegd de woorden "vieze vuile kuthoer" en/of "kankerhoer", althans

woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

4.

(parketnummer 19/700529-11)

hij op of omstreeks 25 oktober 2011 te [plaats delict] opzettelijk beledigend een

ambtenaar, te weten [slachtoffer 4], gedurende en/of ter zake van de

rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling

heeft toegevoegd de woorden "kankerjute en stelletje clowns", althans woorden

van gelijke beledigende aard en/of strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

5.

parketnummer 19/700481-11

hij op of omstreeks 18 augustus 2011 te [plaats delict] met een ander of anderen, op of

aan de openbare plaats, te weten op een veldje aan/nabij de [straatnaam], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 5], welk geweld bestond uit het slaan

en/of stompen van die [slachtoffer 5];

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 18 augustus 2011 te [plaats delict] tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te

weten [slachtoffer 5]) heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer 5]

letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. B. van der Burg acht hetgeen onder 1 meer subsidiair, onder 3 en onder 5 primair, is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Met betrekking tot hetgeen onder 1 primair en subsidiair, onder 2 en onder 4 is tenlastegelegd vraagt de officier van justitie vrijspraak. Met betrekking tot de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen vraagt zij de rechtbank deze vordering af te wijzen en de proeftijd te verlengen met één jaar. Het bezwaarschrift omzetting taakstraf dient te worden aangehouden om verdachte in de gelegenheid te stellen de resterende werkstraf alsnog uit te voeren. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1) dient te worden toegewezen, hoofdelijk en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2) dient niet-ontvankelijk te worden verklaard nu de officier van justitie met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit tot vrijspraak komt.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 1 primair en onder 4 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Bewijsmotivering

Feit 1 subsidiair en feit 2:

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Feit 1:

- de aangifte van [slachtoffer 1] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Aangever [slachtoffer 1] was zaterdagnacht in [naam café]. Daar hoorde hij dat er eerder die nacht was gevochten tussen een groepje jongens uit [A] en uit [B]. De jongens uit [A] zouden zijn weggegaan. Hij verklaart: Op een gegeven moment ben ik naar buiten gegaan met [getuige 1a]. Ik stond buiten met mijn gezicht naar de voorzijde van [naam café]. Ik zag dat er een groepje Marokkaanse jongens uit de [straatnaam] kwam lopen. Ik dacht dat er ongeveer 5 of 6 personen aan kwamen lopen. In ieder geval vijf. Twee ervan hadden een honkbalknuppel in de hand, een had een mes in zijn hand en een had een grote fles whisky in zijn hand. Deze fles was kapot. Het waren allemaal licht getinte Marokkanen uit [A]. Ik bleef rustig staan, want ik had niks gedaan. De jongen met de kapotte fles whisky in zijn hand kwam voor mij staan. Hij drukte de fles tegen mijn linkerwang. Ik voelde de glasscherven in mijn wang prikken. Hij stond vlak voor mij. Hij drukte zijn neus tegen die van mij. Ik hoorde hem tegen mij zeggen: “Had jij er iets mee te maken.” Ik riep tegen hem: Nee, ik heb er niets mee te maken. Op hetzelfde moment voelde ik een heftige klap tegen mijn achterhoofd. Ik voelde direct een hevige pijn aan mijn achterhoofd en viel half voorover. Ik werd door die klap ook direct duizelig. [getuige 1a] liep naar binnen bij [naam café] om hulp te halen. De groep Marokkanen die mij geslagen hebben, liep eerst richting [straatnaam]. Ik stond nog versuft buiten. De groep kwam vervolgens weer terug, terwijl er ook mensen vanuit [naam café] naar buiten kwamen. Ik zag dat een van de Marokkanen uit de groep [slachtoffer 1a] beet greep. Ergens bij haar borsten. Ik kon niet precies zien wat er gebeurde. Ik zag alles nog wazig van die klap, die ik gekregen had. De groep Marokkanen uit [A] bedreigden iedereen met de wapens, die zij bij zich hadden. Zij bleven maar roepen: “Waar zijn die jongens”, en lieten daarbij hun wapens zien. Even later liepen ze met zijn allen weg de [straatnaam] in.

- de aangifte van [slachtoffer 1a] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik was die nacht binnen bij [naam café]. Op een gegeven moment ging ik naar buiten met mijn vriendin [getuige 1b]. Buiten zagen wij [slachtoffer 1] staan. Op hetzelfde moment zag ik een groep van 5 of 6 personen aan komen lopen. Ik denk 6. Zij kwamen uit de richting [straatnaam]. Voor mijn gevoel waren het 5 Marokkanen en een Hollander. Die Hollander wordt [MV2] genoemd. Hij zat op het [naam school] in [A]. Daar is hij weggestuurd. Ik zit ook op het [naam school]. Ik zag dat deze groep op [slachtoffer 1] af liep. Ik zag dat twee personen een honkbalknuppel bij zich hadden. Volgens mij met de kleuren wit en blauw of zoiets. Een persoon had een lege fles in zijn handen. Deze hield hij omhoog. De fles werd vast gehouden door een Marokkaan met bloed bij zijn oog. Ik liep erop af en duwde die Marokkaan weg. Die anderen uit het groepje kwamen er toen omheen staan. [getuige 1b] greep [slachtoffer 1] om zijn middel en trok hem weg. Toen ging het allemaal heel snel. [slachtoffer 1] werd volgens mij geslagen. Ik zag die twee jongens zwaaien met die honkbalknuppels. Ik kreeg ook nog een klap met de knuppel in mijn zij. Pas ’s nachts zag ik een dikke rode plek in mijn zij en voelde ik de pijn. Een van de Marokkanen, ik weet niet welke, greep mij op een gegeven moment met zijn blote handen bij mijn keel. Mijn keel werd dicht gedrukt en ik kreeg het benauwd. Ik denk dat ik hem weg heb geduwd en dat hij hierdoor met zijn nagels krassen onder mijn keel heeft toegebracht. Ik had namelijk later allerlei krassen boven mijn borsten.

- de verklaring van de getuige [getuige 1b] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik was die avond samen op stap met [slachtoffer 1a]. Wij waren in [naam café]. Op een gegeven moment zijn wij ’s nachts naar buiten gegaan. Buiten stond ook [slachtoffer 1]. Ik stond even met hem te praten toen er een groepje Marokkanen aan kwam lopen. Zij kwamen uit de [straatnaam]. Ik geloof dat het 3 of 4 Marokkanen waren en een blanke. De blanke heette [MV2]. Ik zag dat twee van de Marokkanen een honkbalknuppel bij zich hadden. Ik geloof dat de ene honkbalknuppel blauw met wit was en de ander geel. Een andere Marokkaan had een lege fles [whisky] bij zich. Volgens mij was de fles nog heel. Een van de Marokkanen had alleen een t-shirt aan. Hij had ook een wond bij zijn linkeroog. Deze Marokkaan was het meest opgefokt. De anderen hadden een vest of jasje aan. De man met de verwonding had een knuppel bij zich of die fles. Een van de Marokkanen, die met de verwonding aan zijn hoofd, ging voor [slachtoffer 1] staan. Hij duwde zijn hoofd tegen dat van [slachtoffer 1] aan, zij stonden kop aan kop. Ik zag dat een van de Marokkanen [slachtoffer 1] een klap met de honkbalknuppel op zijn achterhoofd gaf. Ik greep [slachtoffer 1] beet en trok hem weg. Ze sloegen echt hard en waren helemaal opgefokt. Ik hoorde [slachtoffer 1a] ook schreeuwen. Ik trok [slachtoffer 1] dus weg, maar die Marokkanen bleven achter ons aankomen en op een gegeven moment kreeg ik een klap op mijn hoofd van een honkbalknuppel. Het was niet hard, maar een tik. Ik had niet de indruk dat dit expres op mij gericht was. [slachtoffer 1a] was benauwd en had krassen op de borst.

- de verklaring van de getuige [getuige 1a] (afzonderlijk pv), inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Toen wij buiten stonden, kwam er een groepje Marokkanen aanlopen. Ik dacht dat het er 4 of 5 waren. Ik weet dat niet precies. Het waren dezelfde jongens die eerder die nacht ook binnen waren bij [naam café]. Ze liepen direct naar [slachtoffer 1] toe. Ik stond een paar meter verderop, onder het dakje van de [naam winkel]. Dit is een portiekje. Ik zag dat twee van die personen honkbalknuppels in hun handen had. Een had een lege whiskyfles in zijn hand. Het was zo’n vierkante fles. Die jongen met die fles ging voor [slachtoffer 1] staan. Ik hoorde hem zeggen: “Jij was erbij.” Hierbij hield hij de fles voor [slachtoffer 1] zijn hoofd. Hij drukte de fles ook een paar keer tegen het hoofd van [slachtoffer 1]. Ik hoorde [slachtoffer 1] zeggen: “Waar heb jij het over.” Op hetzelfde moment zag ik dat een van de Marokkanen met de honkbalknuppel tegen het achterhoofd van [slachtoffer 1] sloeg. Ook hoorde ik de knal. Het was een aluminium knuppel. Een van de Marokkanen heeft [slachtoffer 1a] ook belaagd. De jongen met de fles was gewond bij zijn wenkbrauw.

- de verklaring van medeverdachte [MV1] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Ik ben vanuit [A], met een viertal vrienden te weten [MV2] en [MV3] en twee die ik niet zo goed ken, in de groene Ford Ka van mijn moeder naar [B] gereden. We zijn vervolgens met zijn vijven naar [naam café] gegaan. Het was dus gezellig. Op een gegeven moment kwam er een jongen uit [B] naar mij toe. Hij vroeg aan mij waar ik vandaan kwam. Ik vertelde dat ik uit [B] kwam. Hij gaf mij een hand en vond het leuk dat ik uit [B] kwam. Ik kende deze jongen niet. Ik weet ook niet hoe hij heette. Het was een lange blonde jongen met kort haar. Volgens mij heeft hij ook aan de andere jongens gevraagd waar ze vandaan kwamen. In ieder geval aan [MV2]. Op een gegeven moment wilden we met zijn vijven naar [naam café]]. Een kroeg verderop in [B]. We gingen naar buiten. Ik liep al voorop op de [straatnaam]. Ik keek toen achterom waar de andere vier bleven en toen zag ik ze vechten. [MV3] en die blonde jongen en twee anderen. [MV2] stond erbij, maar was niet aan het vechten. Er vielen over en weer klappen. Het ging heel snel over. Het was kort. Na het gevecht kwamen die vier jongens ook de [straatnaam] oplopen. Ik zag dat een van hen een wond op zijn voorhoofd had. Ik zag dat het bloedde. Hij had een flinke klap gehad. Het was niet [MV3] die de klap had gehad.

Ik ben toen naar mijn zus in [B] gegaan. De andere vier jongens gingen ergens anders heen. Later die avond ben ik teruggegaan naar de [naam café]. Ik zag toen dat het een chaos was voor de [naam café]. Een geschreeuw van mensen. Een meisje was helemaal hysterisch. Deze heb ik nog geprobeerd te kalmeren, maar ze zag mij niet eens staan. Ik zag ook die drie buitenlandse jongens, waarmee [MV2] en ik die avond in [naam café] hadden gezeten. Zij waren erg boos en schreeuwden. Ik zag dat een van hen zwaaide met een knuppel. [MV3] niet. Op een gegeven moment liepen [MV2], [MV3] en die andere twee jongens hard weg.

Ik had in het begin van de avond al afgesproken met [MV2] dat ik hem naar huis zou brengen. Ik stapte in mijn auto en toen zag ik dat een vrouw een foto van mij en de auto maakte. (…) Ik heb alle vier de jongens opgepikt en ben met hen naar [A] gereden. Ik heb de jongens op het Plein, aan het begin van de stad, in [A] afgezet. Ik heb [MV2] en [MV3] richting [straatnaam] gebracht.

- de verklaring van medeverdachte [MV2] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

U vraagt mij hoe ik zaterdagavond 8 oktober 2011 in [B] terecht ben gekomen. Ik ben zaterdag 8 oktober 2011 samen met MV3], [MV4] en [MV1] in [B] wezen stappen. [MV1] woont in [B] en ik had met [MV1] afgesproken dat wij in [B] zouden stappen. [MV3] en [MV4] waren bij mij toen [MV1] met zijn auto bij mij kwam. [MV3] en [MV4] zijn toen samen met [MV1] en mij meegegaan naar [B] in de auto van [MV1]. Wij zijn naar [B] gereden en [MV1] heeft zijn auto op de grote parkeerplaats in [B] geparkeerd. Daar zijn wij met z’n vieren uitgestapt en zijn wij te voet [B] ingegaan. Wij zijn meteen naar [naam café] gelopen. Het was toen tegen middernacht. In [naam café] zaten we al een hele tijd, ik schat anderhalf uur, toen er een blanke jongen, normaal postuur, lengte 1.85 m, met een geblondeerd matje, op ons af kwam die [MV4] aansprak. Toen wij buiten kwamen zag en hoorde ik dat de jongen die ons binnen had aangesproken “debiel” in onze richting riep. Ik hoorde dat [MV4] tegen de jongen riep: “tegen wie heb jij het?” Tegen jullie allemaal, kreeg [MV4] als antwoord terug. Hierop liepen [MV4] en [MV3] naar de jongen met het matje en ik zag dat de jongen met het matje [MV3] een vuistslag op zijn kaak gaf. Hierna vochten [MV3] en [MV4] met de jongen met het matje en een andere jongen. Er werden over en weer vuistslagen uitgedeeld. Ik heb mij er niet mee bemoeid, evenals [MV1] die zich ook afzijdig hield. De vechtpartij duurde ongeveer een minuut. [MV4] zei dat hij naar iemand in [B] ging. [MV1], [MV3] en [MV2] gingen naar de auto van [MV1]. [MV1] parkeerde de auto vervolgens dichterbij de [naam café]. We wachten daar op [MV4] die even later terugkwam met twee honkbalknuppels. [MV4] vraagt [MV3] dan om mee terug te gaan naar [naam café]. [MV3] kreeg ook een honkbalknuppel. [MV1] en ik liepen mee naar de [naam café]. Ik zag dat [MV4] een Turkse jongen, die voor [naam café] met een meisje stond te praten, vanuit het niets met de honkbalknuppel sloeg. Ik zag dat [MV4] de honkbalknuppel met twee handen vasthield en de Turkse jongen van opzij op zijn gezicht sloeg. Ik denk dat de Turkse jongen de slag nooit heeft zien aankomen. Hierna zijn wij, [MV1], [MV4], [MV3] en ik naar de auto van [MV1] gerend. Wij liepen vanaf [naam café] rechts een straat in en [MV4], [MV3] en ik liepen voorbij het steegje naar de parkeerplaats waar de auto van [MV1] geparkeerd stond. Ik zag dat [MV4] tijdens het rennen met de honkbalknuppel een achterruit van een geparkeerde auto insloeg. Wij zijn nog een einde doorgerend en hebben aan het eind van de straat gewacht op [MV1] die de auto heeft opgehaald.

De vierde man uit Meppel is [MV5]. [MV5] was ook betrokken bij de eerste vechtpartij. [MV5] heeft door de klappen die hij heeft gekregen een bloedende wenkbrauw gekregen. Het was het idee van [MV4] om de auto dichterbij de [naam café] te parkeren. De knuppels zijn na de vechtpartij in de auto van [MV1] gelegd. [MV4] vertelde dat hij de knuppels wel terugwilde, omdat hij ze nog terug moest brengen. Na de vechtpartij is [MV1] met de andere jongens in de auto naar [A] gereden.

De verklaring van de medeverdachte [MV5] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

Die avond daar was ik inderdaad in [B]. Ik was samen met [MV3], [MV4], [MV2] en [MV1]. Wij zijn daar gekomen met de auto van [MV1]. Hij heeft een Ford Ka. Wij waren met zijn vieren in het centrum van [A]. [MV1] heeft ons daar opgehaald. Ik weet niet hoe laat dit was. Wij hebben de auto geparkeerd aan het einde van de winkelstraat, op een parkeerplaats. Daarna zijn we het centrum van [B] in gegaan. Wij zijn met z’n vijven naar de [naam café] gegaan. Er ontstond binnen al enige spanning. Toen we naar buiten gingen kwamen er een paar jongens naar ons toe en zeiden tegen ons: ga terug naar [A]. Ook werden wij uitgescholden voor debielen. Eentje stond voorop en die gaf mij een klap op mijn hoofd. Ik voelde direct pijn en bloed. Ook kreeg ik direct een klap op mijn achterhoofd. Ik zag [MV3] op de grond liggen, Hij was naar de grond getrapt en kreeg klappen. Later hoorde ik dat de andere drie, [MV4], [MV2] en [MV1] ook klappen hadden gehad. Nadat ik geslagen was en ik gewond was aan mijn linkerwenkbrauw ben ik naar een pizzeria gerend en daar heb ik servetten gepakt en heb tijdens het rennen de wond aan mijn wenkbrauw schoongemaakt. [MV2], [MV3] en [MV4] liepen bij mij en ondersteunden mij want ik was behoorlijk dizzy. Wij hebben ons ergens verstopt omdat wij bang waren dat die groep achter ons aan zou komen. Wij zijn van onze verstopplaats naar de parkeerplaats waar de auto van [MV1] stond gelopen.

Na de eerste vechtpartij zijn we teruggegaan naar de [naam café]. Ik heb voor de [naam café] met een Turkse jongen en een meisje staan praten. Ik was niet agressief. Ik wist wel dat deze jongen niet bij het eerdere incident betrokken was geweest. Ik heb niemand met een knuppel geslagen.

- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [ ], inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat hij op 9 oktober 2011 omstreeks 03:00 uur te [A] een groep jongeren onder wie [MV4], [MV3], [MV2] en [MV5] zag staan. Hij zag dat [MV5] een verse hoofdwond had ter hoogte van zijn linker wenkbrauw.

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [ ], inhoudende een analyse van de videobeelden gemaakt met de bewakingscamera voor de [naam café] ten tijde van het incident, waarin onder meer staat vermeld dat één van de personen met een knuppel een opvallend trainingspak draagt.

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [ ], onder meer inhoudende dat door MV3] die avond een opvallend trainingspak wordt gedragen.

- de zich in het dossier bevindende en ter terechtzitting getoonde videobeelden die zijn gemaakt op de nacht van 9 oktober door een bewakingscamera van de [naam café], met name film 2 omstreeks de vijfde minuut waarop is te zien dat aangever met een honkbalknuppel wordt geslagen en wat daarvoor en daarna gebeurde.

Feit 2:

- de aangifte van [slachtoffer 2] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat in de nacht van 8 op 9 oktober 2011 omstreeks 01:45 uur de achterruit van zijn auto is vernield. De auto stond geparkeerd in de [straatnaam] te [B].

- de verklaring van de getuige [getuige 2a], inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat hij op 9 oktober 2011 omstreeks 01:45 uur rumoer hoorde vanuit de richting van [naam café]. Hij keek naar buiten en zag vier jongens de hoek van de [straatnaam] om komen. Hij zag dat één van deze jongens (een Marokkaans type) een honkbalknuppel in zijn hand had. Deze jongen was erg opgefokt. Zij bleven even staan en renden toen verder de [straatnaam] in. Getuige zag vervolgens dat de jongen met de honkbalknuppel de achterruit van een aldaar geparkeerde auto insloeg. Terwijl getuige 112 belde is zijn vriendin, getuige/aangeefster [getuige 2b], achter de jongens aangelopen en heeft foto’s gemaakt van de auto waarin deze jongens zijn vertrokken.

- de verklaring van medeverdachte [MV2] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven:

(…) Wij liepen vanaf [naam café] rechts een straat in en [MV4], [MV3] en ik liepen voorbij het steegje naar de parkeerplaats waar de auto van [MV1] geparkeerd stond. Ik zag dat [MV4] tijdens het rennen met de honkbalknuppel een achterruit van een geparkeerde auto insloeg.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

[MV4], [MV3], [MV2], [MV5] en [MV1] zijn met z’n vijven met de auto van [MV1] naar [B] gegaan. In [naam café] ontstond onenigheid met een andere groep jongeren. Buiten het café heeft vervolgens een korte vechtpartij plaatsgehad waarbij in elk geval [MV4], [MV3] en [MV5] betrokken waren. De rechtbank leidt dit af uit de verklaringen van [MV1], [MV2] en [MV5]. [MV5] is hierbij gewond geraakt aan zijn (voor-)hoofd. Hierna zijn voornoemde verdachten weggegaan. Na enige tijd zijn zij teruggegaan naar de [naam café]. Twee verdachten hebben dan een honkbalknuppel bij zich, zo blijkt uit de verklaringen van aangever, [slachtoffer 1a], [getuige 1b], [getuige 1a], [MV1] en [MV2].

[MV3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij één van degenen was die een knuppel had. Dit komt overeen met de videobeelden die ter terechtzitting zijn getoond. Ook blijkt uit deze beelden dat [MV3] niet degene was die aangever sloeg met een honkbalknuppel. Over wie de andere knuppel had en wie daarmee heeft geslagen lopen de verklaringen uiteen. Uit de aangifte en de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 1a], [getuige 1b] en [getuige 1a] blijkt dat de tweede knuppel niet werd gedragen door [MV2]. [MV4] en [MV5] hebben beiden ontkend dat zij een knuppel hadden.

Voor de ingang van [naam café] stond aangever [slachtoffer 1] met getuige [getuige 1a] te praten. Aangever werd toen door één van de jongens met een honkbalknuppel tegen zijn achterhoofd geslagen.

[MV2] heeft bij de politie een gedetailleerde verklaring afgelegd en verklaard dat [MV4] degene was die [slachtoffer 1] met de knuppel geslagen heeft. [MV3] heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen en [MV1] heeft verklaard dat hij niet gezien heeft wie de knuppel had. Bij de rechter-commissaris hebben zowel [MV2] als [MV3] gezegd dat [MV5] degene was die [slachtoffer 1] met de knuppel geslagen heeft. [MV2] verklaart dan: “Voor [naam café] stond een jongen waar [MV5] voor ging staan. Hij sloeg hem op korte afstand met de knuppel.” [MV3] verklaart bij de rechter-commissaris: “Ik zag dat [MV5] een Turkse jongen een klap met de knuppel gaf (…) Wij kwamen voor hem van de zijkant. [MV4] en [MV5] liepen samen naar de jongen. [MV5] liep voorop en gaf een klap. (…) Ik stond met [MV4] achter [MV5]”.

Uit de ter terechtzitting getoonde videobeelden van de bewakingscamera van [naam café], de aangifte, de verklaringen van [slachtoffer 1a] en [gertuige 1b] en de bij de politie afgelegde verklaring van [MV2], blijkt dat deze door [MV3] en [MV2] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen niet overeenstemmen met de feitelijke gang van zaken. Uit deze beelden en uit deze verklaringen blijkt dat één jongen vlak voor [slachtoffer 1] gaat staan terwijl de andere jongen schuin achter hem staat met een knuppel. [slachtoffer] wordt vervolgens door de jongen die schuin achter hem staat van achteren tegen zijn achterhoofd geslagen. Gelet hierop legt de rechtbank de verklaringen van [MV3] en [MV2] bij de rechter-commissaris terzijde als zijnde kennelijk leugenachtig. De rechtbank gaat uit van de eerder door [MV2] bij de politie afgelegde verklaring zoals hiervoor is weergegeven, die overeenkomt met de aangifte, de verklaringen van voornoemde getuigen en de videobeelden.

Uit de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 1a] en [getuige 1b] blijkt voorts dat de jongen die voor [slachtoffer 1] gaat staan een hoofdwond heeft. [MV5] heeft, zo blijkt uit zijn eigen verklaring en het proces-verbaal van bevindingen van de politie een hoofdwond.

De rechtbank komt op grond van vorenstaande bewijsmiddelen tot de conclusie dat [MV5] degene was die voor [slachtoffer 1] is gaan staan en dat [MV4] degene was die schuin achter [slachtoffer 1] stond en hem met de honkbalknuppel tegen het hoofd heeft geslagen.

[MV4] heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1].

De rechtbank acht gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ook wettig en overtuigend bewezen dat [MV4] vervolgens in de [straatnaam] de achterruit van de auto van aangever [slachtoffer 2] heeft ingeslagen met de honkbalknuppel.

Feit 3:

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

- de aangifte van [slachtoffer 3] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat zij op 25 oktober 2011 te [A] met collega’s naar de woning van verdachte [MV4] ging om deze aan te houden. [MV4] was vanaf het begin van de aanhouding verbaal erg agressief. Op een gegeven moment hoorde zij [MV4] zeggen: “vieze vuile kuthoer”. [MV4] keek aangeefster hierbij aan. [MV4] sprak deze woorden in het openbaar en in het bijzijn van anderen. Nadat [MV4] in de politiebus was gezet hoorde aangeefster dat hij riep: “kankerhoer”.

- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [ ] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat hij hoorde dat [MV4] bij zijn aanhouding zeer agressief was en dat hij de woorden: “vieze vuile kuthoer” tegen aangeefster sprak.

- de bekennende verklaring van de verdachte , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat hij kwaad was en dat hij de politie heeft uitgescholden.

De raadsman heeft ter terechtzitting ontslag van alle rechtsvervolging van het onder 3 ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat sprake was van noodweerexces. Verdachte werd door aangeefster bij zijn aanhouding hard aan zijn oor getrokken. Verdachte heeft volgens de raadsman gehandeld als gevolg van een hevige gemoedstoestand als bedoeld in artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Deze hevige gemoedstoestand is veroorzaakt door de boosheid en pijn veroorzaakt door het trekken aan zijn oor.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweerexces nu sprake was van een (rechtmatige) aanhoudingssituatie door politieambtenaren die naar de woning van verdachte gingen om verdachte aan te houden. In plaats van mee te werken aan zijn aanhouding en rustig met verbalisanten mee te gaan naar het politiebureau, heeft verdachte zich tegen zijn aanhouding verzet, geweigerd om de deur voor de politie open te maken, en zich -zo blijkt uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal- fors verbaal agressief jegens aangeefster en haar collega’s uitgelaten.

Om een geslaagd beroep op noodweerexces te doen is vereist dat verdachte eerst in een noodweer situatie heeft verkeerd, een situatie waarin er sprake is van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt dat hiervan sprake was.

Feit 5:

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

- de aangifte van [slachtoffer 5] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik liep van mijn flat naar de woning van mijn moeder. Op het basketbalveldje zag ik 8 of 9 personen zitten. Ik ben naar de groep toe gelopen. Ik zei tegen de groep: “Het is toch klaar?” Dat zei ik omdat we al met elkaar gesproken hadden. Ik hoorde en zag dat (ze) begon(nen) te lachen. Ik wou toen weg lopen. Ik voelde op het moment dat ik weg liep dat ik van achter, achterover getrokken werd. Ik voelde vervolgens klappen tegen mijn hoofd, kaak en neus. Ik voelde door deze klappen pijn. Ik zag dat [MV2] mij als eerste of als tweede klappen gaf. Ik zag een persoon welke ik herken als “[MV4]”, welke het broertje is van [naam], mij ook klappen gaf. Ik heb tot aan de voordeur van mijn flat, aan de [adres slachtoffer 5], klappen gekregen.

- de aanvullende verklaring [slachtoffer 5] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven

Op een gegeven moment zag ik de jongens. Ik ben er heen gelopen. Er ontstond een woordenwisseling tussen [MV2], [MV4] en mij. Ik wilde weglopen en toen begonnen zij te slaan. Ze kwamen allemaal op mij af. Ik werd van achteren geslagen. Toen ik mij omdraaide stond [MV4] het dichtste bij mij. Daarna werd ik door de anderen geslagen en geschopt. Een mij onbekende jongen heeft in mijn gezicht geschopt. Ik ben weggerend naar mijn huis toe. De jongens kwamen achter mij aan en bleven mij slaan. Ik deed de beneden deur open en ging naar binnen. Die jongens kwamen achter mij aan. Ik kwam bij mijn voordeur. De jongens kwamen achter mij aan. [MV4] duwde de anderen opzij en zei tegen mij: we gaan even mee naar binnen. Ik zei van nee, opdonderen. Toen zijn ze weggegaan. De jongens waren met een stuk of 8 of 9.

- de geneeskundige verklaring inhoudende het bij aangever [slachtoffer 5] geconstateerde letsel, opgemaakt door [naam huisarts].

- de verklaring van [MV3] (p. 89 e.v.), inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat hij met een groep jongens, waaronder [MV2] en [MV4], op het veldje bij de [straatnaam] was, dat [slachtoffer 5] eraan kwam lopen, dat [slachtoffer 5] en [MV4] met elkaar in gevecht raakten en dat hij en [MV4] en de andere jongens daarna achter [slachtoffer 5] aan zijn gegaan naar zijn flat.

- de verklaring van verdachte [MV2] (p. 29 e.v.), inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat hij met andere jongens, waaronder [MV4], [MV5] en [MV3], op een voetbalveldje was. Hij verklaart: Nadat [MV4] een klap van [slactoffer 5] had gekregen, sprong [MV4] bovenop [slachtoffer 5], waardoor [slachtoffer 5] op de grond viel. Hierna gaf [MV4] [slachtoffer 5] klappen. [MV4] zit dan bovenop [slachtoffer 5] die op zijn rug op de grond ligt. [MV4] stompt [slachtoffer 5] op zijn hoofd. [AA] wil vervolgens [MV4] van [slachtoffer 5] af trekken. [AA] wordt hierin belet door mijzelf en de andere jongens. We zijn voor [AA] gaan staan en hebben hem weggeduwd. Toen [slachtoffer 5] wegging had hij bloed. Vervolgens zijn alle jongens achter [slachtoffer 5] aangegaan, naar zijn flat. Eenmaal bij de flat is [slachtoffer 5] naar binnen gegaan. [MV4] is nog wel naar boven, naar de verdieping van de woning van [slachtoffer 5], gegaan.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feitelijke gang van zaken. Op 18 augustus 2011 liep aangever [slachtoffer 5] langs een groep jongens aanwezig op een (voetbal)veldje nabij zijn flat aan de [adres slachtoffer 5]. Er ontstond een vechtpartij tussen aangever en de groep waarbij in elk geval [MV2] en [MV4] betrokken waren en waarbij [slachtoffer 5] gewond is geraakt. Uit de verklaringen van aangever blijkt dat hij vervolgens werd achtervolgd door de groep toen hij naar zijn woning vluchtte.

[MV2] heeft bij zijn tweede verhoor bij de politie gedetailleerd verklaard over de vechtpartij op het veldje tussen aangever en [MV4], over het feit dat [MV4] aangever op de grond smeet en bovenop hem ging zitten en aangever op zijn gezicht sloeg, over het feit dat hij [MV2], [MV3] en [MV5], [AA] hebben tegengehouden toen hij [MV4] van aangever af wilde trekken, en over het feit dat de groep, waar [MV4] en hij ([MV2]) ook deel van uitmaakten, aangever achterna is gegaan. De verklaring van verdachte [MV4] dat het aangever was die bovenop hem zat en hem sloeg, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Dit scenario is in strijd met hetgeen aangever heeft verklaard en met het bij aangever geconstateerde letsel. De rechtbank is op grond van bovenstaande bewijsmiddelen van oordeel dat [MV4] en [MV2] een actieve rol hebben gehad en een significante bijdrage hebben geleverd aan het tot stand komen van het geweld richting aangever [slachtoffer 5]. Verdachte had zich op het moment dat de ruzie ontstond op het voetbalveldje kunnen distantiëren van het geweld of kunnen ingrijpen en de-escaleren. Verdachte heeft dit niet gedaan maar is boven op aangever gaan zitten en heeft hem meerdere malen geslagen en gestompt en is vervolgens samen met anderen aangever achterna gelopen toen deze een veilig heenkomen zocht. Reeds hieruit blijkt dat verdachte op een nauwe en bewuste wijze heeft samengewerkt met anderen en zij als groep hebben gehandeld.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, onder 2, onder 3 en onder 5 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 09 oktober 2011 te [B], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een honkbalknuppel, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 09 oktober 2011 te [B], opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een aan de [straatnaam] staande auto (Renault Laguna), toebehorende aan [slachtoffer 2], heeft beschadigd;

3.

(parketnummer 19/700529-11)

hij op 25 oktober 2011 te [A] opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3], gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "vieze vuile kuthoer" en "kankerhoer";

5.

parketnummer 19/700481-11

hij op 18 augustus 2011 te [A] met anderen, op de openbare plaats, te weten op een veldje nabij de [straatnaam], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 5], welk geweld bestond uit het slaan en stompen van die [slachtoffer 5].

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 subsidiair, onder 2, onder 3 en onder 5 primair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: vernieling,

strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

onder 3: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening,

strafbaar gesteld bij artikel 266 juncto artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 5 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen,

strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

Over verdachte is multidisciplinair gerapporteerd door de deskundigen L.H.M. Berg, kinder- en jeugdpsychiater (27 januari 2012 en 14 april 2012) en J. Harkink, gz-psycholoog (3 april 2012).

Uit de bevindingen en de daaruit voortvloeiende conclusies van het psychiatrisch onderzoek van L.H.M. Berg d.d.14 april 2012 komt het volgende naar voren.

Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een post traumatische stress stoornis in remissie en een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven. Omdat verdachte het tenlastegelegde ontkent is een eventueel verband tussen het tenlastegelegde en de ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet te beoordelen.

Verdachte schiet vanuit zijn persoonlijkheidsstructuur tekort in het adequaat omgaan met stress, angsten en spanningen passend bij de beschreven persoonlijkheidsstoornis, waardoor de angsten zozeer kunnen oplopen dat controle verlies kan volgen. Verdachte weet dat dergelijke agressieve escalaties ongeoorloofd zijn en verdachte beseft goed hoe ernstig en grensoverschrijdend het tenlastegelegde is. Gezien de oplopende spanningen, stress en het controle verlies, zou verdachte ten tijde van het tenlastegelegde echter onvoldoende in staat zijn om hiernaar te handelen. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard adviseert

onderzoeker om verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. In dat geval wordt voorts de kans op recidive groot geacht, wanneer sprake is van een herhaling van soortgelijke incidenten of omstandigheden (waarbij verdachte zich toenemend gespannen, angstig en onmachtig voelt).

In geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt adviseert onderzoeker een langdurige intensieve begeleiding en controle door de Jeugdreclassering om te komen tot een goede re-integratie. Het vinden van een daginvulling met een duidelijke externe structuur is voor verdachte belangrijk, naast de aanwezigheid van heldere en eenduidige gedragsregels. Daarnaast is het belangrijk dat verdachte voldoende zicht krijgt op zijn persoonlijkheid en de oplossingsstrategieën die hij toepast. Verdachte zou tijdens zijn verblijf in de JJI in dit opzicht duidelijk leerbaar en veranderbaar zijn gebleken. In dit licht acht onderzoeker het van belang dat verdachte de eerder door Accare voorgestelde EMDR behandeling als ook de groepsbehandeling gaat volgen. Geadviseerd wordt om verdachte naast de strafafdoening een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met vorenstaande als bijzondere voorwaarden. Hierbinnen lijkt een ITB-traject een passend voorstel, naast de eerder genoemde behandeling binnen Accare.

Uit de bevindingen en de daaruit voortvloeiende conclusies van het psychologisch onderzoek van J. Harkink d.d. 3 april 2012 komt het volgende naar voren.

Bij verdachte is sprake van een persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling met antisociale en narcistische trekken. De vraag of deze gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens verdachtes handelen ten tijde van het tenlastelegde beïnvloedde kan niet beantwoord worden omdat verdachte het tenlastegelegde ontkend. Gelet hierop kan evenmin iets gezegd worden over de toerekeningsvatbaarheid.

Verdachte heeft de neiging zich te verschansen in een rationaliserende en externaliserende houding, waarbij hij frustraties over zijn levensloop projecteert op politie en justitie. In de ogen van onderzoeker kan deze ontwikkeling nog wel gekeerd worden, maar daartoe is nu adequaat interveniëren wel noodzakelijk. Onderzoeker acht het van belang dat verdachte begeleiding krijgt van een hulpverlener tegen wie hij geen wantrouwen koestert. Verdere begeleiding door [naam jeugdreclasseringswerker] van Bureau Jeugdzorg is dan ook ten zeerste aangewezen.[naam jeugdreclasseringswerker] heeft een vertrouwensband met verdachte in de zin dat hij nog gezag representeert dat in de ogen van verdachte te vertrouwen is. Voorts is nog steeds aangewezen verdachte een behandeling gericht op omgang met de dood van vader aan te bieden. EMDR lijkt hiervoor de meest geschikte therapievorm. Dit is aangewezen omdat de moord op vader nog steeds een bepalende invloed heeft op de persoonlijkheidsontwikkeling maar ook de maatschappelijke inbedding van onderzochte. Beoogd doel van een traumabehandeling is dat hij leert omgaan met het trauma in plaats van dat hij het trauma zijn leven laat bepalen. Behandeling van trauma en cognitieve distorties kan plaatsvinden bij een forensisch psychiatrische polikliniek zoals Accare als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Om de jeugdreclasseerder de mogelijkheid te geven verdachte voldoende structuur en begeleiding te bieden wordt geadviseerd begeleiding bij voorkeur opnieuw in het kader van een ITB vorm te geven.

De rechtbank neemt voornoemde conclusies over in die zin dat zij verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd voor alle bewezen verklaarde feiten.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte, de oriëntatiepunten voor de straftoemeting, de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 20 maart 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van misdrijven is veroordeeld, alsmede de over verdachte uitgebrachte rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming (4 april 2012), de Jeugdreclassering (12 april 2012), het Pro Justitia onderzoek van de psychiater L.H.M. Berg (27 januari 2012 en 14 april 2012) en het Pro Justitia onderzoek van de psycholoog

J. Harkink (3 april 2012).

Uit voornoemde onderzoeken blijkt dat sprake is van PTSS in remissie en een persoonlijkheidsstoornis NAO. Er is sprake van een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte ten gevolge van ervaren agressieve incidenten, waarbij naast de moord op zijn vader ook de aanhouding met verzet door de politie in 2010 effect gesorteerd heeft op de persoonlijkheidsontwikkeling. Deze scheefgroei is zich gaan kenmerken in die zin dat bij ervaren spanning en angst het copingarsenaal tekort schiet. Afweermechanismen als externaliseren en agressie krijgen dan de overhand en verdachte is dan niet meer in staat deze afweermechanismen in bedwang dan wel onder controle te houden.

Het wordt van belang geacht dat verdachte copingvaardigheden leert voor de momenten dat hij bij oplopende spanning en angst de controle dreigt te verliezen. Daartoe is EMDR een aangewezen behandelmethode. Anderzijds achten rapporteurs het raadzaam verdachte deel te laten nemen aan een groepsdelict behandeling, dan wel een individueel delict behandelcontract, waarbinnen het leren herkennen van signalen en het aanleren van copingvaardigheden centraal staat.

Daarnaast acht men van belang om langdurig intensieve begeleiding te bieden door de reclassering bij voorkeur in de vorm van ITB-Harde Kern of CRIEM, gezien de intensieve behandelmogelijkheid. Intensieve controle is nodig, daar het gezin van herkomst op basis van cultuur en systeemkenmerken weinig corrigeer mogelijkheden kent.

De Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering adviseren, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen (waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk zal zijn aan het voorarrest) met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich dient te houden aan aanwijzingen van de jeugdreclassering, hetgeen mede inhoudt dat hij meewerkt aan een ITB-Harde Kern traject en waarbinnen aandacht wordt besteed aan het opgroeien in meerdere culturen, alsmede dat hij meewerkt aan een behandeling (EMDR) door Accare/FJP.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en aan openlijke geweldpleging en voorts aan een vernieling en een belediging van een politieagente.

Bij het bewezen verklaarde feit 1 heeft verdachte zich met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen het slachtoffer ([slachtoffer 1]). Dit openlijk geweld heeft 's nachts in de binnenstad van [B] plaatsgevonden. Omdat de rechtbank bewezen acht dat verdachte degene was die bij dat openlijk geweld gebruik heeft gemaakt van een honkbalknuppel, waarmee hij het slachtoffer tegen het hoofd heeft geslagen, komt de rechtbank in het geval van verdachte tot bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling. De medeverdachten in deze zaak worden bij vonnis van heden veroordeeld wegens het plegen van openlijk geweld. Mede op basis van de camerabeelden is de rechtbank van oordeel dat het gedrag van het slachtoffer geen enkele aanleiding gaf voor welk optreden dan ook van de verdachten, laat staan het gewelddadige optreden dat bewezen is verklaard. Het handelen van verdachte kan daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden betiteld dan als zinloos geweld.

Bij het bewezen verklaarde feit 5 betrof het straatgeweld waarbij het slachtoffer ([slachtoffer 5]) door meerdere personen werd belaagd, mishandeld en werd achtervolgd tot hij zijn huis invluchtte. Verdachte heeft aangever daarbij meerdere keren geslagen en gestompt terwijl aangever op de grond lag. Verdachte heeft in de loop van het onderzoek wisselend en niet consistent en op punten leugenachtig verklaard. Kennelijk laat verdachte zich snel verleiden tot het plegen van (ernstige) strafbare feiten als hij met een groep vrienden is. Ook uit de reclasseringsrapportage blijkt dat dit een aandachtspunt is. Uitgaansgeweld en geweld op straat veroorzaken gevoelens van onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en bij uitgaanspubliek in het bijzonder.

Verdachte heeft zich niet gedistantieerd van het geweld. Verdachte neemt vervolgens niet de verantwoordelijkheid voor zijn handelen maar schuift de schuld op een ander. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

Verdachte werd bovendien recentelijk, in maart 2011, veroordeeld in verband met een geweldsdelict en liep daarvan nog in de proeftijd.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden is. Zij zal aan het voorwaardelijk deel van de straf de bijzondere voorwaarde van jeugdreclassering verbinden, zoals door de deskundigen en rapporteurs is geadviseerd.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen zal de rechtbank, gelet op artikel 77za WvSr, bepalen dat de opgelegde bijzondere voorwaarden en de op grond van artikel 77aa WvSr te verlenen hulp en steun en het op grond van artikel 14d, tweede lid, juncto 77aa WvSr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit (1) en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag van 750,00 euro acht zij voldoende aannemelijk gemaakt en niet onredelijk. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Mede gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn medeverdachten zal de rechtbank aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opleggen ter hoogte van zijn aandeel in de schade, dit aandeel wordt gesteld op één vierde deel te weten 187,50 euro.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)

Door de benadeelde partij is een vordering tot vergoeding van geleden materiële schade ingediend ten bedrage van 65,00 euro (schade aan de autoruit).

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 45, 47, 77a, 77h, 77i, 77v, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77gg, 141, 266, 267, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19.700667-10

Nu de verdachte, eerder veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie (van 90 dagen) bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Assen d.d. 15 maart 2011, zich tijdens de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, ziet de rechtbank aanleiding om te gelasten dat een gedeelte (te weten 30 dagen) van voormelde voorwaardelijke straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd. De rechtbank zal, in plaats van last te geven tot ten uitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie, gelasten dat deze jeugddetentie wordt omgezet in een taakstraf bestaande uit 60 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie van 30 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en onder 4 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 subsidiair, onder 2, onder 3 en onder 5 primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven zijn vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 8 (acht) maanden, waarvan een gedeelte groot 3 (drie) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Jeugdreclassering (Bureau Jeugdzorg Drenthe) met opdracht aan die instelling ingevolge art. 14d juncto artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, hetgeen mede inhoudt dat

- verdachte meewerkt aan voortzetting van het ITB-Harde Kern traject;

- verdachte meewerkt aan behandeling (EMDR en Startgroep) van Accare/FJP of een soortgelijke instelling;

- verdachte geen alcohol en/of (soft)drugs gebruikt en meewerkt aan controles hierop.

De rechtbank beveelt dat, gelet op artikel 77za WvSr, de opgelegde bijzondere voorwaarden en de op grond van artikel 77aa WvSr te verlenen hulp en steun en het op grond van artikel 14d, tweede lid, juncto 77aa WvSr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden (1 mei 2012).

De rechtbank veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1) van de som van € 750,00 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil, met dien verstande dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door één of meer mededaders is betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], een bedrag van € 187,50 (zijnde één vierde deel van het schadebedrag) te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 3 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2) van de som van € 65,00 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], een bedrag van € 65,00 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19.700667-10

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte, te weten 30 dagen jeugddetentie, van de bij vonnis d.d. 15 maart 2011 door de meervoudige strafkamer te Assen opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 90 dagen en gelast in plaats daarvan een taakstraf bestaande uit 60 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en tevens kinderrechter en mrs. J.G. de Bock en E.C.M. Wolfert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 1 mei 2012, zijnde mr. Wolfert buiten staat dit vonnis binnen de daarvoor bestemde termijn mede te ondertekenen.