Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BW3300

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
19.830002-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Politieambtenaar veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf wegens schending van zijn ambtsgeheim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830002-12

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 april 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum]1961,

wonende [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 06 april 2012.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 28 juli 2011, te Emmen, in ieder geval in Nederland, een

geheim, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat hij uit

hoofde van het ambt van politieagent en/of wettelijk voorschrift, te weten

artikel 7 van de Wet Politiegegevens verplicht was het te bewaren, opzettelijk

heeft geschonden,

immers heeft verdachte de informatie dat bij de politie bekend was dat

[naam betrokkene] de beschikking zou hebben over een vuurwapen en/of informatie over een (aanstaande) aanhouding (van die [naam betrokkene]) met inzet van een arrestatieteam en/of het feit dat er bij de politie een strafrechtelijk onderzoek gaande was tegen

die [naam betrokkene] opzettelijk (mondeling) verstrekt aan die [naam betrokkene], doordat hij, verdachte, tegen die [naam betrokkene] heeft gezegd: "waar ben jij mee bezig, heb jij een vuurwapen" en/of in het bijzijn van die [naam betrokkene] en/of zijn, verdachtes

echtgenote en/of dochter heeft gesproken over een eventuele aanhouding (van

die [naam betrokkene]) door een arrestatieteam.

art 272 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. O.F. Brouwer acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Verweren ten aanzien van de voorvragen

De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot het tenlastegelegde partieel nietig dient te worden verklaard.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat de in de tenlastelegging voorkomende vraag van verdachte, heb je een vuurwapen, gecombineerd met het gegeven dat verdachte bij de politie werkt, opgevat zou moeten worden als het prijs geven van de informatie dat er bij de politie een melding is binnengekomen dat [naam betrokkene] een wapen zou kunnen hebben. Zij stelt dat dat wel lenigheid in het interpreteren van de tenlastelegging vereist, want bekend zijn met iets wat mogelijk is, dat kan eigenlijk niet.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De tenlastelegging voldoet, naar het oordeel van de rechtbank, aan de vereisten die de wet daaraan in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. De wijze van formulering in de tenlastelegging is voldoende duidelijk en voldoende concreet. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdachte zich naar behoren tegen de aanklacht kunnen verdedigen.

Bewijsmotivering

Uit de stukken is gebleken dat verdachte, zijnde een politiemedewerker, op 28 juli 2010 op het politiebureau een aandachtsvestiging1 heeft gelezen, waarin stond vermeld dat de zonen van [naam betrokkene] vuurwapens zouden hebben.

[naam betrokkene] heeft verklaard2 dat hij van verdachte had gehoord dat hij vuurwapengevaarlijk zou zijn.

[getuige 1] heeft verklaard3 dat verdachte heeft verteld dat hij op 28 juli 2011 de vriend van zijn dochter heeft benaderd over informatie met betrekking tot vuurwapens. Die informatie had hij gelezen in de briefing. Hij vertelde dat hij die vriend, [naam betrokkene], had aangesproken met zoiets van "wat is er bij jullie aan de hand, en heb jij een vuurwapen?".

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op het politiebureau een aandachtvestiging heeft gelezen waarin stond dat de familie [naam betrokkene] vuurwapengevaarlijk zou zijn. Diezelfde dag, 28 juli 2011, trof hij [naam betrokkene] bij hem thuis te Emmen aan. Verdachte heeft toen tegen die [naam betrokkene] gezegd: "waar ben met bezig en heb je een vuurwapen."

De rechtbank is op grond van voormelde bewijsmiddelen -anders dan de raadsvrouw van verdachte- van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzettelijke schending van zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 272 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de door verdachte verstrekte informatie geen geheim betreft als bedoeld in voormeld artikel. Het politiegegeven (als bedoeld in artikel 1 en 7 van de Wet Politiegegevens) dat verdachte, als ambtenaar van politie, ter beschikking is gesteld -en welke informatie hij heeft doorgegeven-, betrof namelijk een gegeven over een geïdentificeerde natuurlijke persoon dat in het kader van de uitoefening van de politietaak werd verstrekt. Hierover diende verdachte op grond van artikel 7 van de Wet Politiegegevens geheimhouding te bewaren.

Daarnaast verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw dat verdachte geen opzet had op schending van bedoeld geheim, nu "oogmerk" en "boos opzet" geen onderdeel uitmaken van de delictsomschrijving. Daarbij komt dat verdachte heeft verklaard dat hij op de dag dat hij de aandachtvestiging heeft gelezen, contact heeft proberen op te nemen met zijn superieuren om te vragen hoe hij met de informatie moest omgaan. Toen hij met deze personen geen contact heeft kunnen krijgen, heeft verdachte toch de informatie aan [naam betrokkene] kenbaar gemaakt. Daarmee heeft verdachte opzettelijk zijn ambtsgeheim geschonden.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 juli 2011 te Emmen, een geheim, waarvan hij wist, dat hij uit hoofde van het ambt van politieagent en wettelijk voorschrift, te weten artikel 7 van de Wet Politiegegevens, verplicht was het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden,

immers heeft verdachte de informatie dat bij de politie bekend was dat [naam betrokkene] de beschikking zou hebben over een vuurwapen, opzettelijk mondeling verstrekt aan die [naam betrokkene], doordat hij, verdachte, tegen die [naam betrokkene] heeft gezegd: "waar ben jij mee bezig, heb jij een vuurwapen".

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank acht niet bewezen dat op 28 juli 2011 bij de politie informatie over een aanstaande aanhouding (van die [naam betrokkene]) met inzet van een arrestatieteam bekend was. Deze informatie blijkt niet uit de aandachtsvestiging. Verdachte kon daarom niet hebben geweten van een (eventuele) aanstaande aanhouding van die [naam betrokkene]. Tevens blijkt uit de aandachtsvestiging niet dat er een arrestatieteam zou worden ingezet. Op basis van zijn kennis als politieambtenaar kon verdachte wel inschatten dat bij een aanhouding van een vuurwapengevaarlijk persoon, een arrestatieteam zou worden ingezet, maar die inschatting meedelen brengt geen schending van het ambtsgeheim met zich. Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat er bij de politie een strafrechtelijk onderzoek tegen die [naam betrokkene] gaande was, noch dat verdachte -mocht dat wel zo zijn- daarvan op de hoogte was.

Kwalificatie

Het bewezen geachte levert op:

enig geheim, waarvan hij weet dat hij uit hoofde van ambt en wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden,

strafbaar gesteld bij artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard

en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheid waaronder dit feit is begaan en hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft vertrouwelijke informatie, die uit hoofde van zijn functie als politieambtenaar heeft verkregen, verstrekt aan de vriend van zijn dochter. Hij heeft daardoor zijn verplichting om deze informatie geheim te houden geschonden.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte dient te worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Hij heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat verdachte door zijn handelen een lopend strafrechtelijk onderzoek in gevaar heeft gebracht en dat de informatieverstrekking risico's voor de veiligheid van collega's heeft opgeleverd.

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit.

Hoewel verdachte niet de intentie heeft gehad het politieonderzoek naar het beweerde vuurwapenbezit bij de familie [naam betrokkene] te frustreren en hoewel hij niet op de hoogte was van de aard en omvang van de strafbare feiten waarvan de gebroeders [naam betrokkene] verdacht werden, heeft zijn mededeling aan [naam betrokkene] wel degelijk gevolgen gehad. De broers [naam betrokkene] waren door zijn mededeling gewaarschuwd, dat de politie beschikte over voor hen belastende informatie en daarmee waren zij ook voorbereid op een eventuele arrestatie, al dan niet met inzet van een arrestatieteam. Ongewild en onbewust -want uit onwetendheid- heeft verdachte zo toch een negatieve invloed gehad op het verloop van het strafrechtelijk onderzoek tegen de broers [naam betrokkene]. Dit blijkt uit de verklaring van recherchechef [naam].4

Verder heeft verdachte mogelijk ook de veiligheid in gevaar gebracht van de collega's die de broers [naam betrokkene] zouden arresteren. De broers [naam betrokkene] hebben bovendien de tijd gekregen om het vuurwapen onvindbaar te maken. Daarnaast heeft verdachte in algemene zin de integriteit van de politie geschonden.

De rechtbank is van oordeel, dat de schending van een geheim als bedoeld in artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht door een politieman onder de hiervoor omschreven omstandigheden in beginsel bestraft dient te worden met een vrijheidsbeperkende of vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank is evenwel in het onderhavige geval er van overtuigd dat verdachte in hoge mate heeft gehandeld om de belangen van zijn dochter te beschermen. Verdachte heeft namelijk -als vader- willen voorkomen dat zij bij een eventuele aanhouding van verdachte(n) door een arrestatieteam aanwezig zou zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat het een incident betreft, te meer nu de officier van justitie ter zitting heeft verklaard dat uit onderzoek niet anders is gebleken. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat het gebeuren grote impact heeft gehad op verdachte en diens gezin. (Tegen verdachte en diens echtgenote zijn inmiddels disciplinaire maatregelen getroffen). Bovendien heeft verdachte uit zichzelf, nadat hij met [naam betrokkene] heeft gesproken, openheid van zaken aan zijn superieuren en de recherche gegeven.

De rechtbank is op grond van de ernst van het feit, in samenhang met de hiervoor

weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval volstaan kan worden met een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

- een taakstraf bestaande uit 50 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat deze opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T. van Voorst, voorzitter, en mr. O.J. Bosker

en mr. C. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 20 april 2012.

1 op pagina 10 van het proces-verbaal van politie Drenthe, dossiernummer: BIZ 2011/18 (PV)

2 op pagina 43 van het PV

3 op pagina 72ev van het PV

4 op pagina 84 van het PV

??

??

??

??

Parketnummer: 19.830002-12

Uitspraak d.d.: 20 april 2012 6

vonnis