Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BW2304

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
10-02-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
19.830292-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

48 maanden gevangenisstraf voor een gewelddadige afpersing en een poging daaroe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830292-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 februari 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] ([land]) op [datum] 1987,

wonende te Emmen,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Ter Apel.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 27 januari 2012.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. T. Martens, advocaat te Assen.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Emmen, in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om

zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld

- [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een GSM (merk Nokia) en/of

- [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een GSM (merk LG) en/of van

een portemonnee met inhoud, in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader(s)

- toen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] op een fietspad, nabij het Oranjekanaal aan

het fietsen was/waren, uit aldaar bevindende bossages te voorschijn is/zijn

gekomen en vervolgens die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] op zijn/hun fiets(en) tot

stilstand heeft/hebben gedwongen en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend

heeft/hebben toegevoegd: "Geef je geld" en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een pistool, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp tegen het hoofd heeft/hebben gehouden, althans dat

pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een mes heeft/hebben voorgehouden en/of stekende

bewegingen met dat mes in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

heeft/hebben gemaakt en/of daarbij die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend

heeft/hebben toegevoegd: "Geef je spullen", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

althans

dat hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Emmen, in de gemeente Emmen, een GSM (merk Nokia) en/of een portemonnee heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwij1 hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krij gen van dat/die goed(eren) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Art 416 Wetboek van Strafrecht

art 417 bis Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 teen in de gemeente Emmen, ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, althans

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

- die [slachtoffer 3], die op een fietspad nabij het Oranjekanaal fietste, tot

stilstand heeft/hebben gedwongen en die [slachtoffer 3] dreigend heeft/hebben

toegevoegd: "meneer portemonnee" en/of

- die [slachtoffer 3], toen hij zijn portemonnee niet wenste af te geven, met een

mes in de rug heeft/hebben gestoken, althans gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

Tengevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging onder feit 1 primair in regel 5 "[slachtoffer 1]" in plaats van "[slachtoffer 2]" en in regel 6 "[slachtoffer 2]" in plaats van "[slachtoffer 1]". De rechtbank herstelt deze vergissingen door telkens het laatste te lezen in plaats van het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat "verdachte en/of zijn mededader(s)" lezen alsof daar staat "verdachte en/of zijn medeverdachte(n)". De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. G. Wilbrink acht hetgeen onder 1 primair en 2 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht;

* toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], groot

€ 170,00, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

* toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], groot

€ 478,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van het ontstaan van de schade, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverwegingen

De officier van justitie acht op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen

- mede gelet op dezelfde modus operandi- wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.

Verdachte en zijn raadsman hebben vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1 primair (de afpersing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) en feit 2 (de poging tot afpersing van [slachtoffer 3]). Verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij deze feiten en verklaart onder andere dat hij de bij hem aangetroffen GSM (merk Nokia) heeft gekregen en dat de bij hem aangetroffen portemonnee zijn eigendom is.

Volgens de raadsman kan feit 1 subsidiair (heling van de GSM) worden bewezen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de feiten, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, het volgende. Nadat er een melding van een beroving (feit 1) bij de politie binnenkomt wordt verdachte rond één uur, nadat de feiten 1 en 2 zijn gepleegd, in de omgeving van de plaats van de delicten wegrennend voor de politie aangetroffen. Verdachte blijkt te voldoen aan het opgegeven signalement van (één van) de dader(s) dat door de slachtoffers van de overvallen wordt gegeven. Verdachte heeft een donkere huidskleur en droeg een jas met capuchon. Bij verdachte wordt bij zijn fouillering een GSM (Nokia) aangetroffen, die door slachtoffer [slachtoffer 2] wordt herkend als de telefoon die hem is afgenomen. Verdachte verklaart wisselend hoe hij aan deze GSM komt. Eerst verklaart verdachte dat hij de GSM enige dagen ervoor heeft gevonden, later verklaart hij bij de politie dat hij de GSM van [betrokkene 1] heeft gekregen en op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij de GSM van [betrokkene 2] heeft gekregen op een tijdstip dat is gelegen vóór de overval. Tevens is bij de aanhouding van verdachte een lege zwarte leren portemonnee aangetroffen, welke portemonnee slachtoffer [slachtoffer 1] (onder het noemen van een aantal specifieke details) herkent als zijn eigendom. Verdachte verklaart over deze portemonnee dat hij deze een jaar geleden van [betrokkene 1] heeft gekregen. Op de zitting verklaart verdachte dat hij de portemonnee in Amsterdam heeft gekocht. [betrokkene 1] verklaart dat hij heeft gezien dat verdachte iets tegen een man die op een fietspad bij een bruggetje fietste (feit 2) heeft gezegd. Nadat die man doorreed heeft verdachte aldus [betrokkene 1] met een zwaaiende beweging uitgehaald naar die man. [betrokkene 1] verklaart tevens dat verdachte kort voor zijn aanhouding door de politie een voorwerp weggooide bij het fietspad. Later werd op die plaats een mes aangetroffen. Dit mes paste in het bij verdachte in de voering van zijn jas aangetroffen foedraal.

De rechtbank is van oordeel dat (mede) gelet het vorenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte feit 1 primair en feit 2 heeft begaan.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van deze feiten acht geslagen op de navolgende bewijsmiddelen:

- Slachtoffer [slachtoffer 1] verklaart1 dat hij tussen 22 oktober 2011 te 23.55 uur en 23 oktober 2011 te 00.05 uur te Emmen met [slachtoffer 2] over het fietspad dat parallel aan het Oranjekanaal loopt fietste. Hij zag een jongen uit de bosjes springen, die zwaaide met zijn handen. Slachtoffer is gestopt en [slachtoffer 2] ook. Het was een jongen met een donkere huidskleur. Hij droeg donkere kleding betrof. Hij zag dat er nog twee mannen links van hem bij kwamen. Één van die twee mannen hield slachtoffer een pistool vlak tegen het hoofd. Hij had een donkere huid. Alle drie de jongens gingen naar [slachtoffer 2]. De jongen met het pistool vroeg aan slachtoffer om zijn telefoon. Hij heeft zijn telefoon (merk LG) afgegeven. Het pistool werd weer gericht op zijn linker slaap. Daarop kwam de eerste jongen weer bij hem staan. Hij droeg een mes in zijn hand. Dat mes was een mes met een lemmet van ongeveer 20 centimeter. Die man maakte dreigende en stekende bewegingen naar slachtoffer terwijl die naar zijn portemonnee zocht. Hij gaf zijn portemonnee (met inhoud) af aan die man. De eerste man met het mes, liep naar [slachtoffer 2]. Slachtoffer hoorde dat die man tegen [slachtoffer 2] zei: "geef je spullen".

- Slachtoffer [slachtoffer 1] verklaart2 dat hij de hem getoonde inbeslaggenomen portemonnee herkent voor 100 procent als zijn eigendom. Hij herkent hem aan het logo en de knikjes in het leer.

- Slachtoffer [slachtoffer 2] verklaart3 dat hij met [slachtoffer 1] op een fietspad fietste. Hij zag drie mannen aan komen lopen. Hij zag dat zij alle drie naar [slachtoffer 1] liepen, waarna vervolgens één snel naar slachtoffer liep. Alle drie vroegen met een buitenlands accent in de Nederlandse taal om geld. Één van de mannen richtte een pistool op het hoofd van [slachtoffer 1] of hield dit er tegen aan. Er kwam ook een man bij slachtoffer staan. Deze vroeg volgens hem om geld. Slachtoffer haalde zijn telefoon (Nokia) uit zijn broekzak. De pincode is 6816. Hij gaf de telefoon af aan die man. Toen liepen die andere twee mannen welke aanvankelijk met [slachtoffer 1] bezig waren weg. Kort voordat de twee mannen weg liepen, richtte de man met het pistool zijn pistool nog op slachtoffer en zei: "Geld, Geld".

- Verbalisant [verbalisant 1] verklaart4 dat slachtoffer [slachtoffer 2] de hem getoonde (bij verdachte aangetroffen) telefoon, merk Nokia, herkent als zijn eigendom. Slachtoffer pakte de telefoon en schakelde deze aan met de pincode: [code].

- Slachtoffer [slachtoffer 3] verklaart5 dat hij op 22 oktober te 00.30 uur naar huis fietste via het fietspad langs het Oranjekanaal. Over het houtenbruggetje zag hij een donkere man. Het leek een Afrikaanse jongen. Die man gaf het slachtoffer een stopteken en hij stopte. Die man zei tegen het slachtoffer: "Meneer, portemonnee". Hij had een capuchon op. Er liep een tweede man naar voren. Slachtoffer zei tegen de eerste man: "Dat dacht ik niet" en is hard weggefietst en voelde dat er iemand aan zijn jas zat, ter hoogte van zijn rug. Hij was om 00.55 uur in thuis en ontdekte een snee door zijn jas en een kras op zijn rug. De eerste persoon droeg een capuchon over zijn hoofd met een soort flap. Hij geen sprak niet goed Nederlands. Hij had een donkere huidskleur.

- [betrokkene 1] verklaart6 dat hij in de nacht van 22 op 23 oktober 2011 tussen 00:30/00:45 uur en het moment van aanhouden door de politie die nacht betrokken is geweest bij de overval/beroving op een man die fietste bij het bruggetje. [betrokkene 1] fietste met verdachte achterop. Die man kwam hun tegemoet fietsen op het fietspad. Toen sprong verdachte van de fiets af en hoorde hem iets zeggen. De man reageerde erop met de woorden: "Bekijk het maar" en vervolgens fietste de man verdachte voorbij. Vervolgens zag [betrokkene 1] dat verdachte uithaalde, met een zwaaiende beweging naar de man. Verdachte keek de man op de rug. Op het moment dat verdachte riep van: politie, politie, rende hij weg en een voorwerp, donker van kleur, gooide hij weg bij het fietspad.

- Getuige [getuige 1]verklaart7 dat verdachte een mes en foedraal heeft verkocht in september 2011. Getuige herkent op de hem getoonde foto's het mes en het bijbehorende foedraal/de hoes.

- Verdachte verklaart8 dat hij op 23 oktober 2011 om 01.15 uur is aangehouden. Hij zat bij [betrokkene 1] achterop de fiets. Ze fietsten op het fietspad tussen de Veldstukken en Bargeres. Hij had een zwarte leren portemonnee bij zich en een mobiele telefoon. Het telefoonnummer en de pincode weet hij niet. In een jas die hij droeg zat een foedraal van een mes.

- Verdachte verklaart9 dat mogelijk het mes is gevallen toen hij voor de politie wegrende bij zijn aanhouding.

- Verbalisanten [verbalisanten 2 en 3] relateren10 dat bij verdachte inbeslag is genomen na zijn aanhouding: een portemonnee, kleur zwart; een lederen foedraal bestemd voor een mes in voering van jas die verdachte droeg; GSM, merk Nokia 2700 c, kleur zwart met zilveren rand. Verdachte droeg tijdens aanhouding: een herenjas, bruin suède (leer), 1/4 model, kleur zwart, voorzien van capuchon met bontkraag. Naar aanleiding van het aangetroffen foedraal is gezocht op de plaats of nabij de plaats van de aanhouding. Er werd een zilver- of chroomkleurig mes (model dolkmes), lengte van ongeveer 30 cm, voorzien van een zwart handvat, aangetroffen.

- Verbalisanten [verbalisanten 4 en 5] relateren11 dat aangever [slachtoffer 3] beschadigingen aan zijn jas, vest en T-shirt liet zien. Vermoedelijk zijn de beschadigingen aangebracht door een scherp voorwerp. Voorts zagen verbalisanten een kleine snee cq kras op de rechterzijde van de rug van aangever.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 23 oktober 2011 te Emmen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld

- [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een GSM (merk Nokia) en

- [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een GSM (merk LG) en van

een portemonnee met inhoud,

toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededachten

- toen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op een fietspad, nabij het Oranjekanaal aan het fietsen waren, uit aldaar bevindende bossages te voorschijn zijn gekomen en vervolgens die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op hun fietsen tot stilstand hebben gedwongen en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend hebben toegevoegd: "Geef je geld" en

- die [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd hebben gehouden,

en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een mes hebben voorgehouden en stekende bewegingen met dat mes in de richting van die [slachtoffer 1] hebben gemaakt en daarbij die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend hebben toegevoegd: "Geef je spullen";

2.

hij op 23 oktober 2011 te en in de gemeente Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit, dat hij

- die [slachtoffer 3], die op een fietspad nabij het Oranjekanaal fietste, dreigend heeft

toegevoegd: "meneer portemonnee" en

- die [slachtoffer 3], toen hij zijn portemonnee niet wenste af te geven, met een

mes in de rug heeft gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 primair en 2 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1 primair: Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 317 in verbinding met artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: Poging tot afpersing,

strafbaar gesteld bij artikel 317 in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bij de bepaling van de hierna te vermelden straf rekening gehouden met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft tezamen met anderen op of omstreeks 23 oktober 2011 te Emmen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door bedreiging met geweld gedwongen tot afgifte van GSM's en een portemonnee met inhoud. Even daarna heeft verdachte gepoogd om met geweld [slachtoffer 3] een geldbedrag af te dwingen.

De rechtbank rekent verdachte deze gekwalificeerde afpersing en poging tot afpersing in hoge mate aan. Deze laffe misdrijven vonden 's avonds laat op een verlaten fietspad plaats en gingen gepaard met ernstig geweld of bedreiging daarmee. Daarbij werd een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gebruikt. Slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden bedreigd met een mes en [slachtoffer 1] werd tevens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd gehouden. Slachtoffer [slachtoffer 3] werd nadat hij zijn portemonnee niet wenste af te geven en op zijn fiets wegreed door verdachte - door zijn dikke kleding heen- met een mes in zijn rug gesneden.

Dergelijke gebeurtenissen hebben een grote impact op de betrokken slachtoffers en het verstrekt het gevoel van onveiligheid in de maatschappij. Klaarblijkelijk heeft verdachte gehandeld voor eigen financieel gewin, zonder zich te bekommeren om de ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van en de gevolgen voor de slachtoffers.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging voorts rekening met eerder vermelde eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman die heeft gepleit voor vrijspraak, het verdachte betreffende reclasseringsrapport en de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 27 januari 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, met de officier van justitie van oordeel dat in dit geval een deels voorwaardelijke gevangenisstraf geboden is. De rechtbank is op basis van eerder vermeld reclasseringsrapport van oordeel dat aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht dient te worden verbonden, ter ondersteuning van verdachte en ter voorkoming van recidive.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde duur van het onvoorwaardelijk deel van gevangenisstraf geen recht doet aan de hiervoor geschetste ernst van de feiten, in het bijzonder het bij de overvallen toegepaste geweld (steken met een mes) en de bedreiging met geweld (met een pistool en mes). De rechtbank acht, mede gelet op de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het gerechtshof te Leeuwarden, een gevangenisstraf voor langere duur passend en geboden.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank is het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de gevorderde schade onvoldoende gebleken. De benadeelde partij zal dan ook niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering en hij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 2 bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan een gedeelte groot 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt,

of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, met opdracht aan die instelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van de som van € 478,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2011 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], een bedrag van € 478,00 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 9 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, en mr. O.J. Bosker en mr. C. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 10 februari 2012.

1 Op pagina 567ev van het proces-verbaal van politie Drenthe, onderzoek "Makali", BVO-nummer: 03DR011031 (het PV)

2 Op pagina 574 van het PV

3 Op pagina 581ev van het PV

4 Op pagina 587/588 van het PV

5 Op pagina 681ev van het PV

6 Op pagina 632ev van het PV

7 Op pagina 653ev van het PV

8 Op pagina 703ev van het PV

9 Op pagina 713ev van het PV

10 Op pagina 45 van het PV

11 Op pagina 700 van het PV