Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BW1150

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
11/127
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BY3096, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres bewoont een zelfstandige woning op een perceel van haar verhuurder. Eiseres bewoont een tot woning verbouwde schuur; de verhuurder bewoont de boerderij. De woning van eiseres heeft geen eigen Gba-adres. Om deze reden vordert de Belastingdienst de huurtoeslag die eerder als voorschot is verleend terug. Uit de brochure huurtoeslag 2008 blijkt niet voldoende dat het recht op huurtoeslag is gekoppeld aan het Gba-adres en eiseres lijkt te voldoen aan de criteria zoals die in de brochure zijn vermeld. Eiseres heeft aan de tekst van de brochure gerechtvaardigde verwachtingen kunnen ontlenen dat ze recht had op huurtoeslag. Eiseres heeft bij haar beslissing een huurovereenkomst aan te gaan, waarbij de hoogte van de te betalen huur een belangrijke factor was, het recht op huurtoeslag kunnen betrekken. Hoewel het toekennen van huurtoeslag over het jaar 2008 leidt tot een uitkomst die strijdig is met de wettelijke bepalingen, is de rechtbank van oordeel dat in de situatie van eiseres het belang van de overheid dat de wet moet worden nageleefd moet wijken voor het vertrouwen dat eiseres aan de brochure, die immers door diezelfde overheid als uitleg van de wettelijke bepalingen aan de burger is uitgebracht, heeft kunnen ontlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 11/127 HUUR

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 27 maart 2012

in het geding tussen

[eiseres], wonende te [plaats], eiseres,

en

Belastingdienst Toeslagen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2011 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 21 juni 2010 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de definitieve berekening van de huurtoeslag voor het jaar 2008 en de terugvordering van het uitbetaalde voorschot van € 2.654,-.

Door eiseres is bij brief van 16 februari 2011 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. Eiseres heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 16 maart 2012, alwaar eiseres in persoon is verschenen. Voor verweerder is verschenen L. Runnenburg.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Bij besluit van 21 juni 2009 heeft verweerder de huurtoeslag van eiseres voor het jaar 2008 vastgesteld op € 0,-. Het aan eiseres voor dat jaar betaalde voorschot van € 2.654,- is teruggevorderd.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit van 13 januari 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat eiseres in eerste instantie een voorschot huurtoeslag 2008 heeft toegekend gekregen, dat na de definitieve vaststelling van het recht op huurtoeslag op nihil, van eisers wordt teruggevorderd. Eiseres voert aan dat de termijn waarop de Belastingdienst de aanvraag definitief heeft getoetst wel erg laat is omdat de aanvraag reeds in 2007 is ingediend.

De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond niet slaagt.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), verleent de Belastingdienst, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het derde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien. Ingevolge het vierde lid kan een herziening van een voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) is op de Wht de Awir met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juli 2009 in zaak nr. 200808514/1/H2) vloeit uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde en vierde lid, van de Awir, voort dat aan de verlening van een voorschot geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Het voorschot heeft immers slechts een voorlopig karakter. De omstandigheid dat verweerder de huurtoeslag voor het jaar 2008 eerst in juni 2010 definitief heeft vastgesteld betekent niet dat eiseres aan de verlening van het voorschot het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat de tegemoetkoming ter hoogte van het bij het voorschot verleende bedrag zou worden vastgesteld.

Blijkens het bestreden besluit is verweerder tot het oordeel gekomen dat eiseres geen recht op huurtoeslag over het jaar 2008 heeft. Eiseres stelt dat ze wel recht op huurtoeslag over het jaar 2008 heeft in verband met de huur van haar woning gelegen aan de [adres] te [plaats].

Eiseres stond gedurende de periode 20 november 2007 tot 20 april 2009 op dit adres ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie (hierna: Gba). Eiseres huurde een pand van [verhuurder]. [verhuurder] staat (vanaf 2001) in de Gba ingeschreven op hetzelfde adres, maar bewoont een ander pand. Eiseres heeft een huurovereenkomst overgelegd. Voorts heeft zij overgelegd een schrijven van de gemeente De Wolden van 30 december 2010, waaruit blijkt dat er in 1996 aan [verhuurder] weliswaar een vergunning is verleend voor het bouwen van een berging, maar gelet op het bestemmingsplan is slechts permanente bewoning van één woning, te weten de boerderij waarin [verhuurder] zelf woont, toegestaan. De berging is waarschijnlijk illegaal aan eiseres verhuurd als woonruimte.

Artikel 7 van de Wht bepaalt dat het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk is van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen van de huurder, diens partner en de medebewoners. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awir, wordt onder medebewoner verstaan de persoon die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende in Gba staat ingeschreven.

Artikel 9, eerste lid, van de Wht bepaalt dat een huurtoeslag slechts wordt toegekend als:

a. de huurder en de medebewoner van de woning op het adres van de woning zijn ingeschreven in de Gba;

b. op het adres van de woning geen andere personen staan ingeschreven in de Gba, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden.

Het tweede lid van artikel 9 van de Wht bepaald dat in afwijking van het eerste lid toch huurtoeslag kan worden toegekend als de onjuiste inschrijving in de Gba niet aan de huurder kan worden toegerekend.

De rechtbank overweegt dat gelet op deze bepalingen eiseres géén recht op huurtoeslag heeft. De verhuurder staat immers ingeschreven op hetzelfde Gba-adres, zodat hij als medebewoner wordt aangemerkt en van een onjuiste Gba-inschrijving is geen sprake. Gelet op het hiervoor genoemde schrijven van de gemeente De Wolden, is geen bewoning van de woning van eiseres toegestaan hetgeen verklaart waarom beide woningen hetzelfde Gba-adres hebben. Dat eiseres hiervan geen weet had, maakt niet dat de Gba-inschrijving onjuist is.

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit niet expliciet verwijst naar de artikelen 7 en 9 van de Wth. Eerst in het verweerschrift wordt hiernaar verwezen. In het bestreden besluit staat dat zowel eiseres als [verhuurder] staan ingeschreven op het adres [adres] te [plaats] en dat alle personen die volgens de gemeente op het adres van de belanghebbende wonen, bij het huishouden horen. Voorts staat in het bestreden besluit opgenomen dat hoofdregel is dat alléén huurders van zelfstandige woonruimten voor huurtoeslag in aanmerking komen en worden, onder verwijzing naar artikel 234 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek de criteria van een zelfstandige woonruimte gegeven. Om een woonruimte als zelfstandig te kunnen aanmerken moet, aldus het besluit, de woning bestemd zijn voor bewoning en een eigen (afsluitbare) toegang hebben en moeten er bepaalde elementaire voorzieningen in de woning voor eigen gebruik van de huurder aanwezig zijn. Verweerder stelt dat niet gebleken is dat eiseres aan deze criteria voldoet.

De rechtbank overweegt dat in artikel 2 van de Wht bepaald wordt wat er onder een eenpersoonshuishouden, een meerpersoonshuishouden, een eenpersoonsouderenhuishouden en een meerpersoonsouderenhuishouden wordt verstaan. Artikel 2, aanhef en onder b, van de Wht bepaalt dat een meerpersoonshuishouden is het huishouden van een huurder die samen met een of meer medebewoners een woning bewoont. Volgens artikel 1, aanhef en onder j, van de Wht is een woning een gebouwde onroerende zaak voorzover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd. Nu het begrip meerpersoonshuishouden is gekoppeld aan het begrip woning en niet in geschil is dat eiseres weliswaar hetzelfde Gba-adres heeft, maar niet met haar verhuurder een woning bewoont, is de conclusie in het bestreden besluit dat ‘alle personen die volgens de gemeente op het adres van de belanghebbende wonen, bij het huishouden horen’ niet juist. Eiseres heeft dan ook terecht in haar beroepschrift opgemerkt dat haar verhuurder niet tot haar huishouden behoort.

Blijkens het verhandelde ter zitting is niet langer tussen partijen in geschil dat eiseres aan deze criteria voldoet en aldus een zelfstandige woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de Wht bewoont. Dit betekent dat ook hetgeen eiseres daarover in haar beroepschrift aanvoert, slaagt.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit op onjuiste gronden overweegt dat eiseres geen recht op huurtoeslag heeft. Verweerder had eenvoudigweg kunnen overwegen dat de artikelen 7 en 9 van de Wht bepalen dat eiseres in haar situatie geen recht op huurtoeslag heeft maar heeft nagelaten deze grondslag in het besluit op te nemen. Omdat het besluit niet op deze grondslag berust, dient het te worden vernietigd.

Het betekent echter niet dat eiseres daarmee recht op huurtoeslag heeft. Zoals gezegd verzetten de artikelen 7 en 9 van de Wht zich hiertegen.

Eiser heeft ter zitting een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. Ze heeft aangevoerd dat ze voorafgaande aan haar beslissing om de woning te huren heeft uitgezocht of ze recht had op huurtoeslag en volgens haar kan uit de brochure huurtoeslag 2008 niet anders dan afgeleid worden dat ze dit recht heeft.

De rechtbank heeft de brochure huurtoeslag 2008 bestudeerd en komt tot het oordeel dat in de brochure onvoldoende expliciet staat opgenomen dat het recht op huurtoeslag is gekoppeld aan het Gba-adres. Lezing van de brochure vanuit de situatie van eiseres leert dat ze lijkt te voldoen aan de voorwaarden om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Ze is meerderjarig, heeft de Nederlandse nationaliteit en staat bij de gemeente ingeschreven op ‘dit adres’. In de toelichtende opmerkingen bij dit criterium staat niet vermeld dat er geen anderen mogen zijn ingeschreven op dit adres. Voorts huurt ze een zelfstandige woning tegen een huur die valt binnen de marge die in de brochure wordt genoemd. Bij de vraag over de hoogte van de huur staat in de toelichting opgenomen de vraag “Is iedereen die op uw adres woont jonger dan 23 jaar?” Het voert de rechtbank te ver om te concluderen dat eiseres bij deze vraag, die niet op haar situatie ziet, had moeten bedenken dat het begrip ‘uw adres’ in haar situatie tot problemen zou kunnen leiden omdat ze hetzelfde Gba-adres als haar verhuurder heeft.

Bij het onderdeel ‘inkomen’ in de brochure komt het begrip ‘medebewoner’ terug. Aangegeven is dat ook het inkomen van een eventuele toeslagpartner of medebewoner van belang is. Nergens staat het begrip medebewoner in de brochure gedefinieerd en ook de website van de Belastingdienst geeft hierover niet het uitsluitsel dat het hierbij gaat om de bewoner van hetzelfde Gba-adres. Ook in de Wht wordt het begrip medebewoner niet nader gedefinieerd. Weliswaar staat dit begrip in de Awir gedefinieerd, maar niet verwacht kan worden van eiseres dat, zonder dat de brochure hiernaar verwijst, ze de Awir hierop naslaat. Dit temeer omdat eerder in de brochure bij de toelichting over het hebben van de Nederlandse nationaliteit het begrip medebewoner terugkomt als iemand “die bij u in huis woont’. Ook dit zet eiseres dus niet op het spoor dat haar verhuurder een medebewoner van haar is. Haar verhuurder woont immers niet bij haar in huis.

Voorts kent de brochure nog het onderdeel ‘bijzondere situaties’. Onder het kopje ‘Verzorging’, dat gaat over de bijzondere situatie dat belanghebbende, toeslagpartner of een medebewoner thuis wordt verzorgd in plaats van in een verzorgingstehuis, staat opgenomen dat “voor de huurtoeslag geldt het inkomen en vermogen mee van iedereen die op uw adres staat ingeschreven”. Dit is de enige zinsnede in de brochure waaruit eiseres het belang van het gezamenlijke Gba-adres had kunnen afleiden. Omdat dit onderdeel van de brochure niet over haar situatie gaat, kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet aan eiseres worden tegengeworpen.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de brochure eiseres op het verkeerde been heeft gezet. De brochure vermeldt op een ondergeschikte plek de (overigens evenmin in het besluit opgenomen) reden dat eiseres in haar situatie niet voor huurtoeslag in aanmerking komt. Eiseres heeft op basis van de brochure tot de conclusie kunnen komen dat ze recht heeft op huurtoeslag. De brochure suggereert volledigheid – er ontbreekt bijvoorbeeld een clausule dat aan de brochure geen rechten kunnen worden ontleend - die niet wordt waargemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres aan de tekst van de brochure gerechtvaardigde verwachtingen kunnen ontlenen dat ze recht had op huurtoeslag. Eiseres heeft bij haar beslissing een huurovereenkomst aan te gaan, waarbij de hoogte van de te betalen huur een belangrijke factor was, het recht op huurtoeslag kunnen betrekken. Hoewel het toekennen van huurtoeslag over het jaar 2008 leidt tot een uitkomst die strijdig is met de wettelijke bepalingen, is de rechtbank van oordeel dat in de situatie van eiseres het belang van de overheid dat de wet moet worden nageleefd moet wijken voor het vertrouwen dat eiseres aan de brochure, die immers door diezelfde overheid als uitleg van de wettelijke bepalingen aan de burger is uitgebracht, heeft kunnen ontlenen.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wordt vernietigd.

Er is niet gebleken van kosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verweerder dient het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op het bezwaarschrift van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het griffierecht ad € 41,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, rechter, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier.

mr. P.T.M. van der Lelie mr. K. Wentholt

In het openbaar uitgesproken op 27 maart 2012

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Afschrift verzonden op: