Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BW0649

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
86899 / HA ZA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen.

Ontvankelijkheid. Het indienen van een wrakingsverzoek valt te duiden als een afzonderlijke proceshandeling waarmee een duidelijk afgekaderde procedure in de hoofdprocedure aanvangt. Daarvoor mag een andere advocaat gesteld worden.

Van een vooringenomenheid die wraking rechtvaardigt kan ook sprake zijn indien bij een partij de gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat haar zaak niet onpartijdig zal worden behandeld omdat zij zich laat bijstaan door de advocaat die is aangesloten bij een kantoor waarmee de behandelend rechter een (hoogopgelopen) confict heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/235
NJF 2013/521
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ASSEN

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 86899 / HA ZA 11-373

Beslissing van 27 maart 2012

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

REGIONALE AMBULANCE VOORZIENING ACADEMISCH ZIEKENHUIS GRONINGEN B.V. H.O.D.N. UMCG AMBULANCEZORG B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RAV AZG MEDISCHE ASSISTENTIE INTERNATIONAAL B.V.,

beide gevestigd te Tynaarlo,

verzoeksters tot wraking

advocaat mr. J.P. van Stempvoort te Assen,

tegen

[de rechter], in zijn hoedanigheid van rechter.

Partijen zullen verder UMCG Ambulancezorg c.s. en [de rechter] genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure - voor zover van belang - blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 3 februari 2012;

- de medeling van 6 februari 2012 van [de rechter] dat hij niet in de wraking berust en dat hij mondeling wenst te reageren op het wrakingsverzoek;

- de schriftelijke reactie van [de rechter] van 27 februari 2012, waarin hij tevens meedeelt dat hij met een schriftelijke reactie volstaat;

- de mededeling aan partijen dat de behandeling van het verzoek zal plaatsvinden op dinsdag 13 maart 2012;

- de faxbrief van 12 maart 2012 waarin UMCG Ambulancezorg c.s. verzoekt om een productie, een beslissing van het Hof van Discipline te Arnhem van 12 maart 2012, aan het dossier toe te voegen;

- het verzoek van [de rechter] deze productie te negeren ofwel de zitting te verdagen;

- de mondelinge behandeling op 13 maart 2012.

Bij de mondelinge behandeling is mr. Van Stempvoort verschenen.

2. De feiten

2.1. Begin oktober 2008 heeft [de rechter] verzocht om rechtsbijstand door een advocaat van Plas Bossinade Advocaten N.V., verder Plas Bossinade. [advocaat], verbonden aan dit kantoor, heeft hem toen bijgestaan. Na enige dagen bleek (verdere) rechtsbijstand niet meer noodzakelijk.

2.2. [advocaat] heeft twee declaraties, voor in totaal € 1.602,72, aan [de rechter] gezonden. Een bedrag van € 800 heeft [de rechter] voldaan. Omtrent de inhoud van deze declaraties is een geschil ontstaan, met name omtrent de vraag of inschakeling van een procesadvocaat opportuun was. Nadat [de rechter] zowel telefonisch als schriftelijk is gemaand het restant te voldoen, maar hij dat weigerde, heeft mr. Van Stempvoort namens Plas Bossinade [de rechter] gedagvaard. Nadat [de rechter] heeft aangegeven dat hij de gehele declaratie betwistte, heeft mr. Van Stempvoort de dagvaarding ingetrokken voordat de zaak was uitgeroepen. Vervolgens heeft de Raad van Toezicht op verzoek van mr. Van Stempvoort de declaraties begroot. De Raad van Toezicht heeft in zijn beschikking de bezwaren van [de rechter] afgewezen en de declaraties gehandhaafd. Een door [de rechter] tegen de beschikking van de Raad van Toezicht ingediend bezwaarschrift is afgewezen, het door [de rechter] tegen die beschikking ingestelde beroep bij de rechtbank Groningen is door hem ingetrokken.

2.3. Op 4 december 2009 heeft mr. Van Stempvoort de voorzieningenrechter verzocht om een exequatur ex artikel 33 Wet Tarieven Burgerlijke zaken. Nadat mr. Van Stempvoort op de hoogte raakte van de tegen de beschikking van de Raad van Toezicht ingestelde rechtsmiddelen, heeft hij om aanhouding van het exequaturverzoek verzocht.

2.4. In verband met de onder 2.2 vermelde begrotingsprocedure heeft [directeur van Plas Bossinade], directeur van Plas Bossinade, namens Plas Bossinade de (waarnemend) president van de rechtbank te Assen, [waarnemend president], verzocht dat [de rechter] geen zaken zal doen waarbij een van de advocaten van Plas Bossinade een der partijen bijstaat gedurende de periode dat het geschil niet onherroepelijk is afgerond en voor een periode daarna die gelijk is aan de periode dat het gebruikelijk is dat ex-advocaten die rechter worden geen zaken van hun oude kantoor behandelen . Bij brief van 14 juli 2009 heeft [waarnemend president] - samengevat - geantwoord dat [de rechter] gedurende de loop van de begrotingsprocedure geen zaken zal doen waarbij advocaten van Plas Bossinade betrokken zijn. Bij brief van 21 september 2009 heeft [directeur van Plas Bossinade] zijn verzoek herhaald. Bij brief van 18 februari 2010 heeft [directeur van Plas Bossinade] de toen zo-even aangetreden president van de rechtbank Assen, [president], op de hoogte gebracht van voormelde correspondentie. Daarbij heeft [directeur van Plas Bossinade] ook gewezen op de hierna onder 2.5 te noemen brief van 23 december 2009.

Voornoemde president heeft bij brief van 2 maart 2010 bericht dat hij met [de rechter] over de situatie had gesproken en dat hij, gelet op de kwesties die tussen hem en Plas Bossinade spelen, heeft besloten dat [de rechter] tot nader order niet met zaken zal worden belast waarbij aan het kantoor van Plas Bossinade verbonden advocaten voor één der partijen optreden. Voorts dat, voor zoveel nodig, in lopende zaken een andere rechter zal worden aangewezen.

Vervolgens is het twee keer voorgekomen dat [de rechter] toch zaken behandelde waarbij een der partijen werd bijgestaan door een advocaat van Plas Bossinade.

Op enig moment na deze twee zaken maar voor 2012 - uit de stukken valt niet exact de datum af te leiden - heeft de president de aanwijzing bijgesteld in die zin dat tot nader order [de rechter] geen zaken meer zou behandelen waarbij [advocaat], [directeur van Plas Bossinade]. mr. Van Stempvoort of [naam advocaat] zou optreden namens een van partijen.

2.5. Bij brief van 23 december 2009 heeft [de rechter] een tuchtrechtelijke procedure aanhangig gemaakt bij (de deken van) de orde in het arrondissement Groningen tegen Plas Bossinade, [advocaat], mr. Van Stempvoort en [directeur van Plas Bossinade]. In verband met de aard van de klacht heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de klacht verwezen naar de Raad van Discipline in het ressort Arnhem. De klacht is behandeld ter openbare zitting van 6 september 2010. Ten behoeve van een - niet geslaagde - bemiddelingspoging is de behandeling aangehouden en voortgezet op 14 februari 2011. Bij beslissing van 20 juni 2011 is de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

In de beslissing wordt, voor zover van belang, overwogen:

“Nadat op 29 december 2008 de eerste herinnering voor de declaratie van [advocaat] zelf was verzonden, reageerde [advocaat] bij brief van 6 januari 2009 op de brief van klager van 9 december 2008, waarbij hij een toelichting gaf op zijn keuze om in dit geval een procesadvocaat in te schakelen. Op de toonzetting van de brief van 6 januari 2009 valt niets af te dingen. Kort daarna volgde een telefoongesprek tussen een medewerker van de debiteurenbewaking van Plas Bossinade en klager. Onweersproken is gebleven dat dit telefoongesprek door klager op emotionele wijze (‘heel schandalig’) uiting is gegeven aan zijn standpunt en abrupt door klager is beëindigd. Dat gold evenzeer voor een gesprek dat [advocaat] op 9 januari 2009 met klager voerde. Klager erkent in zijn klachtschrift dat hij tijdens dat gesprek bijvoorbeeld gezegd kan hebben dat [advocaat] ‘beter is in declareren dan in toepassing van de beslagregels’. en dat hij daarvan ook niets wenste terug te nemen. Deze houding ging vergezeld van de herhaalde mededeling dat klager de procureursnota niet zou gaan betalen. Intussen werden ook de werkzaamheden van [advocaat] zelf niet betaald.

Alhoewel het voorstelbaar is dat klager geprikkeld raakte door de snel op elkaar volgende betalingsherinneringen en sommaties van de zijde van Plas Bossinade en hun, in de ogen van klager, weinig constructieve houding om een regeling te treffen, mocht van klager toch een wat meer respectvolle houding worden verwacht en een minder scherpe toonzetting. Dat hier sprake was van een ongeoorloofde druk om tot betaling te komen, is overigens niet gebleken.

Klager heeft het declaratiegeschil vervolgens eenzijdig naar buiten gebracht, door zonder [advocaat] c.s. daarin te voren te kennen de Deken van de Orde van Advocaten in Groningen bij brief van 11 februari 2009 te verzoeken om bemiddeling. In deze brief merkte klager op dat hij ‘een advocaat die ik goed ken en ex-advocaten, thans collega’s waaronder een voormalig kantoorgenoot van [advocaat], vertrouwelijk liet zien wat daarvoor is gedaan’. Nadat de deken deze bemiddeling had geweigerd, heeft Van Stempvoort de facturen ter begroting voorgelegd aan de begrotingscommissie van de Raad van Toezicht.

In zijn reactie van 18 maart 2009 aan de begrotingscommissie bezigde klager eenzelfde scherpe toonzetting, door te schrijven: ‘(...) Ik heb dat tarief op zichzelf toen geaccepteerd vanwege zijn expertise. Immers, ik weet dat dit een hoog tarief is en slechts daarmee gerechtvaardigd kan worden. mede omdat ik dacht dat [advocaat] in mijn geval geen ongefundeerde uitlatingen over zijn expertise zou (durven) doen (...) dan is mijn beeld van dat kantoor klaar (uurtje factuurtje en niet zeuren, het tweede lid van artikel 23 Gedragsregels geldt niet voor ons). Ik hoop dat u laat zien dat er ook nog redelijke en betrouwbare advocaten zijn door zowel het tarief als het aantal uren in dit mislukte avontuur bij te stellen (...)’.

Onder deze omstandigheden is het niet klachtwaardig dat [directeur van Plas Bossinade] op 19 juni 2009 aan de waarnemend president van de rechtbank Assen - ter toelichting van zijn verzoek om klager voorlopig geen zaken meer te laten behandelen waarbij advocaten van het kantoor Plas Bossinade betrokken waren - schreef “De bejegening die daarbij zowel de behandelend advocaat als een secretaresse van ons kantoor ten deel is gevallen heeft ons onaangenaam getroffen” en “In één van de discussies over de betaling van de declaratie heeft [de rechter] zelf ook expliciet gewezen op zijn positie als rechter enerzijds en die van de aan ons kantoor verbonden advocaten anderzijds”.

De door de klager gebezigde toonzetting was van die aard dat bij verweerders de indruk kon ontstaan dat “enig oordeel van [de rechter] op wat voor manier dan ook beïnvloed is door zijn emoties jegens ons kantoor en het hiervoor genoemde geschil”.

Klager had zich veeleer zelf af moeten vragen of het niet op zijn weg had gelegen zich te verschonen, in plaats van deze brief te diskwalificeren als een “stiekeme brief (...) aan de President” en “een stoot onder de gordel”. Dat doet niet alleen geen recht aan de kennelijke intentie om het geschil niet in de publiciteit te laten komen - hetgeen immers vrijwel zeker het gevolg zou geweest zijn van een wrakingsprocedure - maar evenmin aan de verdere inhoud van deze brief. Een schending van de voor advocaten geldende geheimhoudingsplicht is dan ook niet aan de orde.”

2.6. [de rechter] heeft bij brief van 7 juli 2011 beroep ingesteld tegen de beslissing van de Raad van Discipline. In het beroepschrift heeft [de rechter] onder andere opgemerkt:

“De opzet om in vereniging door meerdere advocaten te komen tot uitsluiting van een rechter in zaken die met het zaakstoedelingssysteem aan hem zijn toebedeeld, gebruikmakend van een contractuele verhouding die deze in privé met één advocaat (‘zijn advocaat’) is aangegaan, behoort mijns inziens tot de hoogste categorie van overtredingen van de normen waaraan de wet advocaten hier te lande bindt. De volharding, de agressie, en de moedwillige verdraaiïng van de werkelijkheid, kleuren die opzet nog zwarter”.

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 16 januari 2012. Daarbij heeft het Hof getracht partijen te bewegen tot bemiddeling. Plas Bossinade heeft in het kader van een te houden ‘(‘verzoenings’)comparitie’ verhinderdata opgegeven. [de rechter] heeft afwijzend gereageerd op het voorstel tot het houden van een comparitie.

Bij beslissing van 12 maart 2012 heeft het Hof van Discipline de beslissing waarvan beroep bekrachtigd.

3. Het wrakingsverzoek

3.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen [de rechter] als rechter in de zaak met nummer 86899 / HA ZA 11-373 tussen UMCG Ambulancezorg c.s. als gedaagden en de besloten vennootschap Lampe Holding B.V. als eiseres (verder: de hoofdzaak). Het is ingediend door mr. Van Stempvoort die zich - ter zake het wrakingsverzoek - naast zijn kantoorgenoot, [advocaat UMCG Ambulancezorg c.s.], mede als advocaat voor UMCG Ambulancezorg c.s. heeft gesteld. In de hoofdzaak is een comparitie bepaald, aanvankelijk op 7 september 2011, doch vervolgens op 7 februari 2012 ten overstaan van [de rechter] als rechter-commissaris.

3.2. Mr. Van Stempvoort heeft, blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat Plas Bossinade, nadat [de rechter] afwijzend heeft gereageerd op het voorstel d.d. 16 januari 2012 van het Hof van Discipline, ter voorkoming van eventuele tuchtrechtelijke klachten van de zijde van UMCG Ambulancezorg c.s. c.s., genoodzaakt was zijn cliënten te informeren over het geschil dat tussen (een aantal advocaten van) Plas Bossinade en [de rechter] is ontstaan. Bij UMCG Ambulancezorg c.s. is daardoor de gerechtvaardigde vrees ontstaan dat [de rechter] de zaak niet zonder vooringenomenheid zal kunnen behandelen.

3.3. [de rechter] heeft laten weten niet in de wraking te berusten. Primair voert hij aan dat het verzoek niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard aangezien het niet is ingediend door de advocaat van UMCG Ambulancezorg c.s., [advocaat van UMCG Ambulance Zorg c.s.], maar door een kantoorgenoot, en een partij slechts één advocaat kan stellen. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat een grond voor wraking slechts kan bestaan indien zich een omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert - en dus niet een vooringenomenheid jegens een advocaat van een partij.

4. De beoordeling

4.1. [de rechter] heeft verzocht de door UMCG Ambulancezorg c.s. op 12 maart 2012 in het geding gebrachte productie, de beslissing van het Hof van Discipline te Arnhem van 12 maart 2012 ofwel te negeren ofwel de zitting te verdagen. Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft mr. Van Stempvoort desgevraagd meegedeeld er geen bezwaar tegen te hebben dat deze productie buiten beschouwing wordt gelaten, maar dat het hem vrijstaat daar ter zitting uit te citeren.

De rechtbank zal de productie derhalve niet toevoegen aan het dossier.

4.2. De eerste vraag die, gelet op het verweer van [de rechter] aan de orde is, is of het verzoek ontvankelijk is.

4.2.1. De rechtbank is van oordeel dat UMCG Ambulancezorg c.s. in haar verzoek kan worden ontvangen.

Als uitgangspunt is juist dat voor een partij zich in beginsel slechts één advocaat zal kunnen stellen en dat al snel sprake zal zijn van strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde indien zich meerdere advocaten stellen voor één partij. In het onderhavige geval is daarvan echter geen sprake. Daarbij is van belang dat het indienen van een wrakingsverzoek niet als een door de procesadvocaat te verrichten rolhandeling valt te duiden maar als een afzonderlijke proceshandeling waarmee een duidelijk afgekaderde procedure in de hoofdprocedure aanvangt. Niet valt in te zien dat UMCG Ambulancezorg c.s. daarvoor niet een andere advocaat zou mogen stellen, temeer niet nu zulks, naar onweersproken is gesteld, mede is ingegeven door de overweging dat bij afwijzing van het verzoek de verhouding tussen [advocaat van UMCG Ambulancezorg c.s.] en [de rechter] niet nodeloos wordt belast. Van strijd met het beginsel van een behoorlijke procesorde kan onder deze omstandigheden niet worden gesproken.

4.3. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.4. Terecht merkt [de rechter] op dat de (enkele) vrees dat een rechter jegens een advocaat van een partij vooringenomen zou kunnen zijn, op zichzelf niet voldoende is. Die situatie is hier evenwel niet aan de orde. Van een vooringenomenheid die wraking rechtvaardigt kan, naar het oordeel van de rechtbank, ook sprake zijn indien bij een partij de gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat haar zaak niet onpartijdig zal worden behandeld omdat zij zich laat bijstaan door een advocaat die is aangesloten bij een kantoor waarmee de behandelend rechter een (hoogopgelopen) conflict heeft. Ook in die gevallen bestaat er immers een gerechtvaardigde vrees dat deze partij niet een onpartijdige behandeling ten deel zal vallen.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke situatie in het onderhavige geval sprake. [de rechter] heeft, naar aanleiding van een in aanvang zeer klein geschil, zich in woord en geschrift jegens Plas Bossinade in zeer scherpe, negatieve, bewoordingen uitgelaten. Hoewel zowel de Raad als het Hof van Discipline hebben vastgesteld dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van Plas Bossinade of een van haar advocaten geen sprake is geweest, heeft hij zich op het standpunt gesteld dat zijns inziens Plas Bossinade overtredingen heeft begaan die behoren “tot de hoogste categorie [...] van de normen waaraan de wet advocaten hier te lande bindt.” Een partij die van zijn zienswijze op de hoogte raakt, kan naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden vrezen dat haar geen onpartijdige behandeling ten deel zal vallen.

4.6. Wellicht zou nog kunnen worden aangevoerd dat geen grond voor wraking bestaat indien de advocaat van de partij die het wrakingsverzoek indient de wrakingsgrond zelf in het leven heeft geroepen. De rechtbank heeft daarvoor echter geen aanknopingspunten gevonden.

In dit verband tekent de rechtbank aan dat niet is gebleken dat advocaten van Plas Bossinade het conflict tussen haar en haar advocaten en [de rechter] hebben doen escaleren: meerdere keren hebben zij zich bereid getoond te komen tot een oplossing in der minne. Daarnaast is in hun brieven consequent sprake van een zakelijke toon. Dat Plas Bossinade vasthoudendheid betracht ter zake de inning van haar vorderingen, valt haar evenmin te verwijten.

Daarnaast is onweersproken gebleven de stelling van mr. Van Stempvoort dat [de rechter] zelf als eerste en ook daarna nog meerdere keren het verband heeft gelegd tussen het declaratiegeschil, en zijn relatie als rechter in de rechtbank Assen met advocaten van Plas Bossinade.

Voorts is van belang dat Plas Bossinade, voor zover thans bekend, op goede gronden UMCG Ambulancezorg c.s. heeft ingelicht, gelet op de mogelijkheid dat UMCG Ambulancezorg c.s., indien zij op andere wijze na afhandeling van de hoofdzaak op de hoogte zou zijn geraakt van het tussen Plas Bossinade en [de rechter] bestaande conflict, reden zou kunnen hebben Plas Bossinade of een van haar advocaten tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen aan te rekenen.

Als laatste moet worden opgemerkt dat niet gebleken is dat advocaten van Plas Bossinade onvoldoende prudent met het declaratiegeschil zijn omgegaan. Voor zover dit geschil al buiten het kantoor Plas Bossinade bekend is geraakt, bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat dat te wijten is aan advocaten van Plas Bossinade. Dat Plas Bossinade zich op een gegeven moment tot de waarnemend president van de rechtbank hebben gewend valt gezien de lastige positie waarin zij zich bevond te billijken.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het verzoek tot wraking toe.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.H.S. Lebens-de Mug, A.L. Smit en G.P. Nieuwenhuis, in hun hoedanigheid van rechter-plaatsvervangers in de rechtbank Assen in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2012.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.