Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BV9996

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
19.614037-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Noordelijke Fraude Kamer heeft een verdachte veroordeeld die een groot aantal slachtoffers onder valse voorstelling van zaken gelden afhandig gemaakt. Hij heeft deze gelden deels ten eigen bate en deels ten bate van zijn onderneming aangewend. Door verdachte zijn naar de slachtoffers toe diverse toezeggingen gedaan die hij niet waar heeft gemaakt. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan bijstandsfraude.

De verdachte wekt niet de indruk dat hij daadwerkelijk het kwalijke van zijn handelen of de gevolgen daarvan voor de slachtoffers inziet, maar dat hij het gebeurde slechts ziet als een zakelijk risico dat de slachtoffers bewust hebben genomen.

De rechtbank acht met de officier van justitie het opleggen van een gevangenisstraf van 24 maanden geboden. Om de verdachte in ieder geval de komende twee jaar ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen, legt de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijke op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 19/614037-09

datum uitspraak: 27 maart 2012

op tegenspraak

Raadsman: mr. W.M. Bierens, advocaat te Assen.

VONNIS van de rechtbank te Assen, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, zitting houdende te Assen, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [datum] 1957 te [plaats],

wonende te [plaats], [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 oktober 2011 12 maart 2012 en 13 maart 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

(ZD 04)

hij in of omstreeks de periode 01 mei 2005 tot en met 06 juni 2005, in de

gemeente(n) Westerveld, Ooststellingwerf en/of elders in Nederland, met het

oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door

het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door

een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van Euro

50.000,=, in elk geval een hoeveelheid geld,

hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd

met de waarheid die [slachtoffer 1] - waarmee verdachte een langer

lopende zakelijke relatie en/of vertrouwensband had -

- voorgesteld om Euro 50.000,= te lenen aan het bedrijf [naam] BV, tegen

een rente van 6%, waarbij het geleende bedrag inclusief rente in

maandelijkse termijnen, binnen een looptijd van 5 jaar zou worden

terugbetaald, en/of

- namens [naam] BV een schriftelijke aanbieding gedaan, waarin onder meer is

opgenomen de zinsnede "U ontvangt elke maand ook een aflossing bedrag van

Euro 834,- duur 5 jaar = 50.000,- inleg.", alsmede de zinsnede "Extra borg

via ons bedrijf en persoonlijke garant stelling", en/of

- namens [naam] BV een contract aangeboden waarin onder meer is opgenomen

dat de verschuldigde rente per maand zal worden betaald, met een aflossing

van Euro 834,= per maand gedurende de looptijd van 5 jaar, en/of verder dat

het contract kan worden opgezegd in het geval de overeenkomst gedurende 3

maanden achtereen niet wordt nagekomen, en/of

- genoemd contract ondertekend namens/met [naam] BV, en/of

- aldus zich jegens [slachtoffer 1] gepresenteerd als

bonafide financieel adviseur en/of tussenpersoon,

waardoor vorengenoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(art 326 SR)

art 326 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2007 tot en met 01 juni 2010 in

de gemeente(n) Ooststellingwerf en/of Emmen, althans in Nederland, opzettelijk

een geldbedrag van Euro 34.154,=, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf, te weten als

lening, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art 321 SR)

art 321 Wetboek van Strafrecht

2.

(ZD 04)

hij in of omstreeks de periode 01 mei 2005 tot en met 29 november 2005, in de

gemeente(n) Westerveld, Ooststellingwerf en/of elders in Nederland, met het

oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door

het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door

een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van Euro

50.000,=, in elk geval een hoeveelheid geld,

hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd

met de waarheid die [slachtoffer 1] - waarmee verdachte een langer

lopende zakelijke relatie en/of vertrouwensband had -

- ingevolge de eerder aangegane leenovereenkomst, de aldaar afgesproken rente-

en aflossingsbetalingen een aantal malen tijdig en volledig voldaan, en/of

- voorgesteld om Euro 50.000,= te lenen aan het bedrijf [naam] BV, tegen een

rente van 5,2%, waarbij het geleende bedrag inclusief rente in maandelijkse

termijnen, binnen een looptijd van 5 jaar, zou worden terugbetaald, en/of

- namens [naam] BV een contract aangeboden waarin onder meer is opgenomen de

zinsnede "De jaarlijkse rente ontvangt u op een door u aangegeven rekening",

en/of

- vervolgens verteld dat het bedrijf [naam] BV een andere rekening had

gekregen en/of zou overstappen naar een andere bank, dat die nieuwe rekening

nog niet kon worden gebruikt en dat het geld daarom moest worden overgemaakt

naar rekening [nummer] ten name van "[betrokkene 1]" en dat hij, verdachte, er voor

zou zorgen dat [naam] BV het bedrag zou overmaken op een ten name van

[slachtoffer 1] gestelde rekening bij Fortis, en/of

- daartoe vervolgens een contract opgesteld, en/of

- aldus zich jegens [slachtoffer 1] gepresenteerd als

bonafide financieel adviseur en/of tussenpersoon,

waardoor vorengenoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(art 326 SR)

art 326 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2007 tot en met 01 juni 2010 in

de gemeente(n) Ooststellingwerf en/of Emmen, althans in Nederland, opzettelijk

een geldbedrag van (in totaal) Euro 50.000,=, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf, te

weten als lening, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art 321 SR)

art 321 Wetboek van Strafrecht

3.

(ZD 05)

hij in of omstreeks de periode 01 januari 2005 tot en met 02 mei 2006, in de

gemeente Ooststellingwerf en/of elders in Nederland, met het oogmerk om zich

en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen

van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2]

heeft bewogen tot de afgifte van Euro 30.000,=, in elk geval een hoeveelheid

geld,

hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met

de waarheid die [slachtoffer 2] - waarmee verdachte een langer lopende zakelijke

relatie en/of vertrouwensband had -

- verteld dat hij, verdachte, bezig was met het bouwen van en een huis en dat

die [slachtoffer 2] hem, verdachte, erg uit de brand zou helpen wanneer die

[slachtoffer 2] hem, verdachte, geld zou lenen, en/of

- voorgesteld om Euro 30.000,= te lenen aan hem, verdachte, en zijn partner

[betrokkene 1], over een korte periode, tegen een maandelijkse rente van 7%,

zijnde Euro 175,= per maand, en/of

- namens [naam] BV een contract aangeboden waarin onder meer is opgenomen

dat de leenovereenkomst geld voor de periode 01 april 2006 tot 01 december

2006, dat verdachte maandelijks 7% rente zal betalen over het geleende

bedrag en/of dat hij, verdachte, het geleende bedrag na 01 december 2006 zal

overmaken op de rekening van die [slachtoffer 2], en/of

- aldus zich jegens [slachtoffer 2] gepresenteerd als bonafide financieel adviseur

en/of tussenpersoon (terwijl verdachte wist althans kon weten dat hij

genoemd bedrag niet terug zou -kunnen- betalen),

waardoor vorengenoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(art 326 SR)

art 326 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 01 juni 2010 in

de gemeente(n) Ooststellingwerf en/of Emmen, althans in Nederland, opzettelijk

een geldbedrag van (in totaal) Euro 28.000,=, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf, te weten als lening, onder

zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art 321 SR)

art 321 Wetboek van Strafrecht

4.

(ZD 07)

hij in of omstreeks de periode 01 januari 2007 tot en met 25 april 2007, in

de gemeente(n) Bedum en/of Ooststellingwerf en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het

aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een

of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 9.000,=, in elk geval een

hoeveelheid geld,

hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd

met de waarheid die [slachtoffer 3] - waarmee verdachte een langer lopende zakelijke

relatie en/of vertrouwensband had -

- geadviseerd om een garantiecertificaat te kopen tegen een maandelijkse rente

van 7,75 %, en/of

- bij brief informatie doen toekomen over het garantiecertificaat, daarbij is

onder meer gesteld "Een garanticertificaat geeft u meer zekerheid en een

leuke rente, een garantiecertificaat is een obligatie gecombineerd met een

investering in een onderliggende waarde. Deze constructie zorgt ervoor dat u

aan het einde van de looptijd de nominale waarde van uw certificaat volledig

terugkrijgt en dat u deelneemt in een rente uitbetaling per maand." en "Het

rendement van dit certificaat wordt niet alleen bepaald door een

koersstijging van de onderliggende waarde aan het einde van de looptijd,

maar ook door de mate waarin u deelneemt in de koersstijging." en "Onze

stichting [naam] administratie Service regelt voor alle deelnemers de

Garantiecertificaten en de plaatsing van de certificaten bij de grote

verzekeraars.", waarbij de brief is ondertekend met "Met vriendelijke groet,

Centrale Administratie Stichting [naam] administratie Service", en/of

- namens de Stichting [naam] administratie Service, althans [naam] BV een

inschrijfformulier doen toekomen, waarin (onder meer) is opgenomen

"Certificaat nummer: 563479" en "rente per maand: 7,75% Winstdeling: ja",

waarbij dat inschrijfformulier is ondertekend met "Stichting [naam]

administratie Service" en/of

- aldus zich jegens [slachtoffer 3] gepresenteerd als bonafide financieel adviseur

en/of tussenpersoon,

waardoor vorengenoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(art 326 SR)

art 326 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2008 tot en met 01 juni 2010 in

de gemeente(n) Bedum en/of Ooststellingwerf en/of Emmen, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een geldbedrag van (in totaal) Euro 9.000,=, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welk geldbedrag verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door

misdrijf, namelijk uit betaling met betrekking tot de koop van een Garantie

Rentecertificaat, althans uit overeenkomst, onder zich had(den),

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art 321 SR)

art 321 Wetboek van Strafrecht

5.

(ZD 07)

hij in of omstreeks de periode 01 januari 2007 tot en met 17 juli 2007, in de

gemeente(n) Bedum en/of Ooststellingwerf en/of elders in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om

zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een

valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige

kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft

bewogen tot de afgifte van Euro 9.000,=, in elk geval een hoeveelheid geld,

hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd

met de waarheid die [slachtoffer 3] - waarmee verdachte een langer lopende zakelijke

relatie en/of vertrouwensband had -

- ingevolge de eerder aangegane soortgelijke overeenkomst, de aldaar

afgesproken rentebetalingen een aantal malen (tijdig en volledig) voldaan,

en/of

- geadviseerd om nogmaals een garantiecertificaat van Euro 9.000,= te kopen

tegen een maandelijkse rente (van 7,75 %), en/of

- aldus zich jegens [slachtoffer 3] gepresenteerd als bonafide financieel adviseur

en/of tussenpersoon,

waardoor vorengenoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(art 326 SR)

art 326 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 17 juli 2007 tot en met 01 juni 2010 in de

gemeente(n) Bedum en/of Ooststellingwerf en/of Emmen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een geldbedrag van (in totaal) Euro 9.000,=, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welk geldbedrag verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door

misdrijf, namelijk uit betaling met betrekking tot de koop van een Garantie

Rentecertificaat, althans uit overeenkomst, onder zich had(den),

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art 321 SR)

art 321 Wetboek van Strafrecht

6.

(ZD 09)

hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2008 tot en met 06 december 2009

in de gemeente Emmen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander, althans alleen, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk

voorschrift opgelegde verplichting,

te weten de in artikel 17 van de Wet werk en bijstand gestelde plicht om het

college van burgemeester en wethouders onverwijld uit eigen beweging

mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs

duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op arbeidsinschakeling of

het recht op bijstand,

opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken,

zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een

ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die

gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders

recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens

de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die

verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte en/of diens mededader

(in voormelde periode, met voormeld opzet) nagelaten onverwijld mee te delen

aan (het college van burgemeester en wethouders van) de gemeente Emmen

- dat hij en/of zijn partner en/of zijn kinderen niet woonachtig was/waren aan

de [adres] en/of de [adres] te Emmen, en/of

- dat hij en/of zijn partner en/of zijn kinderen feitelijk woonden in

Duitsland, en/of

- dat zijn partner en/of zijn kinderen (in maart 2008) zijn vertrokken naar

Oekraïne;

art 227b Wetboek van Strafrecht

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 en het onder ad informandum 2, 3, 4, 5, 6 en 9 tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1:

De officier van justitie verwijt de verdachte blijkens de tekst van de tenlastelegging dat hij in persoon degene is geweest die aangeefster [slachtoffer 1] er op valse gronden toe heeft bewogen om een bedrag van € 50.000,-- ter beschikking te stellen. De aanbieding waarop aangeefster is ingegaan is haar echter gedaan door [naam] BV. Ook de overeenkomst van lening is blijkens de tekst daarvan aangegaan met deze vennootschap en niet met de verdachte in persoon. Verder staat vast dat het bedrag van € 50.000,-- is gestort op de rekening van [naam] BV en dat de vennootschap erover heeft beschikt.

Anderzijds staat naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], ook vast dat de verdachte als enige de zeggenschap had over het handelen van [naam] BV, daaronder begrepen het aangaan van overeenkomsten en toegang tot de bedrijfsrekening. De in de tenlastelegging opgenomen feitelijke gedragingen zijn derhalve weliswaar voor een groot deel uit naam van [naam] BV gedaan, maar in de praktijk door de verdachte uitgevoerd, die daarmee (wellicht naast de rechtspersoon) als pleger van deze gedragingen kan worden aangemerkt.

Dat aangeefster door (onder meer) de tenlastegelegde gedragingen is bewogen tot afgifte van het bedrag van € 50.000,-- is niet in geschil. Wel rijst de vraag of de verdachte bij zijn gedragingen het oogmerk had om zichzelf of een ander (zoals bijvoorbeeld [naam] BV) wederrechtelijk te bevoordelen, evenals de daarmee samenhangende vraag of deze gedragingen als oplichtingsmiddelen moeten worden beschouwd. Duidelijk is dat de

verdachte uiteindelijk in gebreke is gebleven bij het (terug)betalen van de lening en de overeengekomen rente. Hij heeft echter ook gesteld dat hij op het moment dat hij de lening aanging wel degelijk van plan was om deze terug te betalen en dat hetgeen hij aangeefster volgens de tenlastelegging heeft voorgehouden (daarom) niet in strijd met de waarheid was.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte op dit punt echter niet geloofwaardig. Uit het verloop van de bedrijfsrekening [nummer] (Friesland Bank) blijkt dat in de maanden voorafgaand aan de overboeking van aangeefster veelal slechts geringe provisie-inkomsten binnenkwamen, variërend van enkele tientallen tot enkele honderden euro’s. Slechts op 8 april en 4 mei 2005 is er sprake van een storting van enkele duizenden euro’s. Van enige andere inkomsten of (ander) bedrijfsvermogen blijkt niet. Hiertegenover staan bovendien de nodige uitgaven, met als gevolg dat het saldo op de rekening blijkens de afschriften tussen 1 januari 2005 en 1 juni 2005 (kort voor de overboeking door aangeefster) gedaald is van € 2.515,12 naar € 801,43. Op grond van deze feiten en omstandigheden gaat de rechtbank er van uit dat het voor de verdachte reeds op het moment dat hij aangeefster benaderde voor de bewuste lening volstrekt helder was dat [naam] BV nimmer aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen. De rechtbank wijst in dit verband overigens nog op de verklaring van de getuige [getuige 4], die onder meer heeft verklaard:

“Als de provisies binnen zouden komen, hadden kleine leningen wel afgelost kunnen worden. Grote leningen, zoals die 50.000 euro, volgens mij had [verdachte] bij voorbaat wel geweten dat dat niet had gekund.”

De beloftes die de verdachte namens [naam] BV aan aangeefster heeft gedaan zijn daarmee aan te merken als vals en als uiting van het oogmerk dat de verdachte had om zichzelf of een ander ten koste van aangeefster wederrechtelijk te bevoordelen.

Het onder 1. primair tenlastegelegde kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2:

De verdachte heeft erkend dat hij aangeefster [slachtoffer 1] valselijk heeft voorgehouden dat zij een lening met [naam] BV zou aangaan, dat [naam] BV problemen had met een nieuwe betaalrekening en dat om die reden het bedrag van € 50.000,-- op de privé-rekening van zijn echtgenote gestort moest worden. De verdachte heeft verklaard dat hij dringend geld nodig had voor het aflossen van een belastingschuld en dat hij om die reden het geld op de rekening van zijn echtgenote heeft laten storten. Eén en ander is buiten [naam] BV om gebeurd en kan reeds daarom aan de verdachte in persoon worden toegerekend.

De rechtbank acht derhalve het onder 2 primair tenlastegelegde eveneens bewezen.

Ten aanzien van feit 3 primair:

Niet in geschil is dat de aangever [slachtoffer 2] door (onder meer) hetgeen de verdachte hem volgens de tenlastelegging heeft voorgehouden, bewogen is tot het de afgifte van een bedrag van in totaal € 30.000,--. Ook in dit geval rijst echter de vraag of de verdachte bij en ten tijde van de tenlastegelegde feitelijke gedragingen opzettelijk een valse voorstelling van zaken heeft gegeven. De verdachte heeft ook hier betoogd dat hij bij het aangaan van de lening de bedoeling en de reële verwachting had dat hij dit bedrag en de overeengekomen rente binnen de afgesproken termijn zou kunnen (terug)betalen.

Nu de verdachte heeft verklaard dat hij hiervoor voldoende financiële ruimte had, het proces-verbaal de rechtbank onvoldoende inzicht biedt in de persoonlijke financiële situatie van de verdachte om het tegendeel te kunnen aannemen, en het verweer van verdachte niet, althans niet afdoende door de officier van justitie is weerlegd, kan het onder 3. primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Vast staat wel dat de verdachte op het moment dat de looptijd van de overeenkomst eindigde, 1 december 2006, nog altijd een bedrag van € 28.000,-- aan aangever verschuldigd was. De verdachte heeft dit bedrag tot op heden niet aan aangever teruggegeven, noch heeft hij serieus gereageerd op de vele pogingen van aangever om met hem hierover in contact te komen. Uit het gedrag van de verdachte blijkt naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel dat hij het bedrag dat hij tot en met 1 december 2006 als lening onder zich had, zich na ommekomst van die datum, dus in de tenlastegelegde periode, wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Ook het onder 3. subsidiair tenlastegelegde kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5:

De verdachte heeft erkend dat hij aangeefster [slachtoffer 3] opzettelijk een valse voorstelling van zaken heeft gegeven met betrekking tot niet-bestaande garantiecertificaten, waardoor zij tot twee keer toe bewogen is tot afgifte van een bedrag van € 9.000,--.

De rechtbank acht deze beide feiten derhalve eveneens wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 6:

De verdachte heeft toegegeven dat hij de gemeente Emmen niet (uitdrukkelijk) op de hoogte heeft gebracht van het feit dat hij gedurende de tenlastegelegde periode zijn hoofdverblijf (mede) in Duitsland had. Daarmee heeft hij zijn inlichtingenplicht op grond van artikel 17 van de Wet werk en bijstand geschonden.

Aan de verdachte is tevens verweten dat hij heeft nagelaten de gemeente in te lichten over het vertrek in maart 2008 van zijn echtgenote en kinderen naar Oekraïne. De rechtbank stelt evenwel vast dat hij alleen van 20 maart 2008 tot en met 17 april 2008 een uitkering naar de norm van een gehuwde heeft ontvangen en daarna naar de norm van een alleenstaande. Kennelijk is de gemeente in de tussenliggende periode op de hoogte geraakt van de gezinssituatie van de verdachte. Niet kan worden uitgesloten dat dit voor 20 maart 2008 al het geval is geweest en dat de tussenliggende periode tot 17 april 2008 is verstreken met het administratief afhandelen van deze wijziging. In ieder geval kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte na 20 maart 2008 wist of had moeten weten dat hij op dit punt nog gegevens diende te verstrekken die van belang konden zijn voor de hoogte van de aan hem verstrekte uitkering.

Het voorgaande betekent dat het onder 6. tenlastegelegde, met uitzondering van het bovenstaande, wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair:

hij in de periode van 1 mei 2005 tot en met 6 juni 2005, in de gemeenten Westerveld en Ooststellingwerf, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 50.000,=, hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid die [slachtoffer 1] - waarmee verdachte een langer lopende zakelijke relatie en/of vertrouwensband had -

- voorgesteld om Euro 50.000,= te lenen aan het bedrijf [naam] BV, tegen een rente van 6%, waarbij het geleende bedrag inclusief rente in maandelijkse termijnen, binnen een looptijd van 5 jaar zou worden terugbetaald, en

- namens [naam] BV een schriftelijke aanbieding gedaan, waarin onder meer is opgenomen de zinsnede "U ontvangt elke maand ook een aflossing bedrag van Euro 834,- duur 5 jaar = 50.000,- inleg.", alsmede de zinsnede "Extra borg via ons bedrijf en persoonlijke garantstelling", en

- namens [naam] BV een contract aangeboden waarin onder meer is opgenomen dat de verschuldigde rente per maand zal worden betaald, met een aflossing van Euro 834,= per maand gedurende de looptijd van 5 jaar, en verder dat het contract kan worden opgezegd in het geval de overeenkomst gedurende 3 maanden achtereen niet wordt nagekomen, en

- genoemd contract ondertekend namens/met [naam] BV, en

- aldus zich jegens [slachtoffer 1] gepresenteerd als bonafide financieel adviseur en tussenpersoon,

waardoor vorengenoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2. primair:

hij in de periode 1 mei 2005 tot en met 29 november 2005, in de gemeenten Westerveld en Ooststellingwerf, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 50.000,=, hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid die [slachtoffer 1] - waarmee verdachte een langer lopende zakelijke relatie en/of vertrouwensband had -

- voorgesteld om Euro 50.000,= te lenen aan het bedrijf [naam] BV, tegen een rente van 5,2%, waarbij het geleende bedrag inclusief rente in maandelijkse termijnen, binnen een looptijd van 5 jaar, zou worden terugbetaald, en

- namens [naam] BV een contract aangeboden waarin onder meer is opgenomen de zinsnede "De jaarlijkse rente ontvangt u op een door u aangegeven rekening", en

- vervolgens verteld dat het bedrijf [naam] BV een andere rekening had gekregen en zou overstappen naar een andere bank, dat die nieuwe rekening nog niet kon worden gebruikt en dat het geld daarom moest worden overgemaakt naar rekening [nummer] ten name van "[betrokkene 1]" en dat hij, verdachte, er voor zou zorgen dat [naam] BV het bedrag zou overmaken op een ten name van [slachtoffer 1] gestelde rekening bij Fortis, en

- daartoe vervolgens een contract opgesteld, en

- aldus zich jegens [slachtoffer 1] gepresenteerd als bonafide financieel adviseur en tussenpersoon,

waardoor vorengenoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

3. subsidiair:

hij in de periode van 1 december 2006 tot en met 1 juni 2010 in de gemeenten Ooststellingwerf en Emmen, opzettelijk een geldbedrag van in totaal Euro 28.000,=, toebehorende aan [slachtoffer 2], welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf, te weten als lening, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

4. primair:

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 25 april 2007, in de gemeenten Bedum en Ooststellingwerf, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 9.000,=, hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid die [slachtoffer 3] - waarmee verdachte een langer lopende zakelijke relatie en/of vertrouwensband had -

- geadviseerd om een garantiecertificaat te kopen tegen een maandelijkse rente van 7,75 %, en

- bij brief informatie doen toekomen over het garantiecertificaat, daarbij is onder meer gesteld "Een garantiecertificaat geeft u meer zekerheid en een leuke rente, een garantiecertificaat is een obligatie gecombineerd met een investering in een onderliggende waarde. Deze constructie zorgt ervoor dat u aan het einde van de looptijd de nominale waarde van uw certificaat volledig terugkrijgt en dat u deelneemt in een rente uitbetaling per maand." en "Het rendement van dit certificaat wordt niet alleen bepaald door een koersstijging van de onderliggende waarde aan het einde van de looptijd, maar ook door de mate waarin u deelneemt in de koersstijging." en "Onze stichting [naam] administratie Service regelt voor alle deelnemers de Garantiecertificaten en de plaatsing van de certificaten bij de grote verzekeraars.", waarbij de brief is ondertekend met "Met vriendelijke groet, Centrale Administratie Stichting [naam] administratie Service", en

- namens de Stichting [naam] administratie Service, een inschrijfformulier doen toekomen, waarin (onder meer) is opgenomen "Certificaat nummer: 563479" en "rente per maand: 7,75% Winstdeling: ja", waarbij dat inschrijfformulier is ondertekend met "Stichting [naam] administratie Service" en

- aldus zich jegens [slachtoffer 3] gepresenteerd als bonafide financieel adviseur en tussenpersoon,

waardoor vorengenoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

5. primair:

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 17 juli 2007, in de gemeenten Bedum en Ooststellingwerf, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 9.000,=, hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid die [slachtoffer 3] - waarmee verdachte een langer lopende zakelijke relatie en/of vertrouwensband had -

- ingevolge de eerder aangegane soortgelijke overeenkomst, de aldaar afgesproken rentebetalingen een aantal malen voldaan, en

- geadviseerd om nogmaals een garantiecertificaat van Euro 9.000,= te kopen tegen een maandelijkse rente van 7,75 %, en

- aldus zich jegens [slachtoffer 3] gepresenteerd als bonafide financieel adviseur en tussenpersoon,

waardoor vorengenoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

6. primair:

hij in de periode van 20 maart 2008 tot en met 6 december 2009 in de gemeente Emmen, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de in artikel 17 van de Wet werk en bijstand gestelde plicht om het college van burgemeester en wethouders onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op arbeidsinschakeling of het recht op bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens

de Wet werk en bijstand, immers heeft verdachte in voormelde periode, met voormeld opzet nagelaten onverwijld mee te delen aan(het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen

- dat hij en/of zijn partner en/of zijn kinderen niet woonachtig waren aan de [adres] en/of de [adres] te Emmen, en

- dat hij en zijn partner en zijn kinderen feitelijk woonden in Duitsland.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

Onder 1 primair:

Oplichting

Onder 2 primair:

Oplichting

Onder 3 subsidiair:

Verduistering

Onder 4 primair:

Oplichting

Onder 5 primair:

Oplichting

Onder 6:

In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift, te weten de in artikel 17 van de Wet werk en bijstand opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dit feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl hij weet dat die gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op de hoogte van een verstrekking op tegemoetkoming.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten alsmede de vordering van de officier van justitie.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de erkenning door de verdachte van de op de dagvaarding ad informandum gevoegde feiten 2, 3, 4, 5, 6 en 9, welke feiten hiermee zijn afgedaan.

De verdachte heeft een groot aantal slachtoffers onder valse voorstelling van zaken gelden afhandig gemaakt. Hij heeft deze gelden deels ten eigen bate en deels ten bate van zijn onderneming [naam] BV aangewend. Door de verdachte zijn diverse toezeggingen gedaan, onder meer dat er gegarandeerde rendementen zouden worden uitbetaald. Daarnaast heeft hij een fors geldbedrag dat één van de slachtoffers aan hem persoonlijk had uitgeleend verduisterd. Ten slotte heeft de verdachte zich gedurende meer dan anderhalf jaar schuldig gemaakt aan bijstandsfraude.

Door verdachtes jarenlange handelen zijn de slachtoffers grote bedragen kwijt geraakt. Uit de verklaringen die zich in het proces-verbaal bevinden, is de rechtbank duidelijk geworden dat het handelen van de verdachte voor hen grote gevolgen heeft gehad, niet alleen op financieel, maar ook op emotioneel vlak. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De verdachte heeft zowel tegenover de reclassering als ter terechtzitting verklaard dat hij uit winstbejag heeft gehandeld en dat hij hiervan veel spijt heeft. Desondanks is de rechtbank er, net als de reclassering, niet van overtuigd geraakt dat de verdachte daadwerkelijk het kwalijke van zijn handelen of de gevolgen daarvan voor zijn slachtoffers inziet. Indien hij daadwerkelijk de ernst van zijn handelen zou hebben ingezien, had het op zijn weg gelegen om contact met de slachtoffers op te nemen om zijn spijt te betuigen en (voor zover als mogelijk) een financiële regeling met hen te treffen om de bij hen ontstane schade (ten dele) te vergoeden. Op vragen van de rechtbank ter terechtzitting heeft hij evenwel aangegeven geen contact met de slachtoffers te hebben opgenomen. De verdachte wekt sterk de indruk dat hij het gebeurde slechts ziet als een zakelijk risico dat de slachtoffers bewust hebben genomen. Om die reden kan de rechtbank ook niet zonder meer de conclusie van de reclassering dat het herhalingsgevaar beperkt is, overnemen. Naar het oordeel van de rechtbank valt bepaald niet uit te sluiten dat de verdachte in de toekomst opnieuw zal vervallen in hetzelfde soort gedragingen waarmee hij in de afgelopen jaren zoveel slachtoffers heeft gemaakt.

De rechtbank acht derhalve het opleggen van een aanzienlijke gevangenisstraf geboden. Niet alleen kan zo recht worden gedaan aan het leed dat de verdachte zijn slachtoffers heeft berokkend, ook kan hem zo duidelijk worden gemaakt dat wat hij heeft gedaan niet wordt getolereerd. Om de verdachte in ieder geval de komende twee jaar ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk opleggen. Op deze wijze kan tevens rekening worden gehouden met het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen en dit vonnis.

Vorderingen van de benadeelde partijen:

Feiten 1 en 2:

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 1], wonende te Wapserveen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 300,-- aan immateriële schade. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Ten aanzien van het overige gedeelte van de vordering is naar het oordeel van de rechtbank, zonder nader onderzoek, onvoldoende duidelijk of deze betrekking heeft op de onderhavige strafprocedure. Het is evenwel te bezwaarlijk voor de strafprocedure om daarover duidelijkheid te krijgen. Dit betreft de post van € 26.114,32 aan materiële schade.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Feit 3:

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 2], wonende te Makkinga.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 30.000,00 (zijnde de inleg met betrekking tot contract 2). De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Het overige gedeelte van de vordering met betrekking tot contract 2, zijnde € 7.101,50 aan toegezegde rendement (achterstallige rente) en € 2.000,- aan kosten rechtsbijstand, zal de rechtbank afwijzen, nu deze posten geen betrekking hebben op het bewezenverklaarde feit.

De vordering ten aanzien van contract 1 (inclusief achterstallige rente) ter grootte van € 22.591,82, houdt verband met een aan verdachte ad informandum gevoegd feit. Op basis van de slachtofferregeling ten tijde van de delicten (zijnde vóór 01-01-2011) kan de benadeelde partij zich niet voegen in de procedure. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit houdt in dat dit deel van de vordering niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Feiten 4 en 5:

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 3], wonende te Bedum.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 18.000,- (zijnde de inleg aan certificaten) en € 6,60 aan reiskosten, zijnde totaal € 18.006,06. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Het overige gedeelte van de vordering betreffende de post van € 3.000 aan niet genoten toegezegde rente over de periode 2007-2011 en kosten aan rechtsbijstand van € 705,- zal de rechtbank afwijzen, nu deze posten geen betrekking hebben op de bewezenverklaarde feiten.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Ad informandum gevoegde feiten:

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 4], wonende te Heerenveen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

De vordering houdt verband met een aan verdachte ad informandum gevoegd feit. Op basis van de slachtofferregeling ten tijde van de delicten (zijnde vóór 01-01-2011) kan de benadeelde partij zich niet voegen in de procedure. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit houdt in dat de vordering niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 5], wonende te Rotsterhaule.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

De vordering houdt verband met een aan verdachte ad informandum gevoegd feit. Op basis van de slachtofferregeling ten tijde van de delicten (zijnde vóór 01-01-2011) kan de benadeelde partij zich niet voegen in de procedure. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit houdt in dat de vordering niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 6], wonende te Workum.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

De vordering houdt verband met een aan verdachte ad informandum gevoegd feit. Op basis van de slachtofferregeling ten tijde van de delicten (zijnde vóór 01-01-2011) kan de benadeelde partij zich niet voegen in de procedure. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit houdt in dat de vordering niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 7], wonende te Vollenhove.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

De vordering houdt verband met een aan verdachte ad informandum gevoegd feit. Op basis van de slachtofferregeling ten tijde van de delicten (zijnde vóór 01-01-2011) kan de benadeelde partij zich niet voegen in de procedure. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit houdt in dat de vordering niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 8], wonende te Vollenhove.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

De vordering houdt verband met een aan verdachte ad informandum gevoegd feit. Op basis van de slachtofferregeling ten tijde van de delicten (zijnde vóór 01-01-2011) kan de benadeelde partij zich niet voegen in de procedure. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit houdt in dat de vordering niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 9], wonende te Borger.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

De vordering houdt verband met een aan verdachte ad informandum gevoegd feit. Op basis van de slachtofferregeling ten tijde van de delicten (zijnde vóór 01-01-2011) kan de benadeelde partij zich niet voegen in de procedure. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit houdt in dat de vordering niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 10], wonende te Hurdegaryp.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

De vordering houdt verband met een aan verdachte ad informandum gevoegd feit. Op basis van de slachtofferregeling ten tijde van de delicten (zijnde vóór 01-01-2011) kan de benadeelde partij zich niet voegen in de procedure. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit houdt in dat de vordering niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 11], wonende te Drachten.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

De vordering houdt verband met een aan verdachte ad informandum gevoegd feit. Op basis van de slachtofferregeling ten tijde van de delicten (zijnde vóór 01-01-2011) kan de benadeelde partij zich niet voegen in de procedure. Derhalve zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit houdt in dat de vordering niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen

36f, 57 lid 1, 227b, 321, 326 van het Wetboek van Strafrecht

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 primair, 5 primair en 6 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het onder 3 primair en meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt de verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 8 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te Wapserveen, toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 300,00 (zegge driehonderd euro).

Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 300,00 (zegge driehonderd euro) ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te Wapserveen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300,00 ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te Makkinga, ten aanzien van contract 2 (feit 3) toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 30.000,00 (zegge dertigduizend euro).

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van contract 2 en de rechtsbijstand voor het overige af.

Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het deel van de vordering betrekking hebbend op contract 1 niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 30.000,00 (zegge dertigduizend euro) ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te Makkinga, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 180 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 30.000,00 ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te Bedum, toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 18.006,60 (zegge achttienduizendzes euro en zestig cent).

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 18.006,60 (zegge achttienduizendzes euro en zestig cent) ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te Bedum, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 120 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 18.006,60 ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4].

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4], wonende te Heerenveen, in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] wonende re Rotsterhaule, in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6].

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6], wonende te Workum, in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7].

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 7], wonende te Vollenhove, in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8].

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 8], wonende te Vollenhove, in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9].

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 9], wonende te Borger, in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10].

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 10], wonende te Hurdegaryp, in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11].

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 11], wonende te Drachten, in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H.H.A. Fransen, voorzitter, L.W. Janssen en

J. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 maart 2012.

Mrs. L.W. Janssen en J. van Bruggen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.