Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2012:BV8837

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
88003 - HA ZA 11-524
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Maatstaf. Geen voor bewijs vatbare feiten gesteld waaruit kan worden afgeleid dat bestuurders ten tijde van het aangaan van de aanneemovereenkomst wisten of redelijkerwijs konden weten dat de vennootschap de aanneemovereenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. Ook geen sprake van een persoonlijk, ernstig verwijt aan de zijde van bestuurders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 88003 / HA ZA 11-524

Vonnis van 7 maart 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STOLK MARIMECS B.V.,

gevestigd te Steenwijk,

eiseres,

advocaat mr. G.J. Boven te Leusden,

tegen

1. [X],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.T. Meijer,

2. [Y],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. L.C. van der Veer,

3. [Z],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.T. Meijer.

Partijen zullen hierna Stolk respectievelijk [X], [Y] en [Z] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 juli 2011;

- de akte uitlaten (substantiëringsplicht) van Stolk van 10 augustus 2011;

- de akte overlegging producties van Stolk van 31 augustus 2011;

- de conclusie van antwoord van [X] en [Z] van 21 september 2011;

- de conclusie van antwoord van [Y] van 21 september 2011;

- de conclusie van repliek van 14 december 2011;

- de conclusie van dupliek van [X] en [Z] van 25 januari 2012;

- de conclusie van dupliek van [Y] van 25 januari 2012;

- de bij de stukken gevoegde producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.2. Op 23 februari 2007 sluit Stolk met de besloten vennootschap

Bouw Combinatie Nijeveen B.V. (hierna: BCN) een aanneemovereenkomst. Die overeenkomst verplicht BCN om tegen betaling van een aanneemsom ter grootte van

€ 803.250,00 een woning, kantoor en loods te bouwen in Steenwijk.

2.3. Op 10 juni 2008 wil Stolk de aanneemovereenkomst buitengerechtelijk ontbinden. BCN berust niet in de buitenrechtelijke ontbinding.

2.4. Op 29 augustus 2008 dagvaardt Stolk BCN. Stolk vordert een verklaring voor recht dat de aanneemovereenkomst op 10 juni 2008 is ontbonden, althans dat de rechtbank de aanneemovereenkomst ontbindt op grond van toerekenbare tekortkomingen van BCN in de nakoming van de aanneemovereenkomst. Stolk vordert ook een veroordeling van BCN tot vergoeding van haar nader bij staat op te maken schade.

2.5. Op 2 september 2009 wijst de rechtbank tussen Stolk en BCN een vonnis. In dat vonnis overweegt en beslist de rechtbank - kernachtig samengevat en voor zover voor het navolgende van belang - dat het verweer tegen de buitenrechtelijke ontbinding gegrond is en dat de overeenkomst is blijven voortbestaan, maar dat BCN niet heeft gesteld noch aannemelijk heeft gemaakt dat zij in staat is het werk binnen een redelijke termijn naar goedvakmanschap uit te voeren en op te leveren. De rechtbank overweegt dat waarschijnlijk moet worden geacht dat BCN daartoe niet in staat is en zij ontbindt op die grond de overeenkomst. De rechtbank veroordeelt BCN tot betaling aan Stolk van haar nader bij staat op de maken schade.

2.6. Op 27 november 2009 stelt BCN hoger beroep in tegen het vonnis van 2 september 2009. Op 14 december 2010 bekrachtigt het gerechtshof te Leeuwarden het beroepen vonnis van de rechtbank.

2.7. Op 18 december 2009 dagvaardt Stolk BCN in de schadestaatprocedure. Op

12 april 2011 wordt de schadestaatprocedure geschorst als gevolg van het op die datum uitgesproken faillissement van BCN.

2.8. [X], [Y] en [Z] zijn de bestuurders (geweest) van BCN. Stolk houdt hen, ieder afzonderlijk voor het geheel, aansprakelijk voor de schade die zij lijdt.

[X], [Y] en [Z] wijzen hun persoonlijke aansprakelijkheid af.

3. Het geschil

3.1. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten vordert Stolk, verkort weergegeven, hoofdelijke veroordeling van [X], [Y] en [Z] tot betaling van een bedrag van € 472.133,93 vermeerderd met rente en proces-, beslag- en nakosten.

Daartoe stelt Stolk, samengevat weergegeven, dat in procedures die zij tegen BCN heeft gevoerd onomstotelijk is komen vast te staan dat BCN haar schade heeft berokkend door een aanneemovereenkomst met haar aan te gaan, waarvan de bestuurders van BCN bekend was dat BCN het aangenomen werk niet op een juiste wijze zou kunnen worden afronden. Stolk verwijt [X], [Y] en [Z] dat zij als bestuurders (a) een aanneemovereenkomst met haar zijn aangegaan in de wetenschap dat BCN het werk niet op een behoorlijke wijze en tijdig kon uitvoeren en de werkzaamheden niet conform het bestek en de afgegeven vergunningen zijn uitgevoerd, (b) geen uitvoering is gegeven aan een uitspraak van de Raad van Arbitrage van 22 februari 2008 door de werkzaamheden niet uit te voeren waartoe die uitspraak verplicht, (c) het arbitrale vonnis ten uitvoer is gelegd waardoor Stolk tot betaling van een bedrag van € 70.000,00 werd gedwongen, (d) geen gevolg is gegeven aan de met Stolk op 17 maart 2008 gemaakte afspraken (e) misbruik te maken van de rechtspersoonlijkheid van BCN door BCN failliet te laten verklaren in de wetenschap dat er dan geen verhaal meer mogelijk zou zijn en (f) in lopende procedures er alles aan doen om onder verplichtingen uit te komen en stelselmatig afspraken niet na te komen dan wel te traineren.

3.2. Het verweer strekt tot niet-ontvankelijkheid van Stolk, althans afwijzing van haar vordering en veroordeling van Stolk in de kosten van deze procedure. Daartoe wordt gemotiveerd betwist dat [X], [Y] en [Z] een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt van de door Stolk gestelde tekortkomingen.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven met het oog op een doelmatige bespreking, om het volgende. Stolk sluit met BCN een aanneemovereenkomst. De aanneemovereenkomst wordt ontbonden en Stolk lijdt daardoor schade. BCN is voor die schade aansprakelijk. Door het faillissement van BCN laat het zich aanzien dat de

- overigens nog in omvang vast te stellen - vordering van Stolk onverhaald en onbetaald zal blijven. Stolk zoekt in deze procedure daarom verhaal op [X], [Y] en [Z]. Stolk houdt ieder van hen afzonderlijk voor het geheel van haar schade aansprakelijk. Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de rechtbank als volgt.

4.2. De rechtbank vooronderstelt, bij gebreke van een daarop gericht verweer en om proceseconomische redenen, dat Stolk bedoelt de bestuurders van BCN aansprakelijk te stellen wegens het onverhaald en onbetaald blijven van haar vordering op BCN en de schade die zij als gevolg daarvan lijdt. De rechtbank vooronderstelt om dezelfde redenen dat Stolk een opeisbare vordering heeft op BCN die zij niet op deze vennootschap kan verhalen, zodat haar vordering onbetaald blijft. Alleen als de rechtbank hiervan uit gaat, is er immers sprake van een benadeling van Stolk als schuldeiser door het onverhaald en onbetaald blijven van haar vordering op BCN en alleen dan kan de vraag opkomen of naast de aansprakelijkheid van BCN een of meerdere van haar bestuurders persoonlijk aansprakelijk zijn voor die benadeling.

4.3. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 december 2006 (NJ 2006, 659) voor de benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering, de maatstaf ontwikkeld dat naast de aansprakelijkheid van de vennootschap ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond kan zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt voor in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en voor in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.4. De rechtbank hanteert de hiervoor weergegeven maatstaf bij de beoordeling van de persoonlijke aansprakelijkheid van [X], [Y] en/of [Z].

4.5. Gegeven de feitelijke grondslag van de vordering en de hiervoor uiteengezette maatstaf staat te beoordelen, kort gezegd, of [X], [Y] en [Z] namens BCN de aanneemovereenkomst zijn aangegaan, terwijl zij wisten of redelijkerwijs konden weten dat BCN die aanneemovereenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden, dan wel dat zij overigens iets hebben gedaan of hebben nagelaten dat in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig jegens Stolk is dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.6. Stolk legt aan haar vordering ten grondslag dat de bestuurders van BCN een aanneemovereenkomst hebben gesloten in de wetenschap dat BCN, kort gezegd haar verplichtingen niet behoorlijk en tijdig zou kunnen nakomen. Dit onderbouwt Stolk door in de eerste plaats aan te voeren dat in een procedure bij de rechtbank door een deskundige aan de hand van een plaatsopneming is vastgesteld dat het project te groot was voor BCN. Stolk kent in de tweede plaats betekenis toe aan een overweging van de rechtbank waarin de bevindingen van deze deskundige worden aangehaald en waarin de rechtbank overweegt dat geen goed vakmanschap is geleverd. Stolk stelt in de derde plaats dat uit meerdere

(tegen BCN) gevoerde procedures is gebleken dat er ondeugdelijk werk is geleverd en dat zij schade heeft geleden.

4.7. De rechtbank overweegt dat Stolk daarmee geen feitelijke onderbouwing geeft aan de door haar betrokken stelling dat [X] en/of [Y] dan wel [Z] bij het aangaan van de aanneemovereenkomst wisten of behoorden te begrijpen dat BCN haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. Stolk stelt geen voor bewijs vatbare feiten waaruit kan worden afgeleid dat [X], [Y] en/of [Z] ten tijde van het aangaan van de aanneemovereenkomst wisten of redelijkerwijs konden weten dat BCN de aanneemovereenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden.

Dat wellicht op grond van een rechterlijke uitspraak, in retrospectief, moet worden vastgesteld dat BCN zich heeft vertild aan de omvang van een bouwproject en daardoor niet in staat is geweest om haar verplichtingen behoorlijk na te komen, zegt op zichzelf genomen niets over de vorenbedoelde wetenschap die de bestuurders ten tijde van het aangaan van de aanneemovereenkomst hadden of redelijkerwijs zouden kunnen hebben gehad.

4.8. Gegeven de overige feiten en omstandigheden die Stolk aan haar vordering ten grondslag ligt, komt het er daarom op aan of uit de gestelde feiten en/of omstandigheden een handelen of nalaten van [X], [Y] en/of [Z] blijkt ten opzichte van Stolk dat in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat ieder of één van hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.9. Anders dan Stolk in dit verband doet, kan de rechtbank gelet op de maatstaf die bij de beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid moet worden gehanteerd, niet op de wijze en niet in de mate dat Stolk dat doet het handelen of nalaten van BCN vereenzelvigen met een handelen of nalaten te handelen van [X], [Y] en/of [Z] als bestuurders van BCN. Verwijten die Stolk BCN kan maken, al dan niet op grond van rechterlijke of arbitrale uitspraken gewezen tussen Stolk enerzijds en BCN anderzijds aan BCN, leiden op zichzelf genomen niet tot een persoonlijke aansprakelijkheid van [X], [Y] en/of [Z].

4.10. Het voorgaande klemt, omdat Stolk geen bijkomende, voor bewijs vatbare feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat wat zij aan BCN verwijt ook een persoonlijk, ernstig verwijt met zich brengt ten opzichte van [X], [Y] en [Z].

4.11. Aldus kan wat Stolk aan haar vordering ten grondslag legt - wat ook verder zij van het daarop gerichte verweer - niet leiden tot een persoonlijke aansprakelijkheid van

[X], [Y] en/of [Z]. De rechtbank zal daarom de vordering van Stolk afwijzen.

4.12. Stolk zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank zal de kosten begroten op de gebruikelijke wijze.

De kosten aan de zijde van [X] en [Z] worden begroot op:

- griffierecht 1.400,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 6.560,00.

De kosten aan de zijde van [Y] worden begroot op:

- griffierecht 1.400,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 6.560,00.

BESLISSING

De rechtbank

1. wijst de vorderingen af,

2. veroordeelt Stolk in de proceskosten, aan de zijde van [X] en [Z] tot op heden begroot op € 6.560,00,

3. veroordeelt Stolk in de proceskosten, aan de zijde van [Y] tot op heden begroot op € 6.560,00,

4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2012.?